358 Hier wordt een bewijs voor het bestaan der ziel gebouwd op de kennis der algemeene begrippen. Deze redenering is kortelijk aldus:
Iedere zin heeft zijn eigen scherp begrensd gebied, en de ééne neemt de voorwerpen van den anderen niet waar.
Wij hebben begrippen, die het gemeenschappelijke in de waarnemingen der verschillende zinnen uitdrukken.
Die begrippen kunnen niet afstammen uit eene der vijf van elkander scherp onderscheidene zinnen.
Zij moeten dus gekend worden door een vermogen, dat van die zinnen onderscheiden is, en ze te zamen omvat. Dit vermogen willen wij ziel noemen. Dit vermogen kan (aldus moeten wij Plato aanvullen) niet ligchamelijk zijn, omdat de voorwerpen, die er door worden waargenomen, wel op alle ligchamelijke dingen worden toegepast, maar zelve wegens hunne algemeenheid geenszins op ligchamelijke wijs kunnen waargenomen worden. ↑
359 Dit klinkt voor onze ooren vreemd, doch het was zulks niet voor de Grieken, die op schoonheid ook bij mannen zoo veel prijs stelden, dat zelfs de wijze Solon de schoonheid uitdrukkelijk onder de bestanddeelen van een volmaakt geluk opnoemde. Zie Herod. I. Cap. 32. ↑
360 Socrates is hier beter over Theaetetus tevreden dan ik, want juist hetgeen hier zoo voetstoots wordt aangenomen, is aan vrij wat bedenking onderhevig, daar de tegenpartij kan zeggen, dat die algemeene begrippen niets anders zijn, dan de bij alle zinnelijke waarneming telkens op nieuw op de hersenmassa gemaakte indrukken, die, juist omdat zij telkens wederkomen, veel vaster dan het bijzondere, dat telkens afwisselt, blijven zitten, en daardoor van zelfs een karakter van algemeenheid bekomen. Plato heeft echter in den Phaedo eene andere opmerking gedaan, die hier van zeer veel belang is. Zij is deze, dat wij begrippen hebben, die niet alleen niet afzonderlijk voorkomen, maar zelfs nergens in zulke volkomenheid bestaan als wij ze denken. Zie mijne vertaling van den Phædo, blz. 53–57 en blz. 175 en 176. Opklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 60 en blz. 65 en 66. ↑
361 Stallbaum heeft zeer juist aangemerkt, dat οὐσία in dit hoofdstuk dan eens wezenheid en dan eens zijn beteekent. ↑
362 Deze zin moet, geloof ik, aldus verbeterd worden: καὶ τούτων μοι δοκεῖ ἐν τοῖς μάλιστα σκοπεῖσθαι τὴν οὐσίαν, ἀναλογιζομένη ἐν ἑαυτῇ τὰ γεγονότα καὶ τὰ παρόντα πρὸς ἄλληλα καὶ πρὸς τὰ μέλλοντα. ↑
363 Theaetetus laat zich door de in hem opkomende denkbeelden medeslepen, om meer te zeggen, dan hier eigenlijk noodig was. Hoewel Plato deze uitweiding misschien alleen om den vurigen geest van Theaetetus te schetsen gemaakt heeft, ligt echter in deze woorden eene diepe waarheid verborgen. Het waarnemen van verband tusschen het verledene en tegenwoordige, met het bewustzijn, dat het verledene verleden is, en het redeneren over het toekomstige laat zich onmogelijk uit stoffelijke werkingen verklaren, en is een duidelijk bewijs voor het bestaan van eenen geest, die zijne verschillende toestanden in de eenheid van zijn bewustzijn omvat. ↑
364 De stelling, dat de zinnen de wezenheid der dingen niet vatten, is op zich zelve waar, daar de zinnen alleen den indruk, dien zij krijgen, aan de ziel bekend maken, maar over de oorzaak van dien indruk niets te kennen geven; doch het bewijs, door Plato geleverd, namelijk, dat de zinnen de waarheid niet kunnen vatten, daar de waarheid eener zaak in hare wezenheid gelegen is, en de zinnen het afgetrokkene begrip: wezenheid niet vatten, is niet goed ingerigt; daar hierdoor de vraag nog niet is afgesneden, of niet welligt, al wordt dit afgetrokkene begrip niet zinnelijk waargenomen, toch de wezenheid, dat is de waarheid, van ieder ding in het bijzonder ons door de zinnen wordt bekend gemaakt. Plato had moeten aantoonen, dat de zinnen ons wel de uiterlijke gedaante, maar niet de inwendige wezenheid der dingen bekend maken. ↑
366 Hoezeer het altijd heilzaam is, dwalingen weg te nemen, is dit echter geenszins voldoende, daar zoowel in het theoretische als in het practische de menschelijke geest stellige, niet bloot ontkennende, begrippen noodig heeft. Daarom geeft eene bloot negatieve kritiek altijd onbevredigende uitkomsten. ↑
367 Dit klinkt om het volgende vreemd. Men bedenke echter, dat hier meening als geslacht tegenover het gevoel gesteld wordt, en dat in zoo verre dit antwoord goed is, hoezeer het nog vrij wat ontwikkeling vordert. ↑
368 ἐξαλείψας, eigenlijk: uitgewischt hebbende. Het is eene zinnebeeldige uitdrukking, ontleend aan de wassen schrijftafeltjes, waarop men het geschrevene, zoo het niet deugde, met het platte einde van de schrijfstift uitwischte. Vandaar de bekende les: saepe stilum vertas, (Hor. Sat. I 10. 72.) dat is: vlak dikwijls het geschrevene uit, [om het te verbeteren]. ↑
369 De leer, dat alle meening zich op gevoelsaandoening moet gronden, en dat alle meeningen juist daarom even waar zijn, is reeds in het vorige behandeld. Daarbij is uitgemaakt, dat niet alle meening even waar is, en dat er wel degelijk valsche meening bestaat. In plaats echter van die zaak als afgedaan te beschouwen, wordt de vraag naar de valsche meening in het volgende nog eens behandeld, ten einde, zoo mogelijk, het eigenlijke onderscheid tusschen de ware en de valsche meening op te sporen. Het is hetzelfde onderwerp, dat later onder den naam van het kenmerk der waarheid de Stoïcijnen en Academici tegen elkander in het harnas joeg. ↑
370 Plato heeft hier de constructie verlaten, waarmede hij begonnen was. Het werkwoord Θράττει doet verwachten, dat achter γεγονέναι zal komen ὅτι οὐκ ἔχω εἰπεῖν, maar Plato heeft in plaats van ὅτι met den indicativus de constructie met het deelwoord verkozen. Zie Buttm., Gr. Gr. § 144. Verder heb ik ἐν ἀπορίᾳ πρὸς ἐμαυτὸν καὶ πρὸς ἄλλον vertaald door: in onzekerheid wat ik denken en spreken moet, omdat wij voor ons zelven denken en tot anderen spreken. ↑
371 Deze echt wijsgeerige spreuk wordt theoretisch door ieder toegestemd, maar practisch door bijna niemand toegepast, daar het in onze eeuw vooral op het maken van effect aankomt. ↑
372 Dat is in onze wijs van spreken: daar waarheid en leugen niet alleen subjectief, maar wel degelijk objectief zijn. ↑
373 Hier volgen eenige zoogenaamde ἀπορίαι (zwarigheden), die dienen moeten om eene meer naauwkeurige ontwikkeling van de hier voorkomende begrippen te weeg te brengen. Aristoteles zegt in het eerste hoofdstuk van het tweede boek zijner Metaphysica daarover het volgende: „Het is voor hen, die van zwarigheden willen vrij zijn, heilzaam, eerst goed door de zwarigheden heen te worstelen. Die latere gemakkelijkheid toch is een gevolg van de oplossing der vorige zwarigheden. Nu kan men niet oplossen zonder den knoop te weten; maar het zoeken van zwarigheden toont, waar dezelve [149]zit.” Verder merkt hij aan, dat het zoeken der zwarigheden ook goed is, om zich helder bewust te worden van het eigenlijke doel des onderzoeks; om te weten of men dat doel bereikt heeft of niet, en om zijn oordeel juist te maken, door als het ware beide partijen te hooren. ↑
374 Zoo kennen en niet kennen te zamen dit geheele gebied omvatten, en alle overgangsstandpunten worden uitgesloten, dan kent men iets of kent het niet, zonder meer; en dan blijven alle verschijnselen, die slechts uit gebrekkige of gedeeltelijke kennis verklaarbaar zijn, een onoplosbaar raadsel. ↑
376 ἁπλοῦν. De eigenlijke beteekenis van ἁπλοῦς is éénvoudig. Waar nu meer gevallen mogelijk zijn, is ieder in zooverre toevallig, maar waar slechts één geval bestaat, daar is dat ook onvermijdelijk en noodzakelijk, hetgeen, op de kennis toegepast, de beteekenis van zonder uitzondering waar doet geboren worden. ↑
377 ὃ λέγεται. Ik verklaar mij voor de gissing: ὃ λέγετε, omdat hier niet van een algemeen bekend gezegde, maar bepaaldelijk van het pas gesprokene wordt melding gemaakt, en die verdichte tegenspreker hier wordt voorgesteld als het woord tot Socrates en Theaetetus rigtend. ↑
378 Dat is: dat iets te gelijk is en niet is. Hier wordt zijn en niet zijn even volstrekt genomen en uitdrukkelijk aan elkander tegengesteld, als boven: kennen en niet kennen. ↑
379 Het hier voorkomende is waarschijnlijk een schimpscheut op de Heracliteërs, die beweerden, dat er niets is dan de eeuwige beweging, of op Gorgias, die een boek geschreven heeft, ten titel voerende: Over de natuur of het niet zijnde. ↑
380 Deze redenering is in zooverre sophistisch, als hier het subjectief en objectief niet zijnde verwisseld wordt. Al meen ik iets, dat niet bestaat, dan heeft mijne meening daarom toch wel een voorwerp, hoewel dat voorwerp alleen in mijne meening, maar niet buiten dezelve gevonden wordt. Later echter heeft Plato dit verbeterd, waaruit ik meen te mogen besluiten, dat deze redenering door hem niet als absoluut waar, maar slechts als op dit standpunt onvermijdelijk beschouwd werd. ↑
381 Woordelijk: Noemen wij het alzoo ontstaande ook aldus? In de vragende zinnen wijkt de Grieksche constructie van de onze af, daar het bij de Grieken niet noodig is, het woord, waar het in de vraag op aankomt, tot het grammaticale hoofdwoord van den zin te maken. Zie Matthiae, Ausf. Gr. Gr. § 612. ↑
382 Woordelijk: Zeggen wij ook, dat valsche meening bestaat, zijnde eene verwisseling van begrippen. Ἀλλοδοξία is eigenlijk het meenen van wat anders [dan het ware], doch, daar de begrippen de voorwerpen der meening zijn, zoo heb ik het door verwisseling van begrippen overgezet. ↑
383 Woordelijk: wanneer iemand, in plaats van leelijk, schoon, of in plaats van schoon, leelijk meent. ↑
384 Het hier voorkomende heeft geheel de kleur eener bespotting van sommige sophisten, die, gelijk in den Euthydemus door Plato naar het leven wordt geschilderd, met dergelijke sophisterijen hunne hoorders in de war bragten. Theaetetus toch had niets misdreven, want hij meende niet, dat die valsche meening waar was, maar dat het waar was, dat die meening valsch kon genoemd worden. ↑
385 Ἔστιν kan op twee wijzen verklaard worden: óf door het met ἔξεστιν gelijk te stellen, óf door het op te vatten als de copula, tusschen het hier in de gedachte herhaalde ψευδῆ δοξάζειν, en het begrip, dat uitgedrukt wordt door de woorden ἕτερόν τι—τίθεσθαι. Hoewel ik de eerste verklaring gevolgd ben, kan ik niet ontveinzen, dat ook de andere zich zeer goed laat verdedigen. ↑
386 ἕτερόν τι ziet op het volgende ἕτερον, daar twee van elkander verschillende dingen het één steeds een ander dan het andere is. ↑
387 Dat is: En hij denkt immers die twee aan elkander tegenovergestelden óf te gelijk óf achtereenvolgens. ↑
388 Woordelijk: noemt gij het denken, wat ik het noem; dat is: geeft gij dezelfde bepaling van het denken als ik? ↑
389 Woordelijk: als het niet wetende. Socrates houdt zich hier, zoo als altijd, onwetend, en wel verre van te zeggen: zoo is het, stelt hij zijn gevoelen als eene bloote gissing voor. Overigens is het hier voorkomende slechts eene voorloopige bepaling, die de wezenheid der zaak niet uitdrukt. ↑
391 Ik heb hier de woorden: de slotsom van ingevoegd, want als denken een inwendig gesprek is, dan is de meening, [156]die door dat gesprek tot stand komt, niet het gesprek zelf, maar deszelfs slotsom. Hetzelfde wordt trouwens door het Grieksche εἰρημένον aangeduid, want het perfectum drukt immers eenen tegenwoordigen toestand uit, die het gevolg is eener verledene handeling. ↑
392 τὸ πάντων κεφάλαιον beteekent hier niet het voornaamste van allen, maar het allen omvattende begrip, de algemeene uitdrukking, die op hen allen toepasselijk is. ↑
393 τολμῆσαι. Dit is een duidelijk voorbeeld van de algemeene beteekenis, die de Grieksche aoristus zoo dikwijls in den infinitivus heeft. Zie Buttm., Gr. Gr. § 137. 5. ↑
394 Hier heeft eene verwisseling van subject en praedicaat plaats, zooals bij Plato meer voorkomt; hoewel zij eigenlijk alleen dan geoorloofd is, wanneer subject en praedicaat van gelijken omvang zijn en elkander volkomen dekken. Al is het oordeel: alle vogels zijn dieren, volkomen waar, dan kan het nog niet worden omgekeerd: alle dieren zijn vogels, maar bij eene bepaling mag zulks wel, daar eene goede bepaling de bepaalde zaak juist uitdrukt en alleen op haar toepasselijk is. ↑
395 ἐατέον δὲ καὶ σοὶ τὸ ῥῆμα περὶ τοῦ ἑτέρου. Deze woorden hebben veel onderzoek in de wereld gebragt. Ik geloof, dat zij niet goed verstaan zijn ten gevolge van eene onnaauwkeurigheid in Plato’s uitdrukking, daar hij τὸ ἕτερον, dat in deze redekaveling een kunstterm is, hier in de gewone beteekenis gebruikt heeft, om er het ééne geval mede aan te duiden, namelijk, dat de beide met elkaar verwisselde denkbeelden te gelijk voor den geest tegenwoordig zijn. τὸ ῥῆμα beteekent dan hier de uitdrukking ψευδῆ δοξάζειν. Het komt mij verder noodig voor, δὲ in δὴ te veranderen, daar hier geene tegenstelling tegen, maar veeleer eene gevolgtrekking uit het vorige voorkomt, tenzij deze plaats onder de plaatsen gerekend worde, waar δὲ in de beteekenis van δὴ gebruikt wordt. ↑
398 De constructie is: αἰσχυνοίμην γὰρ ἂν ὑπὲρ ἡμῶν ἀναγκαζομένων ὁμολογεῖν οἷα λέγω [περὶ τουτοῦ] ἐν ᾧ ἀποροῦμεν. ↑
399 Socrates had aangetoond, tot welke dwaasheden Protagoras kwam, door alle meeningen voor waar te erkennen. Nu merkt hij echter op, dat hij voor hetzelfde bloot stond, zoo hij geen kans zag de mogelijkheid van het ontstaan der valsche meening aan te wijzen. ↑
401 μὴ. Hier benijd ik het Grieksch, dat, door μὴ of οὐ [160]te zetten, kan aanduiden of de ontkenning bij deed of bij kennen hoort. Ook het Latijnsche ignorare zou hier zeer te pas komen. ↑
402 μεταστρέφοντα hoort niet bij λόγον, maar bij τινὰ, dat hier in de gedachte moet ingevoegd worden. Wij zouden hier μεταστρέφοντας verwachten, en ik ben in de verzoeking geweest, om dit alhier te willen lezen; maar het is niet noodig, daar μεταστρέφοντα zeer wel op het onbepaalde subject van den infinitivus βασανίζειν kan te huis gebragt worden. Zie Matth., Ausf. Gr. Gr. § 556. Anm. 3. ↑
403 Men heeft veel geredetwist over de vraag, of hier Plato’s gevoelen, of eene persifflage van eens anders meening gevonden wordt. Ik geloof, dat alles wordt uitgemaakt door de woorden: stel dan nu eens, om der wille van de redekaveling. Wij hebben hier slechts eene zinnebeeldige voorstelling van de waarheid, dat het geheugen niet alles volkomen bewaart, dat de helderheid der herinnering van de helderheid der waarneming en de sterkte des geheugens afhangt, dat het geheugen niet bij allen even sterk is. ↑
404 ἔστι δ’ οἷς staat volkomen gelijk met ἐνίοις, daar het oorspronkelijk beteekent: daar is er, aan wie. Zie Buttm. Gr. Gr. § 150. ↑
405 ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲν αὐτά, σκοπῶν δέ τι ὧν ὁρᾷ ἢ ἀκούει κ. τ. λ. Deze zin is eenigzins ingewikkeld, maar kan het best worden opgehelderd door haar op deze wijs om te zetten: ὁ τοίνυν ἐπιστάμενος μὲν ἃ ὁρᾷ ἢ ἀκούει σκοπῶν δέ τι αὐτῶν κ. τ. λ. Niet, dat ik aldus wil lezen; integendeel houd ik de hier voorkomende uitdrukking voor echt Platonisch. ↑
406 καὶ ἔτι—ἀδυνατώτερον—εἰ οἷον τε. Woordelijk: en nog onmogelijker, zoo het mogelijk is; dat is: en zoo er een nog grooter trap van onmogelijkheid bestaan kan. Daar echter deze op de onmogelijkheid toegepaste mogelijkheid mij hinderde, heb ik er het Hollandsche schier voor in de plaats gezet, dat in dit verband ongeveer op hetzelfde neêrkomt, zonder dat ik in het minst wil beweren, dat εἰ οἷον τε hetzelfde beteekent als ons schier. Niets is nadeeliger voor gezonde uitlegkunde dan de dwaling, dat, wanneer de eene spreekwijs de andere weêrgeeft, zij ook lid voor lid overeenkomen. Daardoor is het misbruik ontstaan, dat in sommige woordenboeken één woord vaak wel twintig of meer beteekenissen heeft, hetgeen toch eigenlijk ondenkbaar is. ↑
409 ἢ ὧν οἶδε—καὶ αἰσθάνεται. Deze zin is niet duidelijk. Het beste schijnt het, haar door invoeging aldus te verklaren: ἢ [ἔν τισὶ] ὧν οἶδε καὶ αἰσθάνεται [οἰηθῆναι αὐτὰ ἕτερ’ ἄττα εἶναι] ὧν οἶδεν αὖ καὶ αἰσθάνεται. Overigens merke men op, dat hier is weggelaten: en overeenkomstig met de waarneming in de ziel heeft afgedrukt, daar volgens [164]deze redekaveling de mogelijkheid der valsche meening te zoeken is in het gebied der gebrekkige overeenkomst tusschen waarneming en herinnering. ↑
410 ὄψις heeft hier eene objectieve beteekenis, daar het niet zoo zeer het zien, als wel datgene, wat gezien wordt, aanduidt. Zoo beteekent ἀκοὴ in het N. T. prediking, daar het eigenlijk gehoor, en vandaar wat gehoord wordt, te kennen geeft. ↑
411 προσαρμόσαι hangt af van προθυμηθῶ, waarbij opmerking verdient, dat het eigenlijke object, van προσαρμόσαι niet daar, maar bij het deelwoord ἀποδοὺς gezet is, dat met het subject van προθυμηθῶ overeenkomt. Wij zouden bij προσαρμόσαι althans een voornaamwoord plaatsen, om het object aan te duiden, hoewel dit volstrekt niet noodig is, daar het object nu toch afhangt van een woord, dat verbonden [166]is met het subject van het werkwoord, waardoor de infinitivus van προσαρμόσαι geregeerd wordt. Zie Buttmann, Gr. Gr. § 130. 5. Anm. 1. ↑