236 Die mannen zijn de sophisten, die, gelijk bekend is, aanhoudend met Socrates in twist waren, daar Socrates zich juist ten doel had gesteld, hunnen verderfelijken invloed te weren. ↑
237 Theodorus zou Socrates van dienst zijn, doordien hij hem genoegen zou geven; en zich zelven, doordien hij zijnen vriend zou verdedigen. ↑
240 De zin is woordelijk: nu zou iemand ons ligt zonder magt over de toestemming in zijnen naam stellen. ↑
241 δι’ ἄλλων. Hier zal wel λόγων onder verstaan worden. De zin is dan deze: niet door algemeene redeneringen, buiten het stelsel van Protagoras om, maar uit dat stelsel zelf, moeten wij zijn gevoelen opmaken. ↑
242 χειμάζωνται ziet alleen op θαλάττῃ, maar uit dat verbum moeten de met στρατείαις en νόσοις overeenkomende werkwoorden bij die woorden worden ingevoegd. Zie over eene dergelijke plaats bij Aristoteles, mijne aanteekeningen op de Anima II. cap. VIII. § 10, voorkomende in het 8e nommer der Symbolae literariae. ↑
243 αὐτοὺς beteekent in dezen zin: niet het oordeel van anderen, maar van de menschen over zich zelve. ↑
244 Woordelijk: edoch het gezegde, dat den mensch de maat van alle dingen noemt, is tot dat der noodzakelijkheid gekomen. τοῦτο ἀνάγκης is genitivus partitivus en beteekent dan: dit bepaalde punt in de rij der noodzakelijk elkander opvolgende dingen. Zie Buttm., Gr. Gr. § 132. 2. b.) Anm. 3. ↑
245 οἵ γέ μοι τὰ ἐξ ἀνθρώπων πράγματα παρέχουσιν. Woordelijk: die mij de moeite berokkenen, welke uit menschen ontstaat; hetgeen in dezen zin moeijelijk iets anders beteekenen kan, dan: die mij al de moeite berokkenen, welke de eene mensch den anderen kan aandoen. ↑
246 ἀμφισβητέω is hier twijfelen en wordt door eene sterkere ontkenning verbeterd, welke uitgedrukt wordt door ὁμολογήσεται met een negatief praedicaat. ↑
247 τότε καὶ ὁ Πρωταγόρας αὐτὸς ξυγχωρήσεται. Ik heb deze woorden in de vertaling weggelaten, omdat zij geheel overtollig zijn. Zij behooren tot de vaak al te groote omslagtigheid van Plato’s stijl, die gegrond is in zijn pogen, om den vrijen loop van een dagelijksch gesprek na te bootsen. ↑
249 πάντα ὅσα τοῦ τύπου τούτου. Deze woorden komen hier volmaakt overeen met κ. τ. λ.; men zou ze kunnen vertalen: al wat tot deze soort (tot dit rubriek) behoort; doch deze omslagtige uitdrukking zou althans in het Hollandsch de rondheid der periode belemmeren. Ik houd het voor een vereischte in eenen goeden stijl, althans in wijsgeerige werken, dat men alle stopwoorden zoo kort mogelijk maakt, om de opmerkzaamheid van den lezer niet af te leiden. ↑
250 ἑκάστῃ ziet natuurlijk op ἑκάστη vóór πόλις, zoodat hier wordt gezegd, dat voor iederen staat, datgene regtvaardig, enz., is, wat die staat als zoodanig wil beschouwen. Deze aanmerking diene dus om het misverstand te voorkomen, als werd hier geleerd, dat hetgeen iedere staat bepaalt, een algemeene regel wordt, die voor iederen staat geldig is. Dit kon welligt uit de woorden gehaald worden, maar strijdt regelregt tegen de leer van Protagoras, die juist van het algemeene niet hooren wilde, maar ieder enkel wezen op zich zelf nam, en de volkomene subjectiviteit en subjective waarheid der verschillende meeningen voorstond. ↑
251 Deze leer toch is, zoo als ieder ligtelijk inziet, een gewijzigd Protagorismus, als het ware de uitlegging zijner leer door de Protagoristen van de regterzijde. ↑
252 Het is opmerkelijk de verandering van beteekenis na te gaan, die met dit woord heeft plaats gehad. σχολὴ beteekent oorspronkelijk ledigen tijd. Daar nu oudtijds de studie liefhebberij was, en alleen, hetgeen tot levensonderhoud dienen moest, als werk beschouwd werd, is σχολὴ in gebruik gekomen voor liefhebberij-studie. Vandaar is het van alle studie gebezigd, en eindelijk ook van die studie der jeugd, die alles behalve uit liefhebberij plaats heeft. ↑
253 καὶ wordt hier door vooral vertaald, hoezeer het eenvoudig en beteekent. De oorzaak is, dat door eene constructie als de hier plaats hebbende, het woord, waar καὶ bijstaat, bijzonder op den voorgrond komt, daar het daardoor uitgedrukte denkbeeld uit eene menigte andere alleen wordt genoemd. Dit drukken wij uit door vooral, zonder daarom te beweren, dat καὶ ooit vooral kan beteekenen. ↑
254 φιλοσοφίαι beteekent wijsgeerige studiën, verschillende vakken van wijsbegeerte, gelijk virtutes in het Latijn van goede hoedanigheden, van verschillende onderdeelen der ééne deugd wordt gebezigd. ↑
255 κυλινδούμενοι. In dit woord ligt eene beteekenis van verachtelijkheid, die hier in Socrates mond zeer goed geplaatst is. Het komt omtrent op hetzelfde neêr, als wanneer wij spreken van zich rondwentelen in zingenot. ↑
256 τοῦ προκειμένου. Eigenlijk de vóór hem liggende, vandaar die, welke hem tegenwoordig bezig houdt. Zoo beteekent het dan juist het tegenovergestelde van voorgesteld, in de verte aangewezen. Wij zeggen ook: voor de handliggend in denzelfden zin. Evenzoo moet dit woord, naar mijn inzien, opgevat worden: Hebr. XII. 2. ↑
257 ὕδωρ ῥέον. Hiermede wordt de κλεψύδρα bedoeld, namelijk een wateruurwerk, waardoor de tijd naauwkeurig bepaald werd, die men voor eene geregtelijke redevoering besteden mogt. ↑
258 ὑπογραφὴ παραγιγνωσκομένη. Stallbaum merkt zeer juist aan, dat hiermede waarschijnlijk eene korte opgaaf van de punten der beschuldiging, die moesten weêrlegd worden, bedoeld wordt. Hoezeer ik geenszins geloof, dat, althans bij alle soorten van processen, eene bepaalde wet den verdediger aan die opgave bond, zoo spreekt het echter van zelf, dat de wijze, waarop de beschuldiging was ingerigt, de verdediging moest wijzigen, daar zij alleen tot afwending van die beschuldiging werd aangewend. Immers, die zich niet aan de punten der beschuldiging hield, liep daardoor veeltijds gevaar, eene onvolledige verdediging te leveren. ↑
259 De woorden ἣν ἀντωμοσίαν καλοῦσιν worden teregt door Stallbaum, op het voetspoor van Abresch, uitgeworpen, daar zij geheel den vorm van eene randteekening hebben, die bij vergissing in den tekst is opgenomen. ↑
260 δρόμος wordt eigenlijk van den wedstrijd in het loopen gezegd, maar hier komt het voor in de algemeene beteekenis van strijd. ↑
261 Het is bekend, dat in Athene de gedaagden allerlei kunsten aanwendden, om de regters in hun voordeel te stemmen, en dat het verwaarloozen dier kunsten juist de oorzaak der veroordeeling van Socrates is geweest. Zie Apolog. cap. XXIII en XXIV. ↑
262 τὸ ἐλεύθερον, woordelijk: het vrije, dat is, die gezindheid, die vrije menschen past. Men ziet hier den invloed van de inrigting der maatschappij op de taal, daar eene spreekwijs als deze slechts in eenen staat, waarin slavernij bestond, ontstaan kon. ↑
263 ἀληθοῦς is hier subjectief genomen, dat is, het beteekent niet zoo zeer de waarheid op zich zelve, als wel die gezindheid, die het ware doet spreken en in daden aan den dag leggen. Daarom heb ik gemeend hier opregtheid te mogen vertalen. ↑
264 Woordelijk: dat wij de mannen van onze rij doorgegaan of voorbijgegaan zijnde, ons weder tot de redekaveling wenden. Dus stond het terugkeeren tot de redekaveling vast, en het was alleen de vraag, of zulks dan eerst zou geschieden, nadat ook de ware wijsgeeren beschreven waren, of met voorbijgaan van die beschrijving. ↑
265 οἱ ἐν τῷ τοιῷδε χορεύοντες. χορός is eigenlijk een rei zangers op het tooneel, doch het is bekend, dat in het Attische treurspel zulke reien dikwijls gesplitst werden, zoodat de twee halve reien dan tegen elkander overstonden. Van hier is deze uitdrukking voor partijschappen gebezigd. Dit is weder een voorbeeld van den invloed der zeden op de taal. ↑
266 ὥσπερ ποιηταῖς. Hoewel ook de waarde der tooneelstukken door regters beoordeeld werd, ziet dit echter vooral op θεατής, daar δικαστὴς meer tot het vorige, voornamelijk tot de processen behoort. De vermelding der dichters is hier veroorzaakt door de van de reien in de treurspelen ontleende uitdrukking. ↑
267 λεγόμενα—ἀκούουσι. λεγόμενα wordt, geloof ik, gezegd van de wetten en besluiten, die op het oogenblik behandeld worden, γεγραμμένα van zoodanige, die vroeger vastgesteld zijn, en nu als bewijs voor of tegen worden [106]aangehaald. Verder ziet ὁρῶσι natuurlijk op de geschrevene, ἀκούουσι op de hangende wetten en besluiten. ↑
268 πράττειν kan verklaard worden, gelijk onze Hollandsche uitdrukking: om te doen, terwijl dan σπουδαὶ enz. subjecten zijn van προσίσταται, dat in singulari gezet wordt, omdat die subjecten, van verschillend geslacht en levenlooze dingen zijnde, als neutra beschouwd worden. ↑
269 Dat is: hij wendt geene verachting der wereldsche dingen voor, om daardoor den schijn aan te nemen, als ware hij boven het gewone peil der menschelijkheid verheven. ↑
270 οὐρανοῦ τε ὕπερ. Woordelijk: wat boven den hemel is, namelijk de spheer der vaste sterren. Men kan echter welligt οὐρανοῦ ook van het uitgelatene τάτε laten afhangen en ὕπερ meer als bijwoord beschouwen. ↑
271 καὶ πᾶσαν—ὅλου. Woordelijk: en overal elke natuur [107]onderzoekend van ieder geheel der bestaande dingen. ὅλου zal hier wel het genus beteekenen, zoodat dan deze woorden aldus moeten uitgelegd worden, dat de ziel van alle geslachten van bestaande dingen het algemeene onderzoekt, zonder zich tot de individu’s af te laten. ↑
272 ὅπερ ἀρχόμευος ἔλεγον. Men merke het gebruik der deelwoorden en bijvoegelijke naamwoorden in het Grieksch op, daar in die taal deze woorden veelvuldig gebezigd worden, waar wij bijwoorden of voorzetsels met hunnen naamval (hetgeen op hetzelfde neêrkomt) bezigen. ↑
273 ἀπειρία beteekent bepaaldelijk: gebrek aan oefening. Zoo zegt Aristoteles: „De ἐμπειρία ontstaat bij de menschen uit de herinnering. Want vele herinneringen aan dezelfde zaak brengen eene ἐμπειρία tot stand,” enz. Metaph. I. 1., waar herinnering, bekwaamheid door oefening, theoretische kennis, als de drie trappen der ontwikkeling van den geest worden opgegeven. ↑
274 Bij de oneindige processen te Athene was het van veel belang, zooveel mogelijk kwaad van anderen te weten, om, zoo men beschuldigd werd, den aanklager zijne gebreken te kunnen verwijten, en daardoor zijne aanklagt te ontzenuwen. ↑
276 γῆς δὲ ὅταν κ. τ. λ. Men ziet hier het voordeel der declinatie, waardoor de ouden veel beter dan wij in staat waren, de woorden zoo te rangschikken, dat het hoofddenkbeeld op den voorgrond kwam. Natuurlijk staat hier γῆς (in den genitivus partitivus) scherp tegenover ἅπασαν τὴν γῆν. ↑
277 Dit moet hier ingevoegd worden, hoewel het in het Grieksch niet noodig is, daar de bovenaangestipte vrijheid der Grieksche taal Plato hier in staat stelde, met den genitivus, die van ἔπαινον afhangt, te beginnen, hetgeen voor ons onmogelijk is. ↑
278 ἀπαιδευσία is eigenlijk: gebrek aan opvoeding, doch hier wordt niet zoo zeer dat gebrek zelf, maar de onwetenheid, die daaruit volgt, bedoeld. ↑
279 Hier begaat Plato eene fout, die zeer gewoon is. Volgens de gewone berekening heeft het menschelijk geslacht ongeveer 6000 jaar op aarde gewoond. Een geslacht wordt gerekend op 30 jaar. Dit geeft 200 geslachten. Al geeft men nu toe, dat de berekening van de tegenwoordige oudheid des menschdoms zeer gebrekkig is, zoo is het toch alleronwaarschijnlijkst, dat de fout dier berekening groot genoeg is, om reeds in Plato’s tijd zulk eene groote menigte voorouders aan iemand te kunnen toeschrijven. ↑
280 Woordelijk: van het: wat beleedig ik u, of gij mij? Met deze woorden worden de klagten over onregt als werkelijk plaats hebbende geschilderd. ↑
281 De koninklijke magt werd toen ter tijde als het hoogste toppunt van aardsche zaligheid geschilderd. Deze rigting openbaarde zich reeds bij Euripides, hetgeen hem door Plato verweten werd. Zie Rep. VIII. cap. XVIII. ↑
282 φύσις, natura, natuur lijden allen aan de dubbelzinnigheid, dat zij dan eens de natuur in het algemeen, dan eens de wezenheid van een bepaald wezen beteekenen. ↑
283 ἀνεμέσητος is eigenlijk hij, die niets van de straf der goddelijke geregtigheid te vreezen heeft. ↑
284 Hier heeft Plato zich door de tegenstelling tusschen kwaad en goed laten verleiden, om het kwaad noodzakelijk voor het bestaan van het goed te noemen; eene dwaling, die hij trouwens niet voor de laatste maal verkondigd heeft. Plato zelf echter was reeds op den weg om ze te verbeteren, daar hij beweerde, dat het kwaad niet in de Godheid kan gegrond zijn, hetgeen hij niet kan volhouden, zoo hij de Godheid goed noemt, en het goede zonder het kwade niet denken kan. Indien kwaad de positive tegenstelling van goed is, dan vorderen zij elkander, maar zoo kwaad slechts een ontkennend begrip is, dan laat het zich begrijpen, hoe men het bij eindige wezens onvermijdelijk kan noemen, en het toch aan de Godheid ontzeggen. Zie Opklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 46 (1). ↑
286 Namelijk: daarin, dat men zijn heil zoekt in het eeuwige, onveranderlijke, goddelijke, en zich van het aardsche losmaakt; waarvan het gevolg is, dat de aardsche rampen ons minder treffen. Want waar uw schat is, daar zal ook uw hart zijn. ↑
287 ἀλλὰ γάρ. ἀλλὰ begint eenen zin, die dadelijk weêr wordt afgebroken, om met γὰρ en hetgeen daarop volgt, de reden van hetgeen daarin zou gezegd worden te geven, terwijl die afgebroken zin bij τὸ δὲ ἀληθὲς weder wordt opgevat. ↑
289 Woordelijk: ten opzigte van dit, is de ware voortreffelijkheid, nietswaardigheid, en onmannelijkheid van een man. De Grieken, vooral de Atheners, hielden de vrouwen buiten alle beschaving en spraken daarom steeds van mannen alleen, waar wij van menschen in het algemeen spreken. Ik heb echter gemeend hier mensch te mogen vertalen, zoo omdat de zaak zelve medebrengt, dat hier even zoo zeer aan vrouwen als aan mannen moet gedacht worden, als om de bekende uitspraak van Plato, dat de vrouwen van natuur voor dezelfde ontwikkeling vatbaar zijn als de mannen, en dat, zoo zij van vele dingen zijn uitgesloten, zulks alleen aan de verkeerde opvoeding te wijten is. Zie Rep. V. cap. IV–VI. Wanneer dus Plato van mannen spreekt, waar hij van menschen moest spreken, schikt hij zich naar het gewone spraakgebruik. ↑
290 Plato hield zich overtuigd, dat de oorzaak van het zedelijk kwaad onkunde is, daar niemand wetens en willens zijn waarachtig belang zal verwaarloozen. Aristoteles [114]daarentegen hield kennis wel zeer noodig voor een deugdzaam leven, maar niet voldoende; daar er volgens hem nog oefening moet bijkomen. ↑
291 Zoo men de schijnbare voordeelen der misdaad daarvan kon wegnemen, zouden de misdadigers hun ware belang inzien en zich beteren. ↑
292 Eigenlijk: in den staat, hetgeen voor de Atheners, die in eene democratie leefden, waar elk zich met politiek bemoeide, hetzelfde beteekende, als wanneer wij van de maatschappij spreken. ↑
293 Terwijl velen door den tegenspoed der vromen in hun geloof aan een wijs en magtig wereldbestuur zijn aan het wankelen gebragt, meende Plato en later de Stoïcijnen in dien tegenspoed een bewijs te zien, dat de ware belooning der deugd niet buiten, maar in de deugd moet gezocht worden, en dat de uiterlijke omstandigheden weinig of geen invloed hebben op het waarachtig levensgeluk. ↑
294 ἐν τῷ ὄντι. Woordelijk: in het zijnde, maar daar Plato de wereld der ideën, of de denkbeeldige wereld, voor het ware zijnde hield, heb ik gemeend dit woord aldus te mogen vertalen. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 53–57. ↑
296 De denkbeeldige wereld, waar de reine zielen wonen en zich verheugen in het aanschouwen der eeuwige ideën. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 141–157. ↑
297 Woordelijk: maar dat zij dáár steeds de met hen overeenstemmende gelijkheid van levenswijs zullen hebben. ↑
298 Hiermede wil Socrates niet te kennen geven, dat het andere naar zijn inzien niet zeker was, maar alleen, dat zij het nog eerder konden ontkennen dan dit. Zie Luc. V. 23., waar niet bedoeld wordt, dat het eene zooveel moeijelijker dan het andere was om uit te spreken, maar dat de ééne uitspraak vrij wat beter dan de andere aan de uitkomst kon getoetst worden, en dus met vrij wat meer gevaar voor beschaming gepaard ging. ↑