Tawaroe-wari, een Caraïb, was eens op een dag zoo gelukkig een jongen arend te vangen. Hij bracht het dier naar zijn hut en maakte het spoedig geheel tam. Tawaroe-wari moest er nu geregeld op uitgaan, om jonge baboens voor hem te schieten. De brulapen vonden dit alles behalve prettig en zij belegden een groote vergadering, waarin zij beslisten, dat wanneer de man zich weêr in hunne nabijheid vertoonde om een hunner te dooden, zij hem in handen zouden zien te krijgen en hem aan een boom zouden ophangen. Toch schoot Tawaroe-wari korten tijd daarna weêr een baboen. Een menigte baboens daalden toen uit de boomen neêr, omsingelden en grepen hem. Daarna hingen zij hem met een liaan, die zij uit de boomen los maakten, op, en, na hem op vreeselijke wijze bevuild te hebben, lieten zij den man aan zijn lot over. Voor zij allen vertrokken, riepen zij: „zoo is het goed; nu zullen de arenden hem komen opeten.” Maar deze deden het niet, [96]want al spoedig daalde een groote arend, die den man van verre had geroken, tot dicht bij hem neêr, en vroeg hem, waarom hij op deze wijze was opgehangen. „Alleen, omdat ik baboens heb geschoten”, antwoordde hij. Toen de arend verder vroeg, voor welk doel hij ze noodig had en hij ten antwoord gaf, dat het was om voor een jongen arend, dien hij in zijn hut verzorgde, eten te hebben, maakte de vogel onmiddellijk de lianen los, gaf hem de vrijheid, en daarbij nog twee baboens voor den baby-arend meê, die hij nog gauw even had bemachtigd.