De dochter van een piaiman werd tot over de ooren verliefd op een dapperen, jongen jager; maar deze nam weinig notitie van het meisje. Zij wendde zich nu tot haar vader, en klaagde hem haar nood, er bij voegende, dat [80]de jonge man toch een vrouw diende te hebben, die hem bij zijn thuiskomst kon verzorgen. Het meisje smeekte nu haar vader, om van haar een van ’s mans honden te maken, zoodat zij altijd bij hem zou kunnen zijn.
„Neem dit vel”, zei de vader, „en hang het over je schouders. Wees bevrijd van je dolzinnigheid, en—kom weêr bij je vader terug.” Het meisje veranderde nu in een hond. Telkens, wanneer nu de jonge man met vier honden op jacht was, rende er altijd een in den namiddag weg, die niet langer aan den strijd wilde deelnemen—en wat vreemder was, als de jager in zijn hut terugkeerde, vond hij het vuur branden, zijn cassavebrood gebakken, en alles netjes en helder.
De man dacht, dat hij dit alles aan een van zijn buren te danken had, wien hij daarom een bezoek ging brengen, om voor de zorg te bedanken. Maar niemand wist iets van het geval. „Het mag dan misschien een of andere Geest geweest zijn, die medelijden met mijn eenzaamheid heeft gehad,” gaf hij ten antwoord. Toen hij deze woorden sprak, zag een zijner honden hem zoo vreemd aan, alsof hij zeggen wilde: „ik weet er ook niets van.” De man begon nu over het geval te piekeren.
Den volgenden dag, toen hij weêr op jacht was, telde hij zijn honden en bemerkte hij, dat er maar drie waren, „Ik ga toch eens zien, wat jelui kameraad is gaan doen,” zei hij tegen het drietal, „ik zal jelui zoo lang aan dezen boom vastbinden.”
Stil en geruischloos naderde hij nu zijn hut en zag daar tot zijn verbazing een allerbekoorlijkst meisje, dat druk bezig was, cassavebrood voor hem te bakken, terwijl hij de betooverde huid, die hem het geheim oplostte, tegen den hutpost zag hangen. Hij sprong nu de hut in, greep het vel met een verlicht hart, zeggende: „Niet langer zal dit bekoorlijk meisje, dat zich op deze wijze verbergt, [81]meer toovermacht over mij hebben”, en terwijl hij dit zei, wierp hij het vel in het vuur. Het meisje wilde het grijpen, om haar schoonheid te verbergen, en begon luid te weenen. Dit maakte blijkbaar indruk op hem, want hij riep uit: „Ga nu naar je vader; ik zal je volgen en je vragen, mijn schoone bruid.”