299 ἰδίᾳ: d. i. niet voor het publiek, dat zich met bombast laat inpakken, maar in een bedaard gesprek, waar punt voor punt bedaard overwogen wordt. ↑
302 D. i.: de naam blijft, zoolang zij niet wordt afgeschaft; doch dit belet niet, dat de zaak ondertusschen geheel van aard kan veranderen; en, al blijft zij nuttig heeten, werkelijk schadelijk kan worden. Wij spreken hier echter van de zaak zelve; de naam is ons onverschillig. ↑
304 ἔστι δέ που καὶ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνον. Het geslacht omvat het enkele, dat er toe gerekend wordt. Hier is het toekomstige het geslacht, en het nuttige wordt beschouwd als eene soort, die er toe gerekend wordt. Of dit nuttige nog onder een ander geslacht behoort, wordt hier niet gezegd, en is ook geheel onverschillig. Daarom staat καὶ hier geheel voor niet, terwijl het bij τὸ ὠφέλιμον zeer goed geplaatst is, daar het geslacht meer dan ééne soort omvat, en dus het toekomstige, dat hier als het geslacht beschouwd wordt, meer soorten heeft dan het nuttige alleen. Daarom geloof ik, dat καὶ in onzen tekst uit καὶ bij τὸ ὠφέλιμον ontstaan is, en meen in plaats daarvan τὰ te moeten lezen. τὰ περὶ τὸν μέλλοντα χρόνον beteekent dan de dingen, die op den toekomstigen tijd betrekking hebben, het toekomstige. ↑
305 Dit toevoegsel was noodig om Ἀλλὰ te verklaren, daar het allezins vreemd zou zijn, dat een zin, die dient, om het vorige te bevestigen, met maar begint. ↑
306 Hierin ligt eene vrij hatelijke, doch welverdiende beschuldiging van Protagoras opgesloten. Door consequent op zijne leer door te redeneren, moest alle onderwijs voor gekheid verklaard worden, vooral dat in de welsprekendheid, daar dit juist ten doel heeft, de kunst te leeren om anderen van onze meeningen te overtuigen, en de middelen te bedenken, om den uitslag van een regtsgeding naar ons welgevallen te doen plaats hebben. Dus was Protagoras óf zeer inconsequent, óf hij was een bedrieger, die anderen voor veel geld eene kunst leerde, welke hij zelf wist, dat geene de minste waarde had. Het voorbeeld van een wigchelaar echter heeft hier niets hatelijks, [121]maar wordt alleen in dezen zin gebezigd, dat al was de wigchelarij eene ware kunst, toch volgens Protagoras de beste wigchelaar niet beter over iemands toekomstigen toestand zou kunnen oordeelen, dan ieder voor zich zelven. Dat echter Plato niet in de wigchelarij geloofde, meen ik aangetoond te hebben in de aanteekening (2) op blz. 150 mijner vertaling van den Phædo. ↑
308 τὸ παρὸν ἑκάστῳ πάθος, ἐξ ὧν. Het pronomen relativum staat hier in het meervoud, omdat in τὸ παρὸν [122]ἑκάστῳ πάθος, zooals uit ἑκάστῳ blijkt, duidelijk het denkbeeld van meer dan éénen toestand ligt opgesloten. Het zou echter welligt aanneembaar zijn, dat tusschen τὸ en παρὸν ἀεί moet ingevoegd worden. ↑
309 Daar ἀληθεῖς duidelijk op αἰσθήσεις ziet, heb ik gemeend dit woord in de vertaling terstond met het voorzetsel van te moeten verbinden. Dat dit bij Plato geen plaats heeft, kan ik, met welke grammaticale kunsttermen het ook bedekt worde, niet anders, dan als een gebrek in zijnen stijl beschouwen. ↑
313 πεπλήξει. Woordelijk: gij zult getroffen zijn, dat is, hij zal u zoo plotseling antwoorden, dat gij het antwoord reeds beet hebt, als uwe vraag op zijn best is uitgesproken. ↑
314 Het is zeer karakteristiek, dat juist Theodorus, die althans in naam tot dezelfde partij behoorde, dit ongunstige [124]oordeel moest vellen. Hiermede wil Plato te kennen geven, dat het oordeel van een wetenschappelijk mensch van zelf tegen deze leer moest opkomen. ↑
315 Socrates was beroemd om zijne kunst van de menschen de waarheid als uit de keel te halen. Zelfs hij zou echter met die lieden niets vorderen. ↑
317 Het is steeds moeijelijk, bij uitspraken als deze, te beslissen, of Plato schertsend of ernstig spreekt. Ik hel echter meer tot het eerste over, en geloof niet, dat hij zulk eenen diepen zin in de oude dichters gezocht heeft, zoo om zijn oordeel over de dichterlijke geestvervoering, gelijk ons dat in den Io wordt medegedeeld, als omdat hij, gelijk bekend is, de dichters uit zijne republiek wilde verbannen. ↑
320 Deze plaats is allezins merkwaardig voor het standpunt van Plato, dat, de eenzijdigheid en relative waarde der Eleatische en Heraclitische wijsbegeerte erkennende, de hoogere eenheid zocht daar te stellen, waarin zij beiden werden opgenomen. Hier schijnt hij echter nog meer tusschen de tegenstrijdige gevoelens in te staan, dan er zich boven verheven te hebben. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 10, 11. ↑
321 Het is juist gezien van Plato, dat hij hier eene vergelijking bezigt, aan de worstelspelen ontleend, daar dit gesprek, zooals uit Hoofdst. II. blijkt, in een gymnasium (school van ligchaamsoefeningen) gehouden is, of althans alzoo wordt voorgesteld. ↑
322 Δοκεῖ—κινεῖσθαι. De woorden ποῖον τί ποτε ἄρα λέγοντες φασὶ τὰ πάντα κινεῖσθαι zijn te zamen het subject van het werkwoord δοκεῖ. ↑
323 De leer der beweging heeft bijzonder de aandacht van Aristoteles getrokken. In zijne Physische voorlezingen behandelt hij haar op vele plaatsen vrij uitvoerig. In het Ve boek, cap. 3, stelt hij drie soorten van beweging, naar de drie categoriën der hoegrootheid, der hoedanigheid en van de plaats; namelijk vermeerdering en vermindering, verandering, en plaatsverwisseling. Van die laatste erkende hij drie soorten, de cirkelbeweging, de beweging in eene regte lijn, en de gemengde. Van de soorten van beweging hield hij de plaatsverwisseling voor de eerste, en van de soorten van plaatsverwisseling de cirkelbeweging. Verder beredeneert hij, dat alle beweging eene bewegende oorzaak vordert, en dat de eerste bewegende oorzaak zelve onbewogen zijn moet. Daar nu het heelal voortdurende beweging vertoont, zoo moet er eene onbewogene oorzaak van de beweging des heelals zijn, waarmede het bestaan der Godheid als oorzaak van de beweging des heelals bewezen is. ↑
324 Hier staat in de handschriften περιφοράν, cirkelbeweging, maar Heindorf heeft te regt opgemerkt, dat, daar de cirkelbeweging slechts een onderdeel is van de tweede soort, die hier bedoeld wordt, voor περιφοράν liever φοράν moet gelezen worden. ↑
325 Wij zien hier de moeijelijkheid, waarin men komt, door bijzondere stellingen algemeen te maken, of hetgeen alleen onder zekere bepalingen geldt, onbepaald te willen staande houden. Dat alles in beweging is, geldt alleen van de verschijnselen, maar door het als volstrekt algemeene waarheid te verkondigen, werden zij genoodzaakt alle bestaan, alle waarheid, alle waarneming te ontkennen, zooals in het vervolg door Plato wordt aangetoond. ↑
326 πᾶσαν κίνησιν. Woordelijk: volgens alle beweging, maar alle beweging omvat noodzakelijk de beide soorten van beweging, waarom ik gemeend heb, het aldus te mogen overzetten. ↑
328 Algemeene begrippen vast te houden, schijnt voor Plato’s tijdgenooten verbazend moeijelijk geweest te zijn, daar hij hier Socrates zelfs aan eenen meetkundige laat zeggen, dat hij dit waarschijnlijk niet begrijpen zal. Het is echter mogelijk, dat het woord ποιότης toen ter tijde nog ongewoon was. Zie overigens blz. 22. (2). ↑
330 τὰ αἰσθητὰ. Hier wordt natuurlijk niet van het ontstaan der gevoelde dingen, maar van het ontstaan der gevoelde dingen gesproken. De dingen bestonden vroeger evenzeer, maar niet als gevoelde dingen. ↑
331 ἀλλ’ ἐξ—αἰσθανόμενα. τὰς αἰσθήσεις καὶ τὰ αἰσθητὰ is het object van ἀποτίκτοντα. Het lidwoord voor ἀποτίκτοντα zal weggelaten zijn, om eene te groote opeenstapeling van lidwoorden te voorkomen, daar dadelijk nog τὰ μὲν—τὰ δὲ volgt. ↑
332 Deze bevestigende vraag past zeer goed in den mond van Theodorus, die daarin zijn eigen gevoelen had wedergevonden, en dus die uiteenzetting met veel belangstelling gevolgd was. ↑
333 οὗ ἕνεκα. Eigenlijk waarom, doch daar het doel des gespreks meestal, en hier althans zeker, in het ophelderen van het onderwerp des gespreks moet gezocht worden, heb ik gemeend, waarover te mogen vertalen. ↑
334 Zoo het alleen van plaats verwisselde, maar niet veranderde, dan zouden er bepaalde dingen zijn, die in beweging waren, en het zou dus mogelijk zijn, datgene, wat in beweging was, met eenen vasten naam te bestempelen. ↑
335 Dit is geheel consequent, want zoo alles niet alleen steeds in beweging was, maar tevens aanhoudend veranderde, zoodat er letterlijk niets blijvends gevonden werd, dan zou iedere naam één enkel oogenblik gelden, daar in het volgende tijdstip een andere naam zou vereischt worden. ↑
336 Woordelijk: dat zij ooit in het zien of hooren blijft. De zin is dus, gelijk uit het vervolg blijkt, dat, zoo alles steeds verandert, ook de aandoeningen des gevoels geen oogenblik dezelfde blijven en alzoo de bestendigheid missen, die bij de kennis gevorderd wordt. ↑
337 Dit is maar half goed, want al is alle kennis gevoel, dan is daarom alle gevoel nog geen kennis. Het volgde echter uit de leer van Protagoras, die kennis en gevoel als genoegzaam hetzelfde beschouwde, weshalve ook [132]in dien geest gevoel, niet als het geslacht, waaronder ook kennis behoort, maar als identisch met kennis beschouwd is. ↑
339 αὐτοὺς. Ik heb hier vroeger ἄττα willen lezen, hetgeen dezen zin zou geven: om niets door onze woorden te doen stil staan. Men kan echter αὐτοὺς behouden, en het op de voorstanders van de leer der beweging laten zien, of αὑτοὺς lezen, wanneer het beteekenen zou: om ons zelven niet tot stilstand te nopen. Over αὑτοὺς bij den eersten persoon, zie Buttmann, Gr. Gr. § 127. Anm. 5. ↑
340 Ik heb δέ hier door want vertaald, zonder daarom te beweren, dat δὲ ooit want kan beteekenen. De woorden: δεῖ δὲ—λέγειν geven de tegenstelling tegen het naastvoorgaande, dat afgekeurd wordt. Daarom geven zij de reden dier afkeuring, hetgeen in de Hollandsche uitdrukking [133]wordt te kennen gegeven, terwijl de Grieksche zich met het aanduiden der tegenstelling vergenoegt. ↑
342 Zie hoofdst. XXVII op het einde. Hoewel Socrates zelf hier weigert de Eleaten te bestrijden, heeft Plato het daar aangeduide in den sophist, die zich onmiddellijk aan den Theaetetus aansluit, volvoerd. Hij heeft daar echter aan de Eleaten de beleefdheid bewezen, dat hij hun standpunt niet door Socrates, maar door eenen Eleatischen vreemdeling laat weêrleggen; denkelijk, om aan te duiden, [134]dat hunne leer slechts eene meerdere ontwikkeling behoefde, daar zij naar zijn oordeel op den regten weg waren. ↑
343 Ἱππέας εἰς πεδίον προκαλεῖ. Het is bekend, dat ruiterij in de bergen weinig, maar in de vlakte veel kan uitrigten, en dat daarom een leger, welks voornaamste kracht in de ruiterij bestaat, zijne stellingen in de vlakte neemt. Dus wordt ruiters in de vlakte te roepen, gezegd voor iemand tot iets uit te noodigen, dat hij gaarne doet. ↑
344 Hier wordt de Parmenides reeds voorbereid, waarin dit gesprek wordt beschreven, of liever, waarin een dialectisch onderzoek voorkomt, dat ingekleed is in den vorm van een gesprek tusschen Socrates en Parmenides. Plato heeft in dat werk zijnen eerbied voor Parmenides doen blijken, door Socrates zelven, hoewel als een knaap, door Parmenides te laten weêrleggen. ↑
345 Dat wij, ook al waren al de uitdrukkingen ons duidelijk, toch den zamenhang der redekaveling niet zouden kunnen begrijpen. ↑
346 ἄσκεπτον γένηται ὑπὸ τῶν ἐπεισκωμαζόντων λόγων. Het voorzetsel ὑπὸ wordt achter ἄσκεπτον γένηται geplaatst, daar de zin dezer woorden is, dat de indringende redekavelingen de oorzaak zouden zijn, waardoor dat onderwerp niet zou behandeld worden; zoodat de zin der uitdrukking dezelfde is, als ware dit laatste door een passivum uitgedrukt. Overigens wordt ἐπεισκωμάζω eigenlijk gezegd van eenen troep beschonken jongelieden, die, van een feest komende, gezamenlijk ergens indringen. ↑
347 πειρᾶσθαι hangt nog af van δεῖ δὲ. Bij οὐδέτερα kan men gevoegelijk ποιεῖν verstaan, tenzij men δεῖ als gedeeltelijk persoonlijk wil opvatten, en οὐδέτερα als deszelfs subject beschouwen. ↑
348 ἔστι δὲ ὅτε beteekent hetzelfde als ons somtijds. De uitdrukking heeft de kracht van een bijwoord gekregen, maar oorspronkelijk schijnt zij te beteekenen: maar er zijn gevallen, wanneer. ↑
349 ἐπιλαβέσθαι beteekent eigenlijk aanpakken, hetgeen ook wij in het dagelijksch leven wel bezigen van het bestrijden eener meening. ↑
350 ᾧ—δι’ οὗ. Wanneer, zoo als hier, ᾧ en δι’ οὗ van elkander onderscheiden worden, beteekent ᾧ datgene, wat [137]naauwer verbonden is met den handelenden, terwijl δι’ οὗ een van hem onderscheiden werktuig beteekent. Zoo gesproken werd van eenen sterrekundige, die met zijne oogen door eenen kijker de sterren beschouwt, dan zou ᾧ van de oogen, δι’ οὗ van den kijker gezegd worden. Hier komt ongeveer hetzelfde onderscheid voor, dat Socrates in den Phaedo maakt tusschen de beginselen, waaruit hij handelde, en zijne ledematen, die hij tot die handelingen noodig had. Zie mijne vertaling bl. 117 en volgg. ↑
351 Dit is eene zinspeling op het Trojaansche paard, waarin de Grieksche helden zaten, die Troje hebben ingenomen. Dezelfde vergelijking bezigt Cicero in eenen anderen zin, wanneer hij zegt, dat, gelijk uit het Trojaansche paard niets dan helden kwamen, de school van Isocrates slechts groote redenaars opleverde. Zie Cic., de Orat. II. c. 22. ↑
353 τινι ἡμῶν αὐτῶν τῷ αὐτῷ. τινι en τῷ αὐτῷ hoort bij elkander, en drukt te zamen uit, dat niet zoo zeer de zaak zelve, waarmede dit geschiedt, als wel hare identiteit bij de verschillende verschijnselen wordt onderzocht. ↑
354 ἴσως δὲ βέλτιον—μᾶλλον. Zoo men niet erkennen wil, dat Plato zich hier aan eene zekere wijdloopigheid schuldig maakt, die trouwens bij hem dikwijls genoeg gevonden wordt, dan moet men aannemen, dat βέλτιον op den geheelen zin ziet, van σὲ λέγειν tot πολυπραγμονεῖν, en dat het andere lid, dat met dezen zin door middel van βέλτιον vergeleken wordt, geheel verzwegen is. Dit andere lid is dan natuurlijk niet anders dan het volslagen tegendeel van den zin, waar βέλτιον vóórstaat. Overigens is de reden, waarom dit beter is, te zoeken in de eigenaardige methode van Socrates, die zijne toehoorders liever zelf liet vinden, dan dat hij hun oordeel door zijne uitspraken zocht te wijzigen. Het is de eigenschap der Socratische μαιευτική, dat de leermeester zich niet op den voorgrond plaatst, maar alleen den leerling aan het denken helpt. Zie blz. 29 volgg. ↑
355 Het zou nog wel mogelijk zijn, het aan beiden gemeenschappelijke in beiden waar te nemen, maar hiermede is dit nog niet als gemeenschappelijk erkend. Daartoe is het noodig, die twee zinnelijke waarnemingen onder een hooger gezigtspunt zamen te vatten, iets, dat buiten het bereik der waarneming van de enkele zinnen valt. ↑
356 Woordelijk: maar de waardoor [werkende] kracht maakt u het aan allen en aan dezen gemeenschappelijke bekend, waaraan gij den naam geeft van het zijn en het niet zijn, en wat wij nu over dezelve vroegen? ↑
357 τὸ ταὐτόν τε καὶ τὸ ἕτερον. Het gebrek van abstracte woorden in de talen is ten allen tijde een kruis voor de wijsgeeren geweest, en heeft ze gedwongen nieuwe woorden te maken, hetgeen aan de literatoren gewoonlijk aanleiding gaf, om hen van barbarismus te beschuldigen. Zulk onverstandig ijveren heeft ons beroofd van het voorregt, in het latijn eene taal der geleerden te bezitten. De scholastici hadden het latijn uit zich zelve ontwikkeld, en geschikt gemaakt tot het uitdrukken der wijsgeerige begrippen. Daar komen de literatoren en roepen: „dat latijn deugt niet, want het werd in den tijd van Augustus zoo niet gesproken!” Dit oordeel verschrikte de mannen van andere vakken, die latijn schreven, en daar zij het latijn der tijdgenooten van Augustus niet konden, en het latijn der scholastici niet mogten gebruiken, werden zij gedwongen de geheele taal te laten loopen, en zich ieder van hunne moedertaal te bedienen, hetgeen nadeelig op hunne sympathie voor de studie der oude letteren gewerkt heeft. Nu roepen zij op hunne beurt: „het latijn is nutteloos geworden! Alle vakken zijn reeds zoo goed in de moderne talen behandeld, dat men het latijn wel missen kan!” en daardoor loopt de geheele studie der oude letteren, althans in de verte, gevaar; daar de mannen van andere vakken zich meer en meer van dezelve, als van eenen nutteloozen last, zoeken te ontslaan. Zoo hebben de literatoren door onverstandigen ijver hunne eigen glazen ingeworpen, daar zij niet wilden inzien, dat de ontwikkeling der taal gelijken tred moet houden met de ontwikkeling der denkbeelden, die in die taal worden uitgedrukt. ↑