No. 4. De oorsprong der Caraïben. (C.)

De water-camoedi* beminde een Indiaansch meisje. Des nachts nam het monster menschengedaante aan. Overdag werd het weêr slang. Het paar was gewoon, elkander geregeld aan den rivieroever te ontmoeten, maar de ouders van het meisje waren onkundig van dit samenzijn.

Dit had zoo een poos geduurd, toen een jonge camoedi geboren werd. Het jong vertoonde zich nu en dan op een zandbank, zwom in het water heen en weêr en keerde daarna weder naar het nest terug.

Toen het meisje zoo lang wegbleef, zei de vader tot zijn beide zoons: „Wat is er toch met jelui zuster. Waarom blijft zij zoo lang in het bad?” Daar de zoons er ook niets van begrepen, werd overeengekomen, dat zij naar den rivieroever zouden gaan om haar te bespieden. En wat zagen zij? Hun zuster in teedere omarming met een waterboa en in de nabijheid van het verliefde paar een jonge camoedi. Zij bleven kijken en zagen, dat de oude camoedi aan zijn jong eten bracht.

Toen de zoons, weêr in de hut teruggekeerd, aan den ouden man vertelden wat ze hadden gezien, schrok hij hevig en beval de camoedis onmiddellijk te dooden.

Bij de eerste goede gelegenheid deden ze wat hen bevolen was. Zij doodden den oude en sleepten het jong naar het achterliggende bosch, waar zij het in een menigte stukjes sneden.

Eenige maanden later, toen zij in den omtrek aan het jagen waren, hoorden de broêrs een groot lawaai en het [77]geluid van een menigte stemmen, dat van de plek scheen te komen, waar zij de jonge camoedi gedood hadden; en toen zij zich in de richting begaven, van waar de stemmen kwamen, zagen zij juist op de plek, waar zij de jonge slang in stukken hadden gesneden, vier hutten, elk bewoond door Indianen, die uit de stukken van de jonge camoedi te voorschijn gekomen waren.

In de voorste hut zei de oudste der bewoners tot de broêrs, dat hij verheugd was, hen als hun ooms te kunnen verwelkomen; maar in de andere drie wilden de Indianen hen dooden, omdat zij het kind van hun zuster, waaruit zij geboren waren, gedood hadden. Maar de Indiaan uit de voorste hut zei: „neen, doe dat niet, want deze twee bezoekers zijn immers jelui ooms, en jelui moet hen daarom genegen zijn.”

En zoo gebeurde het, dat de beide broêrs onverlet bij hun ouden vader kwamen, wien zij vertelden, dat uit de deelen van de stuk gesneden jonge camoedi menschen waren gegroeid.

De vader was nu zeer verheugd en kon nauwelijks wachten, zijn kleinkinderen te zien. Met zijn zoons begaf hij zich den anderen morgen vroeg op weg en toen hij zijn talrijke nakomelingschap zag, was hij zóó verrukt, dat hij voorstelde, de gebeurtenis met paiwarri* te vieren.

En zoo zijn de Caraïben uit een water-boa voortgekomen.