[Inhoud]
DE BENDE UIT HET HOL VAN KAAN

DE BENDE UIT HET HOL VAN KAAN

Ge zijt allen wel eens in een bioscoop geweest, niet waar? Hebt ge dan wel eens gezien, hoe de film-helden en -heldinnen vóór het begin van de film één voor één levensgroot op het doek kwamen?

Zoo zou ik u zoo gaarne de helden uit dit boek voorstellen.

Dan zou Ambro, de held van dit verhaal met z’n ondeugende, open gelaat U guitig toelachen.

Chris zou zeker een half norsch, half spottend gezicht getrokken hebben.

Puckie zou een scheef-getrokken mond hebben van ingehouden lach.

Paul, met even schuin-gebogen hoofd, zou met lieven blik de zaal in kijken.

Piet, in de houding van een Indianen-Opperhoofd, zou met onverschilligen blik naar u kijken. [2]

Karel en Wim allebei met iets guitigs-verwonderds.

En Bob?… Ik denk, dat er weemoed in zijn blik zou zijn geweest.

Nu ik mijn helden dus aan het publiek heb voorgesteld, wil ik er nog even bij vertellen, dat ze hun ondeugende rollen gespeeld hebben in Rotterdam en ze den leeftijd hadden van tien tot twaalf.

Het stel was vanaf de bewaarschool trouwe kameraden en daar ze allen, zonder uitzondering pientere, vlugge jongens waren, bleven ze ook op de groote school steeds in dezelfde klas en zoo bleef het oolijke jongensclubje steeds bijeen.

Wat al streken door die bengels werden uitgehaald, wordt in dit verhaal beschreven.


De verschillende ouders van de jongens waren allen lid van den Dierentuin en die tuin was, in de oogen der ouders een veilige bewaarplaats voor hun jongens. Af en toe ging er eens ’n pa, moe of groote zus kijken, wat ze wel uitvoerden, en dan kwamen ze altijd een der clubgenooten tegen, die vol ijver zei: „Ik weet waar ze zijn, ik zal ze wel even roepen.”

En al heel gauw kwamen ze dan als zoete joggie’s aangewandeld, een boek of cahier in de handen en vol verhalen over de apen die weer zoo leuk waren, of de leeuwen die net gevoerd werden.

„Het groote mensch” ging dan volkomen gerustgesteld heen.

Daarna dingen de jongens weer kalm verder, net [3]zoolang, tot ze bij een stil plekje waren. Hier vormden ze een kring om den oudsten jongen, een zekeren Ambrosius Verbrugge, die de hoofdleider van het clubje was.

„Dat liep weer netjes af,” verklaarde deze op plechtigen toon. En dan tot den jongen die ze was komen roepen toen het groote mensch kwam opdagen:

„Bob, je hebt je best gedaan, je krijgt daar straks je belooning. Wie moet er nu op post?”

„Ik,” zei een kleine, dikke snuiter en meteen haastte hij zich langs denzelfden weg waarvan ze zooeven gekomen waren en posteerde zich op een bank, vlak bij den ingang van den dierentuin.

Oogenschijnlijk zat hij ijverig te lezen in het boek dat hij in de handen hield, maar in werkelijkheid hield hij den ingang in het oog en monsterde iederen persoon die binnenkwam.

Na een half uur zou hij weer afgelost worden. Zoo luidde het reglement van de club.

Maar nu gaan we eens zien wat die andere jongens uitvoerden.

Daar hebben we het troepje. Ze loopen lachend en babbelend voort, maken een praatje met de oppassers, kijken eens naar de verschillende beesten, maar loopen hoe langer hoe verder den tuin in tot ze stilhouden bij een rhododendron-boschje. Het is een groot en heel dicht begroeid boschje en ’t ligt er rustig en afgelegen.

Piet Kaan, een der club-genooten had op een mooien dag het plan geopperd om op handen en [4]voeten in het boschje te kruipen en daar plannen te beramen voor een nieuw spel.

Terwijl een der jongens als post uitgezet werd om te kijken of er geen tuinman of suppoost in den omtrek was, kropen de anderen op handen en voeten het boschje in.

En dáár werd dien dag het groote plan beraamd, het plan, waardoor ze vele maanden een reeks van prettige dagen hadden.

Kaan inspecteerde nauwkeurig het boschje en kwam tot de ontdekking, dat met hier en daar wat wegsnijden van takken en stammen het boschje een prachtig roovershol zou zijn.

Dit plan had de volle instemming van de overige Club-genooten en men besloot hun schuilplaats dan voortaan het hol van Kaan te noemen, want Piet Kaan had ’t toch maar ontdekt.

’t Klonk zoo echt roover-achtig, het hol van Kaan en ze zagen in gedachten al vreeselijke meesterlijke dingen gebeuren in hun spelonk.

Er werd verder besloten, met de grootst mogelijke omzichtigheid te werk te gaan, want ze wilden lang plezier hebben van hun hol. Het was dus zaak, het heele suppoostenleger te slim af te zijn, en dit kon alleen bereikt worden door steeds posten uit te zetten, terwijl de anderen dan bij ’t geringste sein van dien post zorgden het hol juist aan den tegenovergestelden kant te verlaten, als waarvan de suppoost kwam. Verder moest er een post uitgezet bij den ingang van den dierentuin om te kunnen waarschuwen als er familieleden kwamen [5]controleeren wat hun jongens uitvoerden.

Ook dit voorstel werd met algemeene stemmen aangenomen.

Toen ze den daaropvolgende keer bijeen kwamen in het hol van Kaan, had een der roovers een vel perkament meegebracht en hierop werden alle notulen van het reglement neergeschreven en omdat ’t echter en griezeliger was, prikte Ambrosius Verbrugge zich in den arm, drukte eenige bloeddruppels uit en de bewoners van het hol van Kaan zetten allen hun namen onder het gewichtig document, „met bloed geschreven”.

Dit had hij gelezen in het aardige jongensboek van Mark Twain, „Tom Sawyer”.

En dit is nu eigenlijk de inleiding van mijn verhaal. Jullie kunt je nu wel zoo’n beetje voorstellen, hoe de bengels daar zaten, en ik ga je nu alle booze streken vertellen, die in het hol van Kaan beraamd werden.

Ze waren dan weer eens op een mooien dag bijeengekomen, toen een der jongens voorstelde een paar stoelen uit de nabij gelegen sociëteit te halen en die naar hun hol te sleepen.

De posten werden verdubbeld en tot bizondere waakzaamheid aangezet.

Toen slopen zes jongens uit het hol, en gingen langzaam en telkens omkijkend, naar de sociëteit, die op dit oogenblik geheel verlaten was, en na eenige oogenblikken kwamen de zes roovers terug, ieder een stoel met zich dragend.

Voetje voor voetje ging het terug naar ’t hol, [6]waar ze de witte vlag (een zakdoek aan een stokje gebonden) zagen wapperen, ten teeken, dat alles veilig was.

Die zes stoelen waren een genot voor ze, want het op den grond zitten beviel ze toch niet op den duur, ’t lag er zoo vol takjes en … er was thuis al eens geïnformeerd waardoor de broeken toch zoo vuil waren aan den achterkant!

Ambrosius vond, dat ’t nu in hun hol de veiligste plaats was om alles te doen wat ze thuis niet durfden, uit angst van betrapt te worden.

„Laten we beginnen,” zei hij en z’n ondeugende oogen glinsterden van pret. „Met al onze centen bij elkaar te leggen en daarvoor telkens een Wilson of Nick Carter te koopen.”

„Jô, fijn!” vonden de heeren eenparig. Zoo kochten ze iederen week een spannend detective-verhaal en dat werd dan in hun hol door een der jongens voorgelezen. En altijd zorgden ze er voor dat de posten afgewisseld werden en die het verhaal dan op hun gemak konden lezen.