1 κατ’ ἀγορὰν. De Grieken bragten een groot gedeelte van den dag op de markt door, waar zij elkander ontmoetten en allerlei dingen verhandelden. Zij leefden veel meer buiten dan binnen ’s huis. 

2 Hier wordt waarschijnlijk gedoeld op den slag van Corinthe, die geleverd is in het jaar 394 van onze tijdrekening tusschen de Atheners, Corinthiers en hunne bondgenooten aan den eenen, en de Lacedaemoniers en hunne partij aan den anderen kant. Deze slag had plaats, nadat Agesilaus reeds uit Azie was wedergekeerd, zoodat hij de tijding er van te Amphipolis ontving. 

3 Theaetetus was, zooals wij later zien zullen, reeds in zijne jeugd bekend om zijnen goeden aanleg en vlijt, en had zeer goed onderwijs genoten, zoodat men alles goeds van hem verwachten kon. 

4 δῆτα behoort bij ἀνεμνήσθην en ἐθαύμασα

5 φύσις beteekent soms de natuur in het algemeen, soms de natuur, de wezenheid van eenig ding in het bijzonder. 

6 διελέχθη. Het werkwoord διαλέγομαι behoort onder de Deponentia passiva, dat is zulke, die eenen aor. pass. met active beteekenis hebben. Overigens is καὶ voor μάλα ἀξίους te verklaren uit het voorgaande οὓς διελέχθη αὐτῷ, daar die woorden te zamen dezelfde kracht als een adjectivum of participium hebben, zoodat dan μάλα ἀξίους als het tweede adjectivum bij λόγους kan beschouwd worden. 

7 ἐλλόγιμος is hij, die medegerekend en niet achter de bank geschoven of vergeten wordt. 

8 De leerlingen van Socrates namen na den dood huns meesters gretig alle gelegenheden waar, om zijne nagedachtenis hulde te doen. Hetzelfde edele streven openbaart zich bij de onmiddellijke leerlingen van Krause. Zoo besluit onder anderen Lindemann zijne verdediging van Krause’s stelsel (voorkomende in het Zeitschrift für Philosophie und spekulative Theologie, uitgegeven door J. H. Fichte, XV. 1), met deze merkwaardige woorden:

„Had ik nu tegenover zulke nietige tegenwerpingen ongelijk, toen ik in het begin dezer verhandeling de bewering nederschreef, dat de tegenstanders het Krausische stelsel meestal niet bestuderen, maar meer uit nieuwsgierigheid, of omdat het nu niet langer kan overgeslagen worden, doorlezen? Ja, heb ik ongelijk, wanneer ik hier bijvoeg, dat zij het meest met vooroordeel er tegen, of hoogstens daarom in de hand nemen, om het van hun standpunt uit door de spitsroeden te laten loopen; zoo toch schijnen tot nog toe de meeste tegenwerpingen daartegen ontstaan te zijn. Vandaar ook de meest verkeerde oordeelvellingen over dit stelsel, dat niet behoeft te vreezen voor eene echte en redelijke kritiek, en daarvoor gaarne de onvolkomenheden, die er aan kleven, wil afleggen. Zulke geestelijke mishandelingen van eenen [12]grooten doode die zich niet meer kan verdedigen, tegen te gaan, zal ik van nu af als mijnen heiligen pligt beschouwen. De dankbaarheid jegens mijnen geestelijken vader, aan wien ik mijne wedergeboorte, het herleven van mijnen zielevrede en van mijn kinderlijk vertrouwen op God, de voortdurende geestdrift voor al het hoogere, en de verzoening met de rampen des levens te danken heb, roepen mij daartoe op, hoezeer anders mijn geheele gemoed afkeerig is van den strijd. En dit is geenszins de gedwongene gelofte en bekentenis van eenen dweepzieken jongeling, maar van eenen man, die reeds het midden des levens voorbij is, en die van kindsbeen af vele beproevingen had te verduren.” Hierbij heb ik slechts dit te voegen, dat eene echte en redelijke kritiek, zoo als Lindemann voor het stelsel van Krause wenscht, onlangs door Mr. Opzoomer geleverd is, en dat ik in de meeste punten met die kritiek instem, alleen aanmerkende, dat ik de door hem op blz. 75 in Krause’s stelsel gegispte fout, reeds op de aldaar aangehaalde blz. van mijn Opklimmend deel der Wijsbegeerte heb pogen te verbeteren, gelijk uit eene opmerkzame lezing dier bladzijde blijken kan; en dat Krause’s leer van het Opperwezen God, naar mijn inzien, niet eindig maakt, daar God in dat leerstuk niet naar zijne geheele wezenheid beschouwd wordt. God als Opperwezen beteekent, naar mijne opvatting, bij Krause hetzelfde, als God de Vader bij de Hegelianen der regter zijde. 

9 διηγήσασθαι beteekent eigenlijk uitvoerig verhalen, zoodat al de bijzonderheden behoorlijk in het licht gesteld worden. 

10 γέγραπται. Het Grieksche perfectum heeft meestal de beteekenis van eenen tegenwoordigen toestand, die het gevolg is eener volvoerde handeling. 

11 Eene plaats aldus genoemd, digt bij Eleusis

12 ἅμα duidt hier de gelijktijdigheid van het rusten en voorlezen aan. 

13 ἐγραψάμηνδιαλεχθῆναι. Ik geloof, dat achter τὸν λόγον een colon staan moest, zoodat hetgeen dan volgt, de ontwikkeling is van het door οὑτωσὶ aangeduide. 

14 περὶ τοῦ ἀποκρινομένου. ὁ ἀποκρινόμενος is de tweede spreker in een wijsgeerig gesprek, dat door den eersten geleid wordt. Het wordt ook bij disputeren van den defendendus gebezigd. Overigens blijkt hier, hoe lastig de door de gewoonte aangenomene schrijftrant (in dialogen) tusschen beide voor Plato was. Zou het hier voorkomende ook tot hulpmiddel kunnen dienen, om de voor en na den Theaetetus geschrevene dialogen van elkander te onderscheiden? 

15 φιλοσοφία. De ouden waren zeer mild met dit woord. Zoo noemt Strabo de aardrijkskunde philosophie, en Hippocrates de medicijnen. 

16 ἐκείνους ἢ τούσδε. ὅδε wordt hier in denzelfden zin als οὗτος gebezigd, zoodat het, tegenover ἔκεινος geplaatst, de naastbijzijnde, ἔκεινος de verste beteekent. 

17 μειράκιον. Te Athene werd een jongen tot op zijn 14e jaar μειράκιον geheeten. 

18 Het is bekend, dat in Griekenland, vooral te Athene, eene betrekking tusschen mannen en jongelingen bestond, die geheel met onze zeden in strijd is, doch daar als iets zeer gewoons beschouwd werd. Zie Paulus brief aan de Romeinen, Hoofdstuk I. vs. 26 en 27. 

19 πεφυκότα. Hier wordt vooral de natuurlijke geaardheid bedoeld, hetgeen bevestigd wordt door bet woord φύσις, natuur, dat van dit werkwoord is afgeleid. 

20 Men denke hier vooral aan iemand, die tegen geene moeite opziet en niet bang is om te werken; iets, dat nog tegenwoordig tot de zeldzaamheden behoort. 

21 ὀξύῤῥοπος wordt gezegd van alles, wat ligt het evenwigt verliest en naar de eene of andere zijde overhelt. 

22 ἀπταίστως, eigenlijk: zonder zich te stooten. 

23 van het gymnasium. Het geheele gesprek wordt voorgesteld als in een gymnasium plaats hebbende. Men denke hierbij aan de oorspronkelijke beteekenis des woords: die van eene school voor ligchaamsoefeningen. 

24 De Grieken maakten veel gebruik van olie, om hunne leden lenig en buigzaam en daardoor meer geschikt voor vlugge beweging te maken. 

25 ἠλείφοντο en ἀλειψάμενοι. Het imperfectum duidt eene in het verledene voortdurende handeling aan; de aoristus geeft hier te kennen, dat die handeling voleindigd is. Zoo hier een perfectum stond, zou daarmede te kennen gegeven worden, dat het gevolg dier handeling nog voortduurde. Zoo zou men, om te zeggen: Hij is gereed voor de gymnastische oefeningen, want hij is met olie ingewreven, in het Grieksch niet ἠλείψατο, maar ἤλειπται bezigen. Zie Buttmann, Gr. Gr. § 137. 

26 Sunium was de naam van een voorgebergte in het zuiden van Attica, tegenwoordig Kaap Colonna, waarop een gehucht en een tempel van Athene was. Overigens was het bekend, dat alle inwoners van Attica het burgerregt van Athene hadden, en dus als Atheners beschouwd werden. 

27 Het schijnt, dat de Atheensche wetgeving geen voldoende waarborgen gaf tegen het verkeerd besturen der geldmiddelen van weezen door voogden. Demosthenes had zich over hetzelfde te beklagen als Theaetetus, maar wist reeds op zijn 18e jaar, door eene welsprekende en bondige pleitrede tegen zijne voogden, althans een deel van zijn goed terug te bekomen. 

28 Γεννικὸν λέγεις τὸν ἄνδρα. Γεννικὸν is de tweede accusativus achter λέγεις

29 Eigenlijk: zoo gevonden hadden. De Grieken spraken ten opzigte van de tijdsbepaling naauwkeuriger dan wij. 

30 εἰδὲναι. Dit gebruik van den infinitivus is zeer gewoon. Zie Buttmann, Gr. Gr. § 140. 6. aanm., 5. 

31 ἄξιον. Hoewel ἄξιος eigenlijk waardig beteekent, kan het ook absoluut geplaatst worden, en beteekent dan: betamelijk, goed, behoorlijk

32 De hier voorkomende constructie is hetgeen De Sacy zou noemen: eene proposition nominale, dat is een volzin zonder werkwoord, waarin het werkwoord zijn uit het verband moet aangevuld worden. Het is genoeg bekend, dat dergelijke constructies bij Plato telkens voorkomen. 

33 Plato schijnt hier op zijne eigene reis naar Cyrene te doelen. 

34 μετρίως heeft de beteekenis van aan de vereischte maat te beantwoorden, te zijn zoo als het behoort. 

35 Men denke bij σόφος aan door studie verkregene kennis, niet zoo zeer aan gezond verstand of practische bekwaamheid. 

36 ἀπορέω is eigenlijk geen doorgang zien en is als zoodanig intransitief. Daarom geloof ik, dat, wanneer dit werkwoord met eenen accusativus geconstrueerd wordt, deze behoort tot die soort van accusativen, die gewoonlijk door het uitgelatene voorzetsel κατὰ verklaard worden. 

37 Deze uitdrukking is wel zinnebeeldig, maar toch zeer juist. Een duister begrip zweeft voor onzen geest; telkens schijnt het wat naar voren te komen, maar zoodra wij het zoeken te vatten, ontglipt het ons weder. 

38 Socrates roept allen, die tegenwoordig zijn, op, om hun gevoelen te openbaren, maar niemand verroert zich. 

39 ἀεὶ, telkens. Xenophon, Anab. IV. c. VII. 23. οἱ ἀεὶ ἐπιόντες ἔθεον δρόμῳ ἐπὶ τοὺς ἀεὶ βοῶντας. Buttmann, Gr. Gr. § 150, p. 470. 

40 ἀποκρίνεσθαι. Dit woord is hinderlijk. Een antwoord is natuurlijk nooit geheel willekeurig, maar hangt altijd van de vraag af. Ik geloof, dat het moet worden uitgeworpen, of dat men lezen moet: ἐπιτάξει ὅ τι ἂν βούληται ἐρωτᾶν ἀποκρίνεσθαι

41 διάλεκτος beteekent oorspronkelijk: eenvoudig gesprek; de beteekenis van tongval is eene afgeleide. 

42 Theaetetus begaat hier de gewone fout, die de medesprekers in de dialogen van Plato begaan. Zij zoeken zich gewoonlijk met voorbeelden te behelpen, wanneer zij om eene bepaling worden aangesproken. Aristoteles berigt ook, dat het geven van bepalingen eene der voornaamste ontdekkingen van Socrates is. 

43 Οὐδὲ τοῦτο. Dit moet verklaard worden door de uitlating der woorden: οὐδὲ τοῦτο λέγων ἄλλο τι λέγω ἢ κ. τ. λ. 

44 γνῶναι hangt af van βουλόμενοι

45 ἐπιστήμην is de accusativus van γνῶναι. αὐτὸ is neutrum per attractionem; de constructie is dus: βουλόμενοι γνῶναι ἐπιστήμην ὅ, τι ποτ’ αὐτὸ ἐστιν

46 ἢ οἴει, τίς τι. Hier is eigenlijk eene vraag door een asyndeton in twee vragen opgelost. 

47 ἐπιστήμην ὑποδημάτων. Het is duidelijk, dat hier bedoeld wordt: wat deze woorden beteekenen

48 Wij zouden hier andere voorbeelden gebezigd hebben, daar wij gewoon zijn, de hier vermelde vakken volstrekt niet als theoretisch, maar slechts als eene soort van handigheid te beschouwen. Overigens ziet men in de soort van voorbeelden, die hier, en ook elders bij Plato en Xenophon, door Socrates worden aangehaald, duidelijk het democratische element van Athene doorschijnen. 

49 ἐξόν, accusativus absolutus. Zie Buttmann, Gr. Gr. § 145. Aanm. 7. 

50 τὸ ὅτου. Zulke soort van uitdrukkingen komen dikwijls bij de Grieksche wijsgeeren voor. Zoo lezen wij bij Aristoteles dikwijls: τὸ πῶς, τὸ τι, τὸ διά τι en wij zeggen eveneens: het hoe, het wat, het waarom, enz. Deze spreekwijs mist het latijn, omdat het geen lidwoord heeft. 

51 Wat doet hier: maar? Theaetetus had in het gesprek, dat hij hier vermeldt, gemerkt, hoe moeijelijk het geven van juiste bepalingen is, al scheen het nu nog zoo gemakkelijk. 

52 Wij moeten dit aldus opvatten:

De verhoudingen der getallen kunnen door figuren worden opgehelderd. Nu is de wortel van een getal, een ander getal, dat, met zich zelf vermenigvuldigd zijnde, het eerste getal geeft, en dat eerste getal is dan de magt van dien wortel. Dit wordt in figuren aldus afgebeeld, dat, de lengte van een vierkant gelijk zijnde aan de breedte, de lengte of breedte den wortel, en de inhoud de tweede magt van dien wortel uitdrukt. Dus heeft een vierkant van 4 vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van 2 voet; een vierkant van 9 vierkante voeten eene lengte en breedte ieder van 3 voet, enz.

Dus zijn de zijden van een vierkant van 4 of van 9 vierkante voeten door eene lijn van éénen voet meetbaar. De zijden echter van een vierkant van 3 of van 5 vierkante voeten zijn niet meetbaar met éénen voet; of, zoo men de figuur zóó wil maken, dat de zijden door éénen voet meetbaar worden, dan moet men het opgeven een volkomen vierkant te krijgen, maar de lengte en de breedte ongelijk maken, waardoor de figuur langwerpig wordt. Hierdoor bekomen wij van zelfs twee soorten van getallen, die wij naar de figuren, waarmede zij worden opgehelderd, vierkant of langwerpig kunnen noemen. Daar verder, zoo beide soorten met vierkanten worden afgebeeld, de zijden der vierkanten van de ééne soort geheele getallen geven, en die van de andere soort door de eenheid niet meetbaar zijn; met andere woorden, daar de wortels van 4, 9 enz. door geheelen, die van 2, 3, enz. alleen door gebrokens kunnen worden uitgedrukt, zoo kunnen die zijden en de getallen, die de zijden uitdrukken, zoowel als de inhouden en de getallen, welke met die inhouden overeenkomen, in twee soorten verdeeld worden. 

53 τοῦ voor τινὸς. Deze genitivus moet verklaard worden door het begrip van comparativus, dat in ἡττᾶσθαι besloten ligt. 

54 De constructie is: Ἀλλὰ οἴει εἶναι σμικρόν τι καὶ οὐ τῶν πάντῃ ἄκρων ἐξευρεῖν τὴν ἐπιστήμην, ὥσπερ νῦν δὴ ἐγὼ ἔλεγον.

τῶν πάντῃ ἄκρων is de genitivus partitivus: één van de alleruitersten in moeijelijkheid

55 Zie Act. Apost. V. 36. „Want vóór deze dagen stond Theudas op, λέγων εἶναι τινα ἑαυτόν,” hetgeen door Van der Palm vertaald is: zeggende van zich dat hij iets groots was

56 ἀπαλλαγῆναι τοῦ μέλλειν. Eigenlijk: los worden van het zullen, dat is: het voornemen, om het nog eens te beproeven, laten varen. Overigens is het duidelijk, dat ἀπαλλαγῆναι van δύναμαι afhangt. 

57 Het Perfectum duidt aan, dat de gevolgen eener verledene handeling tegenwoordig voortduren. Zoo is οἶδα eigenlijk het perfectum van εἴδω en beteekent: ik heb het gezien, dat is: ik weet het, en πέπονθα, het perfectum van πάσχω, beteekent: ik heb ondergaan, dat is: ik ben in den toestand, die een gevolg is van dat ondergaan

58 καταγέλαστε. Men neme dit woord niet in de sterke beteekenis, die het oorspronkelijk heeft. De geheele toon van het gesprek geeft geene reden voor zulk eene scherpe uitdrukking. 

59 Achter ὅτι moet uit het vorige in de gedachte worden aangevuld: τὴν αὐτὴν τέχνην ἐπιτηδεύω

60 ἅτε is de accusativus, die gewoonlijk door κατά verklaard wordt. Het is welligt beter eenen aldus gebezigden accusativus den casus adverbialis te noemen, daar het woord, dat daarin geplaatst is, de kracht bekomt van een bijwoord. Men kan hiermede de adverbiale complementen in het Hebreeuwsch vergelijken. Zie Veth, Beknopte Hebreeuwsche spraakkunst, § 95. 20. 

61 Die anderen.