412 δεξιὰ εἰς ἀριστερὰ μεταῤῥεούσης. Buttmann wil hier lezen δ. ε. ἀρ. μεταφερούσης; Stallbaum verkiest δεξιᾶς εἰς ἀριστερὰν μεταῤῥεούσης. Beide gissingen verbeteren den zin, maar die van Stallbaum heeft voor zich, dat in het vorige melding gemaakt is van τὰ τῆς ὄψεως πάθη, hetgeen die gissing aannemelijker maakt, waarbij de ὄψις meer als passief dan als actief wordt voorgesteld. ↑
413 Valschheid beteekent hier niets anders dan onwaarheid. Hoewel het woord dubbelzinnig is, en ook bedekte kwaadwilligheid kan beteekenen, heb ik het behouden, om eene abstracte uitdrukking te hebben, die met valsche meening overeenkomt. ↑
414 ὑγιὲς wordt vaak van redekavelingen gebruikt, ongeveer in den zin, waarin wij van gezonde redenering, gezond verstand, enz., spreken. ↑
416 ὅταν—τε γίγνεται. Zoo deze zin niet bedorven is, dan moet hij aldus verklaard worden. De protasis loopt van ὅταν tot ὠργασμένος ᾖ. Nu begint de apodosis bij τὰ ἰόντα, maar door de lengte van dien zin, ten gevolge van de aanhaling uit Homerus, wordt de aandacht van den zamenhang afgetrokken, weshalve Plato de apodosis nog eens begint, en nu met de partikel τότε inleidt. Verder ziet τούτοις en het lager voorkomende οἱ τοιοῦτοι op του in de protasis, waarbij het onderscheid in getal niet hindert, omdat hier niet zoozeer van één individu, als wel van allen, die in dat geval zijn, gesproken wordt. ↑
417 Deze aanhaling uit Homerus schijnt niet vrij van valsch vernuft, zoo zij ten minste ernstig gemeend is, en niet dienen moet, om den eenen of anderen bespottelijk te maken. Ik ben echter voor het laatste, daar Plato geenszins zulk eenen onbepaalden eerbied voor Homerus had, zoo als onder anderen blijkt uit de Republiek, III h. IX, waar hij hem met de andere dichters uit zijnen volmaakten staat wil geweerd hebben, hetgeen wel degelijk op Homerus ziet, zoo als blijken kan uit de vergelijking met hoofdst. VI. Zie ook de andere plaatsen uit de Republiek, waar Homerus door Plato berispt wordt, aangehaald door Stallbaum in den index achter zijne uitgaaf van dat werk. ↑
418 Deze uitval tegen Homerus is waarschijnlijk wederom persifflage, anders is zij bijster vreemd, daar het toch Homerus niet kan ten kwade geduid worden, dat hij aan het hart een epitheton gegeven heeft, dat zich met Plato’s zinnebeeldige voorstelling niet laat rijmen. ↑
| ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ σκληρά | } |
| ἀσαφῆ δὲ καὶ οἱ τὰ ὑγρά |
421 καλλωπιζόμενος is eigenlijk zijn gelaat schoon te maken of voor schoon houden; vandaar zich verheffen, zich opblazen. ↑
422 Dit geheele door Socrates gesprokene stuk is zoo deerlijk verward van constructie, dat het schier onmogelijk is, dien chaos te ontwarren. Vooreerst staat προθέμενον σκοπεῖν in den tusschenzin, die zich uitstrekt van λέγω tot δοξάσαι, terwijl het in den hoofdzin te huis behoort. Verder begint na den tusschenzin eene andere constructie dan vóór denzelven, hetgeen trouwens veel voorkomt, en door sommige geleerden zelfs als sieraad in den stijl wordt aangemerkt. Daarenboven begint de zin onmiddellijk achter den tusschenzin met εἴ, hetgeen zou doen vermoeden, dat wij hier eene protasis hebben, wier apodosis nog volgen zal. Die apodosis blijft echter weg, en in plaats daarvan gaat de constructie op eene vraag over. Dit prijze wie wil en noeme het los, het komt mij voor, dat het eene al te gezochte en daardoor stijve losheid is. ↑
423 ἀνήκει wordt hier, gelijk bekend is, in de beteekenis van het perfectum gebruikt. Verder staat het óf onpersoonlijk, óf men moet als subject ὁ λόγος in de gedachte aanvullen. ↑
424 Hiermede wordt het vorige niet voor valsch, maar slechts voor onvolledig verklaard. Om den Theaetetus goed te begrijpen, moet men vooral letten op de geregelde ontwikkeling der redekaveling, die zich hier, op eene inderdaad voorbeeldige wijze, met trappen van het bloot zinnelijk standpunt, tot aan (niet tot op) de kennis der ideën voortbeweegt. De uiteenzetting hiervan zal eerst aan het einde des werks geleverd worden, opdat de lezer behoorlijk voorbereid zij, om zelf te oordeelen, en over de juistheid of onjuistheid van onze opvatting vonnis te vellen. ↑
425 Woordelijk: in de gedachten zelve, dat is in de gedachten, zoo als zij op zich zelve zijn, zonder dat zij in verband tot de zinnelijke waarneming gebragt worden. ↑
426 Ἐθελήσαντες. Buttmann heeft teregt aangetoond, dat ἐθέλω het denkbeeld van voornemen, trachten insluit, dus, meer dan het bloote wenschen (βούλομαι) te kennen geeft. ↑
427 Ἔπειτα wordt vaak bij eene gevolgtrekking gebezigd, waarbij waarschijnlijk de redenering ten grondslag ligt: post hoc, ergo propter hoc. ↑
428 Hierin ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat men eenige kennis moet hebben, om in kennis te kunnen toenemen. Om naar iets te kunnen zoeken, moet althans eenig besef daarvan bij ons aanwezig zijn. Zie Opklimmend deel der wijsbegeerte, blz. 104. ↑
429 εἰ μέντοι ἦν ἀντιλογικός. Dit is eene protasis zonder apodosis. De apodosis heb ik er voor de duidelijkheid bijgevoegd. Men kan dezelve aanvullen uit hetgeen volgt achter de woorden οἷος ἀνὴρ—παρῆν, of door het tegengestelde aan te nemen van οὐδένα—εἰμί, zoo als naar den zin in de vertaling geschied is. ↑
430 Hier wordt waarschijnlijk op eene toen ter tijde verdedigde wijsgeerige meening gedoeld. Welke die echter is, waag ik niet te beslissen. Overigens ziet ieder ligt, [176]dat zulk eene bepaling, ook zonder eigenlijk te weten, wat kennis is, gemakkelijk kan gegeven worden. Misschien is de verontschuldiging van Socrates, voordat hij deze bepaling geeft, eigenlijk eene bespotting van hen, die door zulk eene bepaling heel wat meenden gewonnen te hebben. Men kan echter ook alles uit den gang der redekaveling verklaren. ↑
431 Men denke hier aan de eigenaardige kracht van het woord ἔχειν, dat zoowel hebben als vasthouden beteekenen kan. Daar dit bezwaarlijk met één woord in het Hollandsch is uit te drukken, moeten wij onze lezers verzoeken, bij het woord hebben tevens het begrip van vasthouden mede te denken. ↑
432 De constructie is Ὅρα δὴ καὶ εἰ δυνατόν ἐστι οὕτω κεκτημένον ἐπιστήμην μὴ ἔχειν. Hetgeen hier volgt, is even [177]als het stuk was, slechts een zinnebeeld, en wordt hier gebezigd om aan te duiden, dat dikwijls begrippen potentia in den geest bestaan, zonder actu voor het bewustzijn te komen, zoodat de geest soms slechts ten halve heer zijner eigene bezittingen is. ↑
433 πάλιν heb ik door integendeel vertaald, niet omdat het ooit die beteekenis heeft, maar omdat, bij het wederom maken van zulk eene figuur in de ziel, eene andere, aan de vorige tegengestelde figuur is voor den dag gekomen. ↑
434 τέχνη beteekent meer dan hetgeen wij gewoonlijk door kunst verstaan, daar er niet alleen het denkbeeld van geschiktheid in het uitvoeren, maar ook wel degelijk theoretische kennis door wordt uitgedrukt, welk laatste bij ons door het woord wetenschap wordt te kennen gegeven. Overigens beschouw ik ἀριθμητικὴν en τέχνην als dubbelen accusativus bij λέγεις. Wij zouden het kunnen vertalen: Gij geeft immers aan eene zekere kunst den naam van rekenkunst. Dit zou echter, hoewel woordelijker, den zin niet zoo goed uitdrukken als mijne meer vrije vertaling, daar hier niet van het al of niet geven der benaming, maar van het al of niet gepaste van het gekozen voorbeeld gesproken wordt. ↑
435 ταύτῃ—ὁ παραδιδούς. Uit ὁ παραδιδούς achter παραδίδωσιν blijkt, dat men achter ὑποχειρίους ἔχει in de gedachte ὁ ἔχων moet aanvullen, zooals in de vertaling geschied is. ↑
436 καλοῦμεν is hier minder juist, daar dit werkwoord óf παραδιδόντα μὲν διδάσκοντα, en παραλαμβάνοντα δὲ μανθάνοντα, en ἔχοντα δὲ—ἐπιστάμενον; óf παραδιδόναι μὲν διδάσκειν, en παραλαμβάνειν δὲ μανθάνειν, en ἔχειν δὲ κεκτῆσθαι zou doen verwachten. ↑
437 Ἦ οὖν—ἀριθμόν. Deze zin is bedorven. Het beste komt mij nog de lezing van Stallbaum voor, die aldus leest: ἢ αὐτὸ πρὸς αὑτὸν ἢ ἄλλο τι τῶν ἔξω.—Hier worden dan de getallen zelve, waarvan hij de begrippen in zijne ziel heeft, onderscheiden van de empirisch gegevene getallen, die in de uitwendige dingen worden aangetroffen. ↑
438 ἀκούεις γάρ—ἀμφισβητήσεις. Dit kan opgevat worden als eene aanduiding, dat het hier gezegde aan eene toen bekende wijsgeerige school ontleend is. Men kan het echter ook in het algemeen van dergelijke soort van vraagstukken opvatten, gelijk ik in de vertaling gedaan heb, daar het mij voorkomt, dat, hoe vaak Plato ook op anderen zinspeelt, echter niet die zinspelingen, maar de geregelde ontwikkeling der redekaveling het punt is, dat hier vooral opmerking verdient, en er ook in den tekst niet ταύτας, maar τοιαύτας gelezen wordt. ↑
440 ἤ τι ἀναγνωσόμενος ὁ γραμματικός. Dit tweede voorbeeld is minder juist. Voor ik het echter bespreek, moet ik doen opmerken, dat γραμματικός niet een grammaticus, een’ taalkenner, maar een’ schoolmeester, die lezen en schrijven onderwijst, beteekent. Zoo nu zoodanig iemand iets gaat lezen, dan is hij niet in het geval, dat hij hetgeen hij weet, bij zich zelven door nadenken moet voor den dag halen, daar hier niet de inwendige ontwikkeling der denkbeelden, zooals bij den rekenkundige, maar het toepassen van hetgeen men weet, op de werkelijkheid, in aanmerking komt. Daarom is dit voorbeeld niet volkomen juist, en heb ik de vrijheid genomen het eenigzins te veranderen. ↑
442 μὴ γὰρ ἔχειν τὴν ἐπιστήμην τούτου οἷόν τε. De constructie is: οἷόν τε γὰρ ἔχειν μὴ τὴν ἐπιστήμην τούτου. ↑
443 ὅταν—διαπετομένων. Ik geloof, dat deze plaats bezwaarlijk te redden is, tenzij men leze: ὅταν θηρεύων τὴν αὐτοῦ (of ἀπ’ αὐτοῦ, zoo men wil) ἐπιστήμην διαπετομένην. ↑
445 εἴπερ—ποιήσει. Dit laatste staat eenigzins pleonastisch, daar hetzelfde begrip reeds door ἐκ γὰρ τούτου τοῦ λόγου is uitgedrukt. ↑
446 Door deze en dergelijke tusschenvoegingen, moeten, gelijk reeds boven gezegd is, de partikels γὰρ, ἀλλὰ enz., die bij Plato zoo vaak in het begin van eenen geheel nieuwen zin voorkomen, verklaard worden. ↑
447 ἀνεπιστημοσύνη. Dit woord is waarschijnlijk door Plato gemaakt, hetgeen hem evenmin als Aristoteles euvel geduid wordt, hoewel er bij nieuwere wijsgeeren jammerkreten over worden aangeheven. Misschien echter kan het hen, die zich daaraan ergeren, geruststellen, wanneer zij hooren, dat het maken van nieuwe woorden echt klassiek is, en dat Plato en Aristoteles ons daarin zijn voorgegaan. Krause, zoo ik dien nog mag aanhalen, zegt van den laatsten: „Ueberhaupt hat Aristoteles die Griechische Sprache für die Wissenschaft mit einer Freiheit behandelt und ausgebildet, von welcher bisjetzt für die Deutsche Sprache noch kein Philosoph ein Beispiel gegeben hat, so unerläslich diess für die Darstellung der weiter und tiefer ausgebildeten Wissenschaft gefordert wird.—Diese Eigenthümlichkeit der Sprache mag wohl auch den Lehrsysteme des Aristoteles bei [184]seinen Zeitgenossen den Eingang erschwert haben. Aber er arbeitete für die Wissenschaft selbst und für die Nachwelt.” Grundwahrheiten, XIV. Wissenschaftgeschichte, p. 280. ↑
448 τὸ is hier het aanwijzend voornaamwoord, en staat in het onzijdige, hoewel het op ψευδῆ δόξαν ziet, volgens de eigenaardigheid der Grieksche taal, dat, zoo het bijvoegelijke naamwoord van zijn zelfstandig verwijderd is, het dikwijls in het onzijdige geslacht staat, daar dan hetgeen waar het op ziet, eenvoudig als een ding, als iets beschouwd wordt. Zie Buttm., Gr. Gr. § 129. 6. ↑
449 Hier ligt het ware denkbeeld ten grondslag, dat het ontkennende niet op zich zelf bestaat, maar alleen aan het stellige gevonden wordt. Zie Aristoteles, Anal. post. 1. XXV. 5. ↑
450 Theaetetus is bevreesd geworden, om iets stellig en onbepaald toe te stemmen. Hier ligt het denkbeeld ten grondslag, dat iets op een bepaald standpunt waar kan wezen, zonder daarom eens voor altijd geldig te zijn. Zijn [186]de praemissen eenzijdig, dan is het ook de daaruit getrokkene gevolgtrekking, en wel te meer, naarmate die gevolgtrekking met meer juistheid gemaakt is. ↑
451 ἀπεροῦμεν beteekent eigenlijk: óf wij zullen het afslaan, zeggen, dat wij het niet willen hebben, laten loopen; óf wij zullen uitspreken, onzen voorraad van denkbeelden uitputten en daarom moeten ophouden. Beiden komen hier op hetzelfde neêr. ↑
452 Ὁ τὸν ποταμὸν καθηγούμενος. De accusativus τὸν ποταμὸν moet waarschijnlijk verklaard worden uit de propositie κατὰ in καθηγούμενος. Het is als stond er: ὁ ἡγούμενος κατὰ τὸν ποταμὸν. Overigens is te regt door Stallbaum aangemerkt, dat hier gedoeld wordt op het een of ander volkssprookje. Dergelijke aardigheden worden bloot tot verlevendiging van den stijl door Plato er in gevlochten. ↑
453 ὥστε—ἀλήθειαν. In dezen zin heeft Stallbaum τούτοις in plaats van het gewone τούτους geschreven. Ik geef aan τούτους de voorkeur en verklaar het dan aldus: τούτους ziet op τινες en is het object van διδάξαι; τῶν γενομένων ziet op οἷς—ἀποστερουμένοις—ἢ—βιαζομένοις. De constructie is bij τουτούς veranderd, even als of τουτούς het antecedens van οἷς was. Overigens is het duidelijk, dat door πρὸς ὕδωρ σμικρὸν het wateruurwerk wordt aangeduid, waarmede de tijd werd gemeten, die voor elke pleitrede was toegestaan. ↑
454 Het schijnt, dat bij de processen te Athene, nadat de voorbereidende werkzaamheden verrigt waren, de geheele zaak op éénen dag werd bepleit en beslist; en het is bekend, dat bij dit bepleiten gewoonlijk het gevoel der regters ruim zooveel als hun verstand door de partijen werd bewerkt. Zie Schoemann, Antiquitates Juris Publici Graecorum, V. § LVIII. ↑
455 νῦν—εἶναι. Dit laatste is eene gevolgtrekking uit het vorige, die door behulp van een hypothetisch syllogisme gemaakt is. Zie Nieuwenhuis. Initia Philosophiae logicae § 99. ↑
456 ὅγε νῦν δ’ ἐννοῶ. Ik geloof, dat νῦν moet uitgeworpen worden, daar ὅ eigenlijk ziet op het verzwegene object van ἐννοῶ. Het is echter welligt te redden door den zin aldus aan te vullen: [ik zal u iets zeggen] ὅγε ἐγώ κ. τ. λ. ↑
457 οὑτωσὶ καὶ ὀνομάζων. De woorden ἐπιστητὸς en οὐκ ἐπιστητὸς schijnen in Plato’s tijd nieuw geweest te zijn, en daarom aan eenen ongenoemden te worden toegeschreven, daar Plato ze niet op zijn eigen naam wilde invoeren. ↑
458 εἰ ἐξευρήσω. Hier verraadt Plato zich zelven, en laat zien, dat die voorgewende persoon niemand anders is dan Theaetetus, dat is, dan Plato zelf. Ik heb de vrijheid genomen, in de vertaling de waarschijnlijkheid der fictie wat meer te bewaren. ↑
460 λόγον. Het woord λόγος is een kruis voor hem, die Plato in eene andere taal wil overbrengen, daar het schier onmogelijk is er ééne uitdrukking voor te vinden. [190]Het is omtrent even rekbaar als het latijnsche ratio. De zin, waarin het hier en in het vervolg voorkomt, wordt nog het best door bepaling uitgedrukt. ↑