„Hè! is Ambro er weer niet?”
Deze uitroep verbreekt de stilte die in het Hol heerschte, waar de jongens rustig zaten en lagen te lezen.
Piet kijkt uit z’n boek op en zegt eveneens:
„Neen, hij is er weer niet, da’s warempel al de derde keer, dat ie ontbreekt, en na school gaat ie altijd direct naar huis. Zóó vreemd is-t-ie nog nooit geweest.”
„Zou ie kwaad zijn om ’t een of ander?” vraagt Paul.
„Kwaad! Daar is heelemaal geen reden voor.”
Het gezicht van Chris, die al dien tijd gezwegen heeft, verraadt, dat hij meer van de zaak weet.
„Chris, jij weet er van,” zegt Karel. „Ik zie ’t aan je heele bakkes.”
„Och, kletsika! Ik weet van niks,” bromt Chris.
„Je liegt, man! Jij weet er meer van,” houdt Karel vol.
Dan wordt Chris kwaad. [118]
„En al zou ik er meer van weten, dan hoef ik ’t jou toch niet aan je neus te hangen.”
„Ah! zei ik ’t niet,” triompheert Karel. „Wat heeft ie je beloofd als je niks zegt?”
„Een oplababbel als ik ’t wèl zeg,” lacht Chris.
„Wat kan ’t mij ook verder schelen,” roept Puckie, die met dezen kwasi-onverschilligen uitroep een laatste poging doet om achter het geheim te komen.
„Dat dacht ik ook,” zegt Chris, die zich niet in de kaart laat kijken.
Karel geeft ’t echter nog niet op.
„Och, jôh! Chris doet maar net of ie iets weet, hij weet net zooveel als wij.”
„Zoo is ’t,” zegt Chris, maar z’n gezicht logenstraft zijn woorden.
De jongens gaan weer door met lezen, maar hun nieuwsgierigheid is geprikkeld en lang kunnen ze er niet over zwijgen.
„Weet je wat ik doe,” zegt Puckie plotseling. „Ik ga naar z’n huis; ik zàl weten waar ie uithangt.”
„Dat zal je laten,” zegt Chris woedend.
„Daar heb jij niks over te zeggen,” bijt Puckie hem toe.
„Heb ’t lef es te gaan!” dreigt Chris.
„Dat zal je gewaar worden,” zegt Puckie, terwijl hij opstaat.
Chris, die op den grond ligt, pakt Puckie’s been vast. Deze begint te trappen en te schreeuwen.
„La’me los!”
„Ga dan niet naar z’n huis!” [119]
„Los!” blijft Puckie schreeuwen en geeft Chris een klap op z’n hoofd.
De andere jongens, die eerst pleizier hadden in de ruzie, zijn nu bang, dat door al dat lawaai hun heiligdom wel eens ontdekt zou kunnen worden. Ze trachten dus sussend tusschenbeide te komen, hetgeen ze ook gelukt, want Chris laat Puckie’s been los en deze laatste houdt op met schreeuwen.
Als de rust in het Hol weêrgekeerd is zegt Piet kalm:
„Ja, hoor es, Chris, als je d’r geheimen voor ons op nahoudt, dan moet je maar je biezen pakken. We houwen voor mekaar niks achterbaks; da’s flauwe kul! Of je zegt ’t ons, òf je gaat maar naar Ambro.”
„Natuurlijk,” stemmen de anderen toe.
Ze leggen Chris het vuur na aan de schenen en hij eindigt met Piet gelijk te geven.
„Ja,” zegt hij dan. „Nu ie ’t mij verteld heeft, hebben jullie net zooveel recht het te weten.”
En snel laat hij er op volgen: „Ambro heeft een meisje!”
Dat bericht valt als een bom temidden van de jongens en wordt met gemengde gevoelens ontvangen.
„Wat een idioot!—Wat mankeert ’m!—O, is het dàt!!”—
Tot eindelijk Karel nieuwsgierig vraagt: „Wie is het?”
„Margot Hoevers.”
„Dàt schaap!—Die aanstelster!”— [120]
„En komt ie nou nooit meer met ons spelen,” vraagt Paul, die Ambro steeds bewonderd heeft en heel dikwijls steun bij hem vond wanneer hij als jongere en zwakkere op hun avontuurlijke tochten in gevaar verkeerde.
„Dat zie je,” zei Piet nijdig. „Al drie middagen heeft ie z’n tijd verknoeid. Dan wandelt ie zeker met z’n schoone jonkvrouw!!”
„Nou, ik vind ’t niet zoo’n naar kind,” zegt Chris. „En ze brengt altijd appels voor hem meê.”
„O, doet ie ’t daarom,” zegt Puckie vol minachting. „Die kan ie van mij ook krijgen, we hebben er genoeg thuis.”
„Neen, niet alleen daarom,” verdedigt Chris hem. „Hij vindt haar heel lief. Hij heeft warempel al drie weken z’n zakcenten gespaard om d’r een doosje chocolade te koopen.”
„Wat een halve gare!” roept Karel. „Niks voor Ambro! Maar wedden, dat ’t hem gauw gaat vervelen!”
Chris begint ’t nu ook jammer te vinden, dat Ambro door dat meisje niet meer in hun midden is en hij, die Ambro’s geheim eerst zoo goed wist te bewaren, hij stemde nu met de jongens in, dat Ambro’s gedrag zeer was af te keuren.
„Ik stel voor,” zegt Karel, „hem weer voor ons te veroveren en dat zal ons lukken ook. Ik weet zeker, als hij moet kiezen tusschen ons en dat malle kind, hij ons zal kiezen.”
„Hoe wil je dat dan aanleggen?” vraagt Piet. [121]
„Wel, door hem op te zoeken en hem voor de keuze te stellen.”
„Best,” zegt Chris. „Dan zal ik zeggen waar hij is.”
„Nou, waar dan; zeg op!”
„Op het weiland, achter den Provenierssingel. Daar laat hij een vlieger met d’r op.”
„Vooruit jongens, we gaan er heen,” roept Puckie.
Behoedzaam sluipt de bende het Hol uit, en in looppas gaat het den tuin uit naar het weiland. Bij den overweg van het spoor gekomen, roept Piet plotseling: „Ja, hoor, ik zie ’m staan!”
„Wie zie je staan?” vraagt Paul.
„Wel, dáár, kijk dan!” en hij wijst omhoog, waar tegen den blauwen hemel een groote witte vlieger onbewegelijk staat.
„Ik herken hem aan den staart. Die heeft ie vol gekke tierlantijntjes gedaan.”
„Ja, dat is Ambro z’n vlieger,” roept Chris. „Ik zie het roode hart in ’t midden.”
De vlieger wijst hun den weg en al heel gauw zien ze in de verte twee kleine figuurtjes die op een berm zitten.
Ambro, in z’n blauwe trui, Margootje, in haar matrozenjurk. Haar groote stroohoed ligt naast haar, en de wind speelt met de lange, blonde krullen, die aan weerskanten van haar gelaat hangen.
„Wat een lol, om daar met dat schaap te zitten,” zegt Piet met de diepste minachting.
„Hij let meer op den vlieger, dan op haar, zie je wel!” spotte Puckie. [122]
„Vooruit jongens, nou voorzichtig omloopen en dan gaan we achter den berm zitten en kunnen we afluisteren wat ze spreken.”
Zoo gezegd, zoo gedaan.
In minder dan geen tijd ligt het vijftal op hun buik achter den berm. Ze houden zich muisjesstil. Ambro, zich van niets bewust, haalt langzaam z’n vlieger in.
„Vin-jij ’t hier leuk?” vraagt hij.
„Och, jawel,” zegt zij.
„Maar we moeten nu eens ergens anders heen. Altijd op dat weiland gaat zoo vervelen,” zegt Ambro.
„Mij ook goed,” zegt Margootje, tamelijk onverschillig.
„Vragen je vriendinnen nooit waar je uithangt?”
„O, die weten ’t wel. Ze hebben me genoeg uitgelachen.”
„Dan hengst je d’r op,” zegt Ambro.
„Wel zeker! dat doen wij nooit.” [123]
„Lam genoeg van jullie!”
„Vragen de jongens dan nooit waar jij bent?”
„Ze moesten ’t lèf hebben,” snijdt Ambro op. „Dat gaat ze immers niks aan.”
„Vin-jij ’t leuk zoo met z’n tweeën,” vraagt ditmaal Margootje.
„Leuk, dàt is ’t woord niet,” zegt Ambro meer oprecht dan beleefd.
„Me neefje heeft ook een meisje … enne … ik dacht dat ’t aardig was.”
„Jakkes! wat ben jij een hark van ’n jongen.”
„’n Hark! Als je een knul was, kreeg je een opstopper.”
„Zeg es, je bent niet onder je vriendjes.”
„Nee, jammer genoeg,” zegt Ambro nu heel nijdig.
Achter den berm klinkt een onderdrukt gelach, dat gelukkig door het tweetal niet gehoord wordt.
„Jij bent altijd zoo kattig,” zegt Ambro.
„Da’ ben je zelf,” vinnigt Margootje.
„Een jongen doet nooit kattig.”
„Dan ben jij een meisje.”
„Och, loop rond, saai schaap!”
„Ik heb je altijd een echte nare jongen gevonden.”
„Maar me chocolaadjes die lustte je wel.”
„Nou, ik gaf je toch appels.”
„Poeh! drie rotte waren er bij.”
Margootje begint te snikken.
Ambro schrikt van dien plotselingen tranenvloed. Hij wil haar eerst uitlachen, maar nu hij tusschen de blonde krullen die met tranen gevulde kijkers [124]ziet, wordt ’t hem toch te machtig en terwijl hij lang in z’n broekzak zoekt, diept hij er eindelijk zijn kostbaarsten schat uit op, een grooten glazen knikker met prachtige gekleurde strepen erin, dien hij haar voorhoudt met de woorden:
„Hou nou op met janken, Go. Kijk eens, wat ik daar voor je heb?”
Maar het geschenk werd niet aanvaard.
Ze schudde koppig met haar hoofdje en duwde de hand met den knikker weg.
„Nou, graag of niet,” zei Ambro wiens medelijdende stemming van korten duur was. „Met jullie meisjes is niks te beginnen.”
„Ik maak ’t uit,” zegt Margootje.
„Dat heb ik allang gedaan,” spot Ambro.
„Naarling!”
„Mal schaap!!”
De tranen zijn verdwenen en ze is weer het kleine katje van straks.
Ambro haalt intusschen zijn vlieger in, die met duikenden zwaai naar omlaag komt. Hij ontdoet hem van den staart en maakt het touw los.
„Nou, ik smeer ’m,” zegt hij. „Go, laten we nou niet als kwaje vrienden van mekaar gaan. We vervelen ons samen toch maar. Geef me de vijf.”
„Nee, hoor, nee!” en het kleine juffertje stampvoet van nijd.
„Dàn niet!” En Ambro loopt fluitend weg, Gootje aan haar lot overlatend.
Hij loopt in de richting van den Overweg en als hij heel ver is, staat ook Margootje op en [125]begeeft zich langs denzelfden weg huiswaarts.
Als ze ver genoeg verwijderd is, richten de jongens achter den berm zich voorzichtig op.
„Hoe is ie?” vraagt Chris.
„Heb ik ’t je niet gezegd, dat ’t niets voor Ambro is,” vraagt Karel.
„Hij verveelt zich immers dood met zoo’n kind.”
„Ik wed, dat ie nou naar ’t Hol is,” zegt Puckie.
„Laten we dan ook gauw gaan,” zegt Paul.
„Wel neen,” antwoordt Piet. „Nou mag ie es voor niks komen.”
Maar de anderen zijn ’t niet met hem eens.
„Ga mee, jongens,” zegt Chris. „Als we hard loopen, kunnen we hem nog net inhalen.”
En dan gaat ’t met een spurtje over de wei, den Diergaardesingel langs, naar den Dierentuin.
En ’t was zooals ze dachten, in het Hol vonden ze Ambro.
Chris had ze onderweg bewerkt om nu toch geheel onbevangen te doen en niets te laten merken van wat ze gezien en gehoord hadden.
Dus begroetten ze Ambro heel gewoon en vroegen niet waar ie al dien tijd gebleven was.
Ieder maakte het zich weer gemakkelijk in ’t Hol en de meesten gingen lezen.
Ambro lag languit op den grond. Die stilte beviel hem niet. ’t Ergerde hem, dat ze hem niet gemist schenen te hebben.
Een paar maal trachtte hij door het vragend optrekken van z’n wenkbrauwen de aandacht van Chris op zich te vestigen. Maar deze, ofschoon hij [126]dit gebaar zeer goed zag, deed, alsof hij hem niet begreep en ging voort met zijn Buffalo Bill te verslinden.
„Waar zijn jullie al dien tijd geweest?” waagde Ambro het eindelijk te vragen.
„Nou is t’ie goed!—Hij zeit wat!—Mot je nog boontjes, of lust je niet meer!” riepen verschillende stemmen.
„Wij??… Jij!!!… Dàt mogen we jou wel vragen.”
„Ik … ikke … ik heb gevliegerd.”
„In je eentje?” vroeg Puckie met een doodonschuldig gezicht.
„Chris, jij hebt me verrâje! En de beloofde opstopper zal je niet ontgaan, man!”
„Dat lieg je! Jongens, heb ik ’m verrâje? Puckie wou naar je huis gaan om te vragen waar je bleef en toen heb ik ’m bij z’n poot gepakt.”
En Chris vertelde de heele toedracht der zaak.
Onmiddellijk was Ambro ’t er mee eens.
„Nou, ik ben blij, dat ik er af ben!” zei Ambro met een zucht van verlichting. „’t Is niks gedaan, ’t kost je al je weekgeld en je verveelt je.”
„En je schoot er bijna nog je mooien knikker bij in,” barst Puckie in een schaterlach uit.
„Verroest! hoe weet jij dat!” valt Ambro uit.
„De berreme hebbe oore, jongeheer!” zegt Piet hoogst theatraal.
„Wat ’n vuile streek! Jullie hebben geluisterd,” en een blos van schaamte kleurt Ambro’s dikke wangen.
„Ja, jôh, nou zit je d’r in,” plaagt Karel. [127]
„Toch naar voor Margootje,” zegt Paul weekhartig.
„Laat ze voor mijn part ophoepelen,” zegt Ambro. „Nogal een lief ding om partij voor te trekken. Je mag ze van me cadeau, Paul.”
Nu wendt zich de spotlust tot Paul.
„Hèèèè! Paul met een meissie! Zou je wel durreven, Paultje?”
„O, ja,” zegt Paul parmantig. „Maar ik zou niet willen. ’t Is niks echt.”
„Ik heb honger,” zegt Ambro. „En ’t is vijf uur. Ik ga naar huis.”
„Ik ook.”
En ’t heele stel stapt op. Allen zijn innerlijk dol verheugd, dat Ambro niet verloren ging voor de bende.
„Ga je met ons mee morgenmiddag,” roept Puckie. „Of ga je weer vliegeren in de wei?”
„Met jullie mee,” zegt Ambro en met een vaartje rent hij op z’n huis toe.