Delft nadert.—Het weêr is heerlijk, het lijkt wel een zomersche dag. De jongens zitten weer in de laagte bij den voorsteven van het bootje.
„Kijk es, Paul,” roept Ambro triomfantelijk. „Ben ik niet handig?… ik pak me daar zoo maar een visch uit het water,” en hij houdt Paul een klein witvischje onder den neus.
„Kijk-t-ie spartelen,” zegt Paul in bewondering voor Ambro’s vlugheid.
„Maar niet heusch,” zegt deze. „Hij is zoo dood als een pier. Kijk, er dobberen er nog veel meer. Tsjonge,… kijk es wat een zooi! En allemaal dood.”
De schipper, die hun gesprek gevolgd had, geeft hun uitleg.
„Da’s van de fabrieke … die vergiftige hier het water met d’rlui uitwaseminge en dan mot, al wat leeft, sterreve.”
„Kan je ze nog eten?” vraagt Ambro vol belangstelling. [171]
„Nee jonge, da’s niet goed voor je maag, maar de poes, die zou d’r an smulle.”
Voor de laatste maal luidt Ambro nu de bel—de boot is aan.
Ze nemen afscheid van den schipper en roepen hem een tot-straks toe, want over vier uur gaan ze weer terug naar Rotterdam.
„Heb je je pakkie, Paul?” vraagt Ambro met een dood-onschuldig gezicht als ze al een heel eind op weg naar de kazerne zijn.
„Allemachies!” Paul verbleekt. „Nee, gauw terug!” En hij wil terughollen naar de boot.
„Ik heb het,” roept Ambro en houdt het bewuste voorwerp omhoog.
„Hè, is dàt schrikken,” hijgt Paul.
„Hij is alwéér reusachtig!” lacht Ambro. „Zeg, weet jij den weg?” vraagt hij dan.
„Ik wel,” zegt Paul. „We moeten naar de paardenmarkt.”
„Mag je d’r in, ik bedoel in de kazerne?”
„Dat zal niet gaan, ze laten geen burgers toe.”
„Laat naar je kijken, ben jij een burger!” schatert Ambro.
„Ja zeker zijn wij burgers, we dragen toch geen uniform.”
„Goed, burger Paul, alweer gelijk. Ik had anders wàt graag eens een kijkie genomen in zoo’n soldatenhuis. Ik vraag het ijskoud aan den generaal.”
„Jôh! de generaal! Die is er niet altijd, een hoogst enkele keer,” zegt Dirk, „en dan moeten ze poetsen tot ze groen zien en een pluimpje [172]krijgen ze nooit, alleen straf als er wat aan mankeert.”
„Nou, ik wil en zal de kazerne in,” zegt Ambro. „Wedde, dat we d’r in komme?”
„Hier heen,” roept Paul. „Dit straatje in, dan zijn we er.”
„Ja, ik zie al een vlakte, dat is zeker de paardenmarkt.”
Om den hoek gekomen zien ze een menigte soldaten in werkcostuum.
„Wat zien ze d’r raar uit,” roept Ambro. „Dat is zeker hun daagsche pakkie, ’t lijken wel clowns met die malle mutsie’s.”
„Dat zijn kwartiermutsen,” verklaart Paul, die nu alle geleerdheid betreffende den dienst, opgedaan bij Dirk, Ambro opdischt.
„Je moet ’t maar weten! Hoort die kerel een muil opzetten! Die denkt zeker, dat ze allemaal doof zijn! Begrijp jij, wat ie van ze wil?”
„Ja zeker,” zegt Paul. „Aan den schouder, geweer!” schreeuwt ie. Hoor, nou roept ie weer „zet af.”
„En ze doen niks,” lacht Ambro.
„Wacht maar even,” zegt Paul.
Meteen klinkt weer een harde schreeuw, dat „geweer” moet verbeelden, waarop alle geweren netjes, tegelijk weer op den grond worden geplaatst.
„Wat een poppenkast,” roept Ambro. „Dan vind ik gedresseerde honden nog aardiger.”
„Kom mee,” dringt Paul aan. „Laten we nou niet aldoor hier blijven kijken.” [173]
„Nou, misschien is Dirk er wel bij,” zegt Ambro, die pret heeft in al dat gedoe. Hij had nog nooit zooiets gezien. Eenmaal in Den Haag, maar dat was parade, toen waren ze allemaal netjes aangekleed en moesten wachten op den generaal, die op een paard kwam aanhollen en al de mannetjes monsterde.
„Kom je nou, of niet,” zegt Paul ongeduldig. „Anders zal ik wel alleen gaan.”
„Hier ben ik al, burger, houd je kalm,” plaagt Ambro.
Ze stappen op de poort van de kazerne af en passeeren een paar soldaten, die lui uitgestrekt in het zonnetje liggen te braden.
„Tabak, jongens?” vraagt er een. „Geef maar hier. Of is ’t misschien een hammetje? Dat blieven we ook wel.”
„Fopspeentjes,” roept Ambro terug. „Vóór jullie naar bed gaan krijg je ze.”
Vóór de poort zit een sergeant op een kapotten stoel een krantje te lezen.
Hij kijkt bij het naderen van het tweetal van zijn lectuur op.
„Zoo, jong vee, wat motte jullie gedaan weze?”
Paul is zoowaar geschrokken van den harden toon waarop hij wordt toegesproken, maar al gauw merkt hij, dat het niet zoo kwaad gemeend is.
Ambro doet nu maar het woord.
„Meneer, we zouden graag dit pakje aan Dirk brengen. Dat is zijn broer, ziet u. Mag dat?”
„Dirk kenne we hier niet,” luidt het antwoord. [174]
„D’r zijn hier misschien wel honderd Dirken. Maar waar leit ie? Welke compie, welke sectie, welke kamer?”
„Dirk Vermeeren, 3de compagnie, 2de sectie, kamer 17,” antwoordt Paul vlug.
Hij heeft nu weer allen moed teruggekregen nu hij merkte dat de bullebak geen „kwaje” was.
„Dan gaan jullie ’t zellef maar brenge, hij zal d’r wel zijn, alles is vanmorrege thuis. Hier de gang in, één trap op en dan de eerste deur rechts. Ingerukt, marsch!”
Weg zijn de jongens.
„Zie je nou wel,” zegt Ambro zegevierend. „Ik wist het wel, dat we naar binnen mochten, die kerel was immers veel te lui om dat pakkie zelf te brengen. Hier Paul, kamer 17.”
„Moet je kloppen?” vraagt Paul een beetje bevreesd in dat nare, donkere, groote gebouw.
„Bê-je wel wijs?” zegt Ambro. „Van nette manieren weten ze hier niks,” en meteen doet hij de deur open.
„In orde, staat!” klinkt het op luiden toon en de beide jongens zien plotseling overal kerels opduiken, die op stroozakken lagen te rooken, te lezen en te luibakken.
Ieder staat nu als een standbeeld voor zijn bed.
De jongens begrijpen er niets van, tot de kerels in de gaten krijgen, dat ze voor den mal zijn gehouden en loom hun bed weer opzoeken.
„Hallo,” roept Dirk, die hun die poets gebakken heeft. „Daar zijn de twee hooge oome’s, heeren, [175]mag ik u voorstellen, mijn geachte broeder, kolonel Paul en Overste Ambro, het grootste beest van Rotterdam en omstreken.”
Paul, blij, dat hij eindelijk een bekend gezicht ziet en een bekende stem hoort, komt met Ambro op Dirk af en reikt hem het pakje over.
„Dat moet ik je van moeder brengen en verder veel groeten van allemaal.”
„Nou, maar jullie zijn beste kereltjes, hoor!” zegt Dirk die het pakje begint te openen. „Hoe vinden jullie ’t hier? Gezellig, hè? Ambro, is dat geen lekker bedje, je komt maar es logeeren, plaats en eten genoeg.”
De jongens kijken hun oogen uit; zoo’n rare boel hebben ze nog nooit gezien.
IJzeren kribben met een stroozak en de wollen dekens op een hoopje aan het eind en daar weer boven een kastje met een rommel waar je niet meer uit wijs kan worden.
„Ha!” roept Dirk blij. „Sigaartjes en Kwatta’s! da’s toch maar alles. Ambro, moet je een stukje?”
Ambro kijkt met glundere blikken naar het verleidelijke stukje chocolade, maar hij weigert het en vindt, dat je een gevangene zijn lekkernij niet moet ontnemen.
Dirk heeft, zooals we reeds zeiden, veertien dagen kwartier-arrest, omdat hij bij een inspectie niet schoon geschoren was.
„Heb je nou heusch straf omdat je niet geschoren was,” vraagt Ambro ongeloovig. „En als je nu je baard laat staan; hij kan toch niet in één nacht lang zijn?” [176]
„Daar houden ze hier geen rekening mee,” antwoordt Dirk. „Of een glad gezicht òf een flinke baard.”
Ambro voelt eens over zijn wang en kan slechts constateeren, dat er nog geen spoor van haar te bespeuren is. „Bij mij is gelukkig alles in orde,” zegt hij. „Laat de hooge-oome maar komen, hij mag me over mijn koonen aaien.”
„Wat een lefschoppertje,” roept hem een landweerman toe, die evenals alle anderen, lui op zijn krib ligt uitgestrekt.
„Had ik maar een beetje rook in mijn mond!” Deze verzuchting was voor Dirk bedoeld en deze gooit hem een van zijn pas ontvangen sigaren toe.
„Hier, ouwe dief, jij ook wat,” lacht Dirk, en dan tot de jongens: „Dat is nou onze Manus, de grootste lijntrekker van de heele compie.”
„Lijntrekken?” vraagt Paul.
En Dirk legt uit: „Lijntrekken is net doen of je druk aan ’t werk bent en een heeleboel te doen hebt, maar in werkelijkheid voer je niks-niemendal uit en als ze mannetjes zoeken om het een of andere karweitje op te knappen … kamers zwabberen, stroozakken vullen of zoo iets lekkers, dan ben je in geen hoeken of gaten te vinden.”
De jongens snappen het wel, maar zien niet in, dat kamers-zwabberen en stroozakken vullen zulke nare bezigheden zijn.
„Ja,” zegt Manus. „Eventjes is aardig, vooral voor zulke jonge snuiters als jullie, maar een heelen middag zou zoo’n grappie je gauw de keel uit hangen.” [177]
„Zijn jullie nou allemaal lijntrekkers?” vraagt Ambro. „En kan niemand je vinden?” en meteen wijst hij naar buiten, waar, op de binnenplaats een sectie recruten een looppasje in ’t rond maakt.
„Kijk die es hollen in de warmte,… hun tongen hangen op hun vessie,… dan is die daar, met die lange sabel verstandiger, die blijft tenminste rustig op zijn plaats en laat de anderen rennen.”
„Oh, dat is de ooievaar,” lacht Dirk. „Ik hoor het aan zijn commando, hij kraait net als een oude juffrouw, zie je wel, jongens, wat een lange nek die kerel heeft, dat is „de ooievaar”.”
„Mogen jullie hier nou zoo niks doen en luieren?” vraagt Paul, die bang is, dat er wel eens ’n hooge oome kon binnen komen.
Maar Dirk stelt hem gerust.
„Ja, hoor Paul, dat màg, we hebben nachtdienst gehad in de duinen bij Den Haag en daarom hebben we nu rust, ja, ze zijn wàt bezorgd voor ons, als het regent mogen we ook thuis blijven, kijk maar …” en hij wijst op een broek, die stijf is van natte modder.
„Dat is mijn feestbroek, die deelt met me in lief en leed.”
„Ik heb de jicht in m’n rug van dat nachtelijke tochie,” klaagt Manus. „En de volgende keer vertik ik ’t, dan piep ik ’m en kruip onder de wol … ze lijken wel gek,… als een fesoenlijk mensch maft, gaan hullie met beeste-weer door de duine renne.”
„Ik het toch moar twie kenijntjes te groaze hàad,” [178]klinkt van de overzijde de stem van een boerenzoon.
„Zundàag zaamme smulle,” lacht hij en de jongens zien een glimmend gezicht met glunderende oogen die bij het grinniken geheel verdwijnen, terwijl een breeden spleet te zien komt, zijn mond met gele tanden.
„Hei ’j nog tebàak?” roept hij tot Dirk, maar deze, wel goed, doch niet gek, antwoordt hem: „Een ander keertje, broer, anders hou ik zelf niks en ik moet nog negen dagen brommen.”
De jongens zijn bij elkaar op de leege krib naast Dirk gaan liggen en voelen zich langzamerhand thuis in de vreemde omgeving.
„Ik vind ’t toch wel aardig hier,” zegt Ambro. „Alleen een beetje saai op den duur.”
„Saai!” roept Manus. „Hoe kan je ’t zeggen, we vervelen ons nooit, we worden altijd bezig gehouden, een eerste klas hotel is er niks bij.”
Plotseling worden zware stappen gehoord en vliegt de deur open.
„In orde, staat!” wordt er geroepen en ditmaal is het geen grap.
„Toe, maak geen spas, hou op met die flauwe kul, leelijke kevers!” schreeuwt Manus, die den kapitein niet in de gaten krijgt
Maar nu hij de anderen doodstil voor de bedden ziet staan kijkt hij op en ontdekt dat inderdaad ditmaal de kapitein op de kamer is.
„Kop dicht,” roept de sergeant die hem begeleidt en Manus glijdt van zijn krib en neemt „de houding” aan. [179]
De jongens hebben van schrik hetzelfde gedaan, en begrijpen weer niets van die rij standbeelden die onbewegelijk blijven staan.
De grinnekende kop van den boerenzoon is veranderd in een dom gezicht met vragend verwonderde oogen.
„Wat moet dat hier? Niks te doen? Dan maar aantreden in veldtenue; een looppasje maken. Dat niks doen werkt verkeerd op jullie; binnen vijf minuten op de binnenplaats, veldtenue met rol.”
„Kap’tein,” vraagt Manus.
„Kop dicht,” is ’t antwoord en Manus kijkt bedremmeld naar den grond, terwijl hij zijn pruim van zijn rechter- naar z’n linkerwang laat gaan.
„Kap’tein,” roept een heldere jongensstem.
De kapitein kijkt op en ontdekt aan ’t eind van de kamer de twee jongens, die half verscholen waren achter den dikken buik van een anderen landweerman.
„Wat moet dat,” vraagt de kapitein verbaasd. „Wat doen jullie hier? er mogen geen burgers in de kazerne.”
„Zie je wel,” fluistert Paul in doodsangst. „We zijn burgers, ik heb je wel gewaarschuwd.”
Bij deze woorden moet de kapitein even glimlachen.
„Hoe komen jullie hier?” vraagt hij, terwijl hij naar de jongens toe gaat
Paul weet geen antwoord te vinden, hij is bang geworden door die doodelijke stilte in een kamer waar een dertigtal mannen als beelden staan te staren. [180]
„Net het panopticum,” denkt hij.
„Hij moest een pakje voor z’n broer brengen en we mochten van dien mijnheer beneden aan de deur het zelf gaan brengen,” antwoordt Ambro op helderen toon.
„Zoo—en waarom riep jij daar straks „kaptein”, had je me wat te zeggen?”
„Ja kaptein,” luidt het antwoord van Ambro. „Nu Manus,” en hij wijst op den landweerman naast Dirk, „nu Manus z’n kop moest houden, wou ik u maar even vertellen, dat ze allemaal vannacht gerend hebben in de duinen met dat beestenweêr en dat ze daarom, zooals u zei, niks doen en luieren.”
Hij zucht, nu eindelijk er uit is wat hij op ’t hart heeft.
„Zoo, nou maar dat is wat anders,” zegt de kapitein op zachten toon. „Dus jullie hebt nachtdienst gehad,… nou, blijf dan maar hier … je kunt je gang gaan.” [181]
Meteen ligt alles weer op de geliefkoosde krib, als werden ze door een electrischen schok getroffen, en de kapitein, die de jongens toeknikte, verlaat even dreunend de kamer als hij binnengekomen was.
„Mooi gedaan,” klinkt ’t hartelijk van Dirk.
„Je hebt ’t ’m kranig gezeid,” zegt Manus.
„Heere, Heere, kan dàat jong proate,” is de lof van den boerenzoon en Ambro, die hen allemaal redde van den gevreesden looppas in de zon, stond als held van het oogenblik midden in de kamer, blij, dat alles goed afgeloopen was, want Paul had gelijk gehad, ze waren tòch burgers.
„Ja,” zegt Manus. „Had ik de burgerpet op gehad, dàn had-ie naar mijn ook wel geluisterd, maar as-t-ie je in je werkpakkie ziet, wordt-ie dienstklopper en dan is ’t „kophouwen en doen”!”
Paul heeft er genoeg van, en vindt, dat ze nu maar eens moeten opstappen. Ze nemen hartelijk afscheid van Dirk en al de anderen en begroet met arm-gezwaai van alle kribben verlaten ze de kamer.
„’t Was tòch fijn,” zegt Ambro, als ze weer op straat staan.
„Ik vind ’t een nare boel, ik zou niet graag zoo behandeld worden,” is Paul’s antwoord.
„Hoorde je niet hoe ze allemaal het land er aan hebben? Dirk kan gelukkig weer op zijn kantoor terug komen na den dienst, maar er zijn er veel die hun plaats bezet vinden.”
„Ja,” zegt Ambro. „Van dien kant bekeken heb je gelijk, maar zoo’n nachtelijke tocht door de duinen zou ik toch wàt graag meemaken.” [182]
„Nou, dat kan best eens gebeuren. Karel z’n vader gaat van den zomer kampeeren, je zult zien, dat we dan mee mogen.”
„’t Zou tijd worden,” zucht Ambro. „Onze nachtelijke tocht is toen mooi in de war geloopen. Maar, over wat anders gesproken, me maag jeukt.”
„Ik weet een kattekroeg,” zegt Paul. „Ga maar mee.”
De jongens stevenen nu direct op het doel af, om als ze hun twaalf-uurtje hebben gebruikt, de terugreis te aanvaarden.
Het was een fijn dagje geweest en met voldoening kon Ambro terugzien op zijn heldendaad in de kazerne, waar hij het waagde een „hooge oome” te trotseeren en de soldaten te redden van den gehaten „looppas in de zon”.