[Inhoud]

VAN EEN DIEFSTAL OP SCHOOL EN EEN VUILNISBLIK ALS KOEKEPAN.

Ambro volvoerde dien volgenden morgen zijn plan en puzzerde. Had hij geweten, hoe ’n belangwekkende dag het op school was, dan zou hij zeker niet ontbroken hebben.

Toen n.l. de jongens dien morgen in het eerste les-uur waren, ging plotseling de deur open en trad het Hoofd der school binnen, gevolgd door een Inspecteur van politie en een agent.

Het ongewone van dit verschijnen bracht even groote stilte als verbazing.

„Wat hebben we nou aan de hand!” fluisterde Chris, Karel in ’t oor.

„Ze komen Ambro toch niet halen?” Intusschen komt het Hoofd der school voor de klasse staan, geflankeerd door den Inspecteur en den ridder van den Heiligen Hermandad.

Hij verzoekt den onderwijzer even de les te staken en richt zich tot de jongens.

„Jongens, leg je pen eens neer en luistert.

We hebben een dief op school. Ik zeg een, misschien zijn ’t er meer. We weten niet, in welke klas de dief zit. Wie dus iets van de zaak afweet, moet ons nu helpen. De diefstal moet aan ’t licht komen. Ik schaam me, dat op mijn school zooiets gebeurd is.”

De Inspecteur fluistert het Hoofd der school iets in het oor, waarop deze den jongens gebiedt één voor één voor de klasse te komen. [197]

„De Inspecteur vindt het wenschelijk, dat jullie de zakken leeg maken. Het is zeer onaangenaam voor degenen die geen schuld hebben, doch als de dader zoo laf is zich schuil te houden, moeten we hier wel toe over gaan.”

Plotseling weerklinkt een hevig gesnik, dat uit de achterste bank der klasse komt en een angstig-bevende stem roept:

„Ik heb ’t gedaan, mijnheer, maar ik heb nog maar de helft.”

„Jij Koos,” zegt streng het Hoofd. „Van jou had ik zooiets het allerminst verwacht. Kom hier, en breng alles mee.”

Schoorvoetend, met beschaamde kaken, schuifelt bolwangige Koos de bank uit en begeeft zich naar het Gerecht.

Drie paar oogen kijken vol gestrengheid op den knaap voor hen neer, en die van den agent maken den meesten indruk op hem.

Dan diept de schuldige uit zijn zakken een klein appeltje op, waarin reeds een hap is gegeven.

Hij legt het met bevende vingers op tafel voor hem neer en snikt:

„M’n moeder koopt … altijd bij ’m … en gisteren … wou ie … er me nog … een geven … en … dat heef ie niet … gedaan … en nou … heb ik … ’m … genomen …”

Voor een scherp opmerker is op het gezicht van den Inspecteur een glimlach te bespeuren.

„Ga maar weer zitten, Koos,” zegt het Hoofd der school. „Het is hier blijkbaar niet om jou te [198]doen. Wat je deed, is heel verkeerd, maar daar spreken we elkaar nog nader over.”

Koos stapt, zichtbaar opgelucht, doch nog nasnikkend naar zijn bank terug.

Puckie kan niet nalaten hem toe te roepen: „Je vergeet je appel!”

Hij wordt door de drie paar voornoemde oogen tot stilte gedwongen.

„Het gaat hier om een ernstiger feit, jongens,” zegt nu weer de hoofd-onderwijzer. „We zullen van het rijtje afgaan.

Karel Boekers, kom hier.”

Karel komt geheel onbevangen naar voren en keert z’n zakken om die een geheel museum van jongens-rariteiten bevatten. Hij kan weer naar z’n plaats gaan. Plotseling begeeft de Inspecteur, die totnogtoe niet anders deed, dan rustig rondspeuren, zich naar een der banken en terwijl hij den daarin zittenden jongen streng aankijkt zegt hij:

„Wat haalde jij uit je blouse en berg je daar in je kastje?”

Vuurrood, maar ongeroerd kijkt de jongen hem aan en zwijgt.

„Als jij ’t niet zegt, zal ik ’t je zeggen,” en terwijl hij zich voorover buigt, haalt hij vlug het kastje leeg.

„Net zooals ik dacht,” zegt hij.

Hij legt den inhoud van het kastje op de bank, bestaande uit 15 pijpen kaneel en 12 dropveters.

„Waar is de rest?” vraagt hij streng.

De jongen volhardt in zijn zwijgen. [199]

„Spreek op! Waar heb je de rest gelaten? Ik raad je in je bestwil aan te bekennen.”

„Weggegeven,” zegt de jongen norsch.

„Aan wie?”

„Zeg ik niet.”

„Weet je wel, dat dit je straf verzwaart?” zegt de Inspecteur om hem schrik aan te jagen.

„Hier is ’t andere,” klinkt plotseling een stem, niet ver van den dader af en de rest, bestaande uit dezelfde artikelen, wordt op het kastje voor hem neergelegd.

„Heb jij die van hem gekregen of ook weggenomen?” vraagt de Inspecteur.

„Gekregen, mijnheer, maar ik wist, dat ie ze gegapt had.”

Dan richt de Inspecteur zich weer tot het Hoofd en verzoekt hem, nu alles terecht is, met de twee jongens het lokaal te verlaten.

’t Is een nare stoet, zooals ze zich daar verwijderen. Voorop de dader en de heler, met gebogen hoofden, gevolgd door de drie gestrenge rechters. Als de deur zich achter hen sluit, ontspant zich de stilte, die al dien tijd in de klas geheerscht had.

„Waar hebben ze dat gegapt?” vraagt Chris.

„Nog al wiedes, bij de Hazelip natuurlijk.”

„Zou die ze d’r bij gelapt hebben? Wat een serpent.”

„Jongens, een beetje kalmte,” gebiedt de onderwijzer, op wien het geval diepen indruk gemaakt heeft. „Die man is geen serpent, die man met [200]z’n armoedig winkeltje kwam voor z’n goed recht op en ik vind ’t heel treurig, dat jongens door hun snoeplust tot zooiets komen. Er zullen misschien velen onder jullie zijn, die met minachting op den dief, zooals Mijnheer Brashuis hem noemde, zullen neerzien, maar die mogen wel bedenken, hoeveel fouten en gebreken ze zelf hebben en ze moeten, als straks de dader weer in hun midden zal zijn, hem niet beschouwen als een dief, maar als één, die door zwakheid een misstap beging, waar hij zeer zeker voor zal moeten boeten en dien we allen de helpende hand moeten toesteken.”

De onderwijzer was zeer bemind bij de jongens en zijn woorden lieten niet na, grooten indruk op hen te maken.

’t Was goed, dat hij zoo gesproken had, want velen onder hen hadden na die gebeurtenis het gevoel alsof zij nu brave jongens waren en tot zooiets zeker niet in staat zouden zijn.

„Wat zou er nu met hen gebeuren?” vraagt Paul bedeesd.

„Hij krijgt levenslang,” roept Chris, op wien een ernstig feit nooit veel indruk maakt.

Maar de onderwijzer vervolgt: „Laten we hopen, dat het ditmaal met een strenge berisping afloopt. Ik denk wel, dat ze allebei reeds genoeg gestraft zijn en het hun een harde les is geweest. Ik denk tenminste niet, dat ze in het vervolg zoo gemakkelijk zullen toegeven aan dergelijke slechte neigingen. Nu jongens, we gaan weer aan ’t werk.”

Deze heele gebeurtenis had echter vrij wat tijd [201]in beslag genomen en eer ze ’t wisten, was het twaalf uur.

„Nou gaan we naar de Hooge Brug,” zei Puckie. „Ambro en Wim zullen er zeker zijn.”

„Wat zullen ze opkijken, als we ze vertellen van ’t hoog bezoek op school,” zei Karel.

„Ik vind ’t tòch een vuile streek,” zei Piet.

„Ja,” zegt Chris. „Dat je nou één pijpie wegneemt is nog daaraan toe, maar ze waren met niet weinig tevreden.”

„Neen Chris,” vond Paul. „Dat maakt geen verschil, gappen is gappen. En als ze iederen dag zoo’n pijpie stelen, hebben ze er in één maand dertig.”

„Ja,” vielen de andere jongens Paul bij. „Hij heeft gelijk.”

„Zouden ze de kast nou in kunnen draaien?” vraagt Piet.

„Minderjarigen komen niet in de kast,” merkt Karel op. „Die gaan naar een tuchtschool.”

„Jongens, wat ben jij op de hoogte van de wet. Of heb je al es in de bajes gezeten,” lacht Puckie.

„Ik niet,” zegt Karel ernstig. „Maar ik weet van een jongen, die tot driemaal toe schoenen gegapt had en die toen in een tuchtschool werd opgeborgen.”

„Dan had ie er vast gebrek aan,” zegt Paul nadenkend. „Want wie van ons zou ’t nu in z’n hoofd krijgen om een paar laarzen te gappen.”

„Ja, ’t is gek,” filosofeert Piet. „Meestal gappen ze waar ze behoefte aan hebben.” [202]

„Ja, da’s waar,” merkt Chris droogkomiek op. „Koos had zoo’n behoefte aan een appeltje!”

De jongens schieten in een lach.

„Wat zat ie ’m anders te knijpen, die brave broek.”

„Zeg nou eens eerlijk,” zegt Chris plotseling. „Wie van jullie heeft nog nooit wat gegapt?”

„Gegapt, gegapt!” bromt Puckie.

„Neen,” zegt Chris. „Geen smoessies, gappen, wegnemen, ’t is allemaal hetzelfde en of ’t een pijp kaneel of een kner is, of een koekje uit de trommel van je moeder, ’t is allemaal één pot nat.”

„Ja,” zegt Paul. „Uit de provisiekast heb ik wel eens gesnoept.”

„En ik heb rozen van de buren gekaapt,” zegt Piet.

„Met voorbedachten rade?” vraagt Karel deskundig.

„Jawel Edelachtbare,” lacht Piet.

Al pratende zijn de jongens de Hooge Brug genaderd en Piet geeft een krijgskreet, die onmiddellijk beantwoord wordt.

„Ja jongens, ze zijn er.”

En in een drafje gaat het nu op ’t doel af.

Op dit uur is het in den Dierentuin zeer stil; bezoekers zijn er niet en de werklieden zijn aan ’t schaften.

De Hooge Brug is dus veilig voor hen.

„Is er niemand in de buurt,” vraagt Karel.

Ze speuren allen rond.

„Niets te zien,” zegt Chris. „Kom, vlug er onder.”

En allen wippen over de grasstrook die zich [203]onder de Brug voortzet en vinden Ambro en Wim in hun nieuwe vergaderplaats.

Ambro, die statig wilde opstaan, maar bijtijds bedacht, dat hij bij die beweging hevig z’n bol zou stooten, begroette ze met een plechtig handgewuif en sprak op verheven toon:

„Hoofden van Lebak, ik groet u allen zeer en ik zeg u, dat er vreugde in mijn hart is, u allen hier bijeen te zien, luisterende naar de woorden van mijn mond.”

„Val in drieën op den grond,” dolt Chris.

„Laat me uitspreken,” zegt Ambro verontwaardigd. „Hebben we hier een fijn plekkie, of niet? En kijk hier es, overal struiken, die heb ik vanmorgen hier neergezet, ze kunnen ons nooit ontdekken, maar jullie moeten nou es probeeren je muil te houden.”

„Wat kan Ambro z’n woorden toch mooi kiezen,” merkt Paul op, die nog onder den indruk is van de plechtige begroeting.

„Och, jôh! dat heeft ie uit ons taalboekie, al die flauwe kul kent hij uit z’n kanes,” zegt Chris, daarmee Ambro allen roem ontnemend.

„Laten we hun nou vertellen van vanmorgen,” zegt Puckie, die brandt van verlangen om het verhaal op te disschen.

Ze laten hem dan ook dat genoegen en Wim en Ambro krijgen in kleuren en geuren het drama van dien morgen te hooren.

„Vertroost-me, wat ’n jammer, dat ik er niet bij was,” zegt Ambro. „Alle ochtenden zijn even [204]saai en als er een lolletje is, ben ik er niet.”

„Nou, een lolletje was ’t niet,” zegt Paul.

„Nee, jij hebt tranen met tuiten gehuild,” plaagt Piet. „Je oogen zien nòg rood.”

Ambro en Wim gaan er echter niet verder op in, vol als ze zijn van een nieuw plan.

„We hebben wat fijns uitgevonden,” zegt Ambro. „We komen na vieren weer hier en dan gaan we visschen.”

„Visschen, hier! Dat hebben ze toch zoo in de smiezen,” zegt Karel.

„O, neen, man!” zegt Wim. „Dat zal je gewaar worden. Ambro, hoe zouden we ook weer doen?”

„Nou, we hebben niks anders noodig, dan een touwtje met een kromme speld, een kadetje en een krant.”

„Ik snap er niks van,” zegt Chris.

„Dat is een manier van lik-me-vessie,” zegt Puckie. „Daar vang je immers niks mee.”

„Niet meedoen, hoor!” zegt Ambro korzelig. „Vooral niet! Jullie zijn ezels. Eerst afwachten en dan keffen.”

„Nou, dan zullen we maar geduld hebben,” zegt Paul. „Wat Ambro voorstelt mislukt haast nooit.”

„Ik mot ’t eerst zien,” houdt Chris vol.

„Dat zal je, zuurdeesem,” lacht Ambro. „Maar nou gaan we naar huis, want ik heb trek in me „kuchie”.”

— — — — — — — — — — — — —

Prompt kwart over vieren komt de bende terug bij de Hooge Brug waar Ambro’s plan volvoerd moet worden. [205]

Wim wacht hem reeds op.

„Zei de oude niks, dat je er vanmorgen niet was,” informeert Wim bij Ambro.

„Nee hoor, hij schijnt er langzamerhand aan te wennen. Heb je touw bij je?”

„Ja, een heele dot.”

„Goed zoo, ik heb al ’t andere. Nou zal ik jullie uitleggen, hoe we ’t ’m lappen. Zien jullie dit touwtje? Daar gaat aan ’t eind een kromme speld aan, die dient als vischhaakje, snappez-vous? Nou een pilletje brood er aan en ik wil met jullie wedden, dat ik binnen drie minuten een voren bij jullie breng.”

„Wat een opschepper,” begint Chris weer. „Ja, die laat zich nemen met een kromme speld! Maar niet heusch!”

„Wachten jullie nou maar even. Van onder de brug uit kunnen jullie me ’m eruit zien trekken. Maar ik moet eerst even koekeloeren of er niemand in de buurt is. Hou de krant klaar, Wim, daar moet de heele buit in. En dan gaan we ze bakken op ’t weiland bij den Provenierssingel.”

„Tsjonge, jonge, wat zulle we smulle!” sart Puckie. „Ik mot vanmiddag geen eten, ik krijg gebakken voren.”

„Nou, weg ben ik!” en met springt Ambro behoedzaam van onder de brug, wipt de grasstrook over en wandelt de brug op, terwijl hij overal rondspeurt of er geen onraad is. Als hij alles veilig bevonden heeft, zien de jongens kleine stukjes brood in ’t water vallen. [206]

„Kijk es, hij lokt ze,” roept Karel vol spanning.

„Dat kost ’m z’n heele kadetje en hij vangt er geen een,” zegt Piet.

In minder dan geen tijd zien ze aan de kringetjes op het water dat de visschen, die gewoon zijn aan een dergelijke tractatie, van alle kanten komen toezwemmen. Af en toe zien ze een zilverwit vischje in dartelen sprong even boven het water uitkomen.

„Wat een zooi zijn d’r,” zegt Chris. „Dat wordt wat, hoor!”

„Zie je wel,” zegt Paul. „Je kunt Ambro, heusch, altijd gelooven.”

Ambro is intusschen opgehouden met brood strooien en laat nu zijn touwtje met de speld zakken.

De jongens kijken vol belangstelling toe. Niet zoodra heeft het touwtje de oppervlakte van het water bereikt, of de argelooze visschen loopen er in en een hapt er in het stukje brood. Vliegensvlug trekt Ambro met een hevigen ruk het touw in en jawel! hij slaat een voren op den kant. De jongens kunnen niet nalaten luidkeels een hoeratje aan te heffen.

Maar Ambro, die zoo gauw hij kon, met z’n buit bij hen onder de Brug is gekomen, beveelt onmiddellijke stilte.

„Zóó moeten jullie maar doen, boerenhengsten, dan zijn we dit plekkie ook gauw kwijt.”

„Reusachtig,” zegt Chris. „Ik trek me woorden in, Ambro. Hij is alweer reusachtig! Heel deftig [207]en bedaard slaat ie me daar een visch aan den haak en wat een kokkert!”

„O, ben je bijgedraaid, ongeloovige Thomas! Wanneer zal jij nou es gelooven aan de magische kracht van den beroemden toovenaar Hadschi Baba!”

„Mag ik ’t eens probeeren, Ambro?” vraagt Puckie.

„Probeeren mag je ’t, maar nou geloof ik op mijn beurt, dat ’t je nog niet zoo glad zal afgaan.”

„Poeh! Ik heb nou gezien hoe ’t moet. Geef maar gauw het touwtje.”

„Alsjeblieft majesteit! Toon nou je kunsten. Maar kijk uit!”

Puckie gaat nu op zijn beurt aan ’t werk, doch telkens ondervindt hij, dat de visschen wel in het brood happen, maar niet in de speld.

„Hij is te langzaam, ik wist het wel,” zegt Ambro op stelligen toon. „Ja, ze zijn gek, ze zullen op hèm wachten!”

Puckie geeft het eindelijk op en komt met beschaamde kaken bij ze terug.

„Kijk die visch es springen,” hoont Chris. „Nou maar jij ken ’t. Als je nog even doorgegaan hadt, was de vijver leeg geweest.”

„Stik,” is ’t eenige antwoord van Puckie, die zichzelf overschat had.

„Nou, jongens, nog een paar dagen en dan gaan we ze bakken.”

„Vang jij ze dan maar,” zegt Wim. „Wij zullen er toch wel geen slag van hebben en anders zitten we hier morgenochtend nog.” [208]

Het blijkt alweer, dat de visschen Ambro goed gezind zijn, want van de viermaal, dat hij het touwtje liet zakken, sloeg hij er driemaal een uit.

De buit werd in de krant gepakt en de bende passeerde met het braafste gezicht van de wereld den niets kwaads vermoedenden portier.

„Nou naar het weiland, vooruit, jongens, loopen! ’t kan nog best voor zessen,” en in vollen draf hollen ze naar het nieuwe doel.

Daar gekomen, vragen ze zich af, hoe ze die visschen nu gebakken krijgen.

„We hebben niet eens boter,” zegt Karel.

„We laten ze in d’r eigen vet gaar smoren,” zegt Piet.

„Die spreekt al van bakken! Hê-je wat om ze in te doen?”

„In Puckie z’n pet!”

„Ja, da’s waar,” zegt Ambro.

„Daar hebben we niet aan gedacht, maar aan den slootkant liggen meestal oude ketels en pannen, wie weet is er niks bij.”

Ze gaan nu met z’n allen zoeken. ’t Is er een rommelig zoodje daar aan dien slootkant, je vindt er alle mogelijke voorwerpen die er door de bewoners van den achterkant neergegooid zijn; ’t is een formeele vuilnisbelt; aardappelschillen, koolstronken, leege flesschen, oude schoenen, stukken tapijt en vooral ook leege inmaakbusjes en ketels zonder bodem.

Puckie houdt triomphantelijk een leeg inmaakbusje omhoog. [209]

„Kijk es, jongens, is dat niks?”

„Ja, dat zal wel gaan,” zegt Ambro.

„Een oude koekenpan was beter.”

„Die heb ik hier,” roept Piet plotseling en hij rent op een plat ijzer voorwerp af, dat half boven het water uitsteekt. Maar bij het uit ’t water halen blijkt, dat ’t geen koekenpan, maar een oud vuilnisblik is.

„Toch beter dan een busje,” roept Ambro op beslisten toon.

„Daar kunnen ze plat in bakken.”

„Maar hoe krijgen we dat boven het vuur?” vraagt Karel. „Ik houdt ’t niet vast, want dan brand ik m’n klavieren.”

„Ik heb al wat,” roept Paul verheugd en hij komt met een eind prikkeldraad aandragen.

„Juist,” zegt Ambro. „Nou zijn we klaar. Daar hangen we ’t blik in, en binden ’t aan drie stokken boven een vuurtje; zal je dat effetjes fijn zien branden.”

Drie lange stokken zijn gauw gevonden. Ambro heeft met zijn beroemd zakmes drie wilgentakken afgesneden. Die worden kruislings op den grond geplaatst en van boven met een touwtje verbonden. Na veel moeite hangt het vuilnisblik te bengelen aan het ijzerdraad.

„Nou houtjes zoeken voor ’t fikkie, jongens,” zegt Wim.

Alles komt aandragen met houtjes en papieren en Ambro maakt daarmeê het vuurtje aan.

„We hebben nog lang niet genoeg,” zegt hij. „Zoo krijgen we ze maar half gaar.” [210]

„Moet het blik niet eerst schoon gemaakt?” vraagt Paul bezorgd.

„Hoor zoo’n viesneus! Wie d’r vies is krijgt niks!”

Piet merkt heel gewichtig op, dat alle schadelijke bestanddeelen door het vuur vernietigd worden.

„Prefester Piet zal ’t weten,” dolt Ambro.

„Die eene leeft nog,” zegt Puckie terwijl hij de krant opendoet waarin de visschen opgeborgen zijn.

„Dat zal niet lang meer duren,” merkt Chris op. „Z’n laatste uur heeft geslagen.”

„We zullen ’m Jeanne d’Arc noemen, die werd immers ook gebakken boven een houtvuurtje.”

Intusschen laaien de vlammen onder het vuilnisblik hoog op en Ambro heeft al aan zijn hand ondervonden, dat hij het blik niet ongestraft beet kan pakken.

„Vertroost me, wat is dat heet!” zegt hij, terwijl hij twee vingers in z’n mond steekt. „Vooruit, Puckie, geef op ’n visch, we zullen met één beginnen, dan zien we wat er van komt.”

Een der slachtoffers wordt netjes op het blik gelegd en begint hevig te sissen.

„Gelukkig maar, dat ie er niks van weet,” zegt Paul.

„De vissche hebbe geen wetenskap, jongeheer,” zegt Chris.

„Dat zei onze vischboer laatst.”

„Ik geloof, dat er niks van overblijft,” zegt Ambro, die met een bezorgd gezicht de visch steeds kleiner ziet worden.

„’t Is net een sigaar,” zegt Chris. [211]

„Hij gaat in asch op.”

„Je moet hem keeren,” raadt Piet aan.

Die raad wordt onmiddellijk opgevolgd en Ambro tracht met een houtje de zwarte massa om te keeren, maar deze blijkt één te zijn geworden met het vuilnisblik.

„Ik heb ’t je wel gezegd,” verwijt Karel.

„D’r hoort boter bij, de bodem moet eerst vet gemaakt”

„Kok in de keuken,” galmt Ambro.

„Maar hoe komen we nou aan vet?”

„Uit Chris z’n haar,” roept Puckie.

„Die heeft toch zoo’n pomadekoppie.”

„Hij is jaloersch op me scheiding, met de meeste zorg gekweekt. Die is meer waard dan die kaaskop van jou!” lacht Chris terug.

„Als we nou es probeeren, met één vischje de pot vet te maken om de rest daarin te bakken,” zegt Piet.

„Ja, dat moet kunnen,” vindt Ambro.

Wéér wordt een der gevangenen opgeofferd, in de hoop, dat daarmee het gewenschte doel bereikt zal worden.

Schijnbaar lukt ’t dezen keer nu beter en inderdaad zijn er plekjes, hoewel heel klein, aan te wijzen die eenigszins den indruk geven van gebakken visch.

Ambro is de eerste die het waagt zijn tanden in de lekkernij te zetten. Maar het gezicht, dat hij daarbij trekt toont den jongens voldoende, hoe afschuwwekkend de smaak ervan is. [212]

Met een onverstaanbaren uitroep spuwt hij het lekkere hapje uit.

„Zooiets heb ik m’n leven nog nooit geproefd, dat is je reinste vergift!”

„Dan zullen we ’t met den laatsten maar niet meer probeeren,” zegt Puckie.

„Zonde, dat we ’m nou voor niks uit het water hebben gehaald,” vindt Paul.

„Hij is niet verloren,” roept Karel.

„Ze kunnen ’m thuis bakken.”

„Ja, ze zullen je zien aankomen, met één katvischje!”

„Voortaan moeten we de spullen in orde hebben en voor een koekenpan en boter zorgen. Er zit nog visch genoeg,” zegt Ambro.

„Laten we dan Zaterdag nog eens gaan,” stelt Chris voor, „En laten we dan eerlijk een pan en een stukje boter te leen vragen, want als we ’m gappen, komt de inspecteur ons kookgerij op school halen.”

„Afgesproken, ik zorg voor boter,” zegt Ambro. „En ik wou, dat ik dien vuilen smaak kwijt was!”

„En dan zal ik moeder een koekenpan vragen,” zegt Wim. Ze aanvaarden nu de terugtocht en laten hun hoogst modern kookstel op de weide staan.

De voorbijgangers zullen het zeker aangezien hebben voor de overblijfselen van een Indianenkamp. [213]