No. 18. Amanna en haar praatzieke man. (C.)

Verhit door den drank van een groot paiwarri-feest, nam een Indiaan zijn weg naar het water, om zich te baden en wat op te frisschen. Toen hij er aankwam, ontmoette hij Amanna, een van de geesten der Okoyoemo’s, een aantrekkelijke jonge vrouw, die hem vroeg, haar in het water te vergezellen. Eerst had hij er wel wat op tegen, maar toen zij bleef aanhouden, kon hij ten slotte niet langer aan haar bekoorlijkheden weêrstand bieden. Toen hij op het laatste oogenblik toch niet nalaten kon, haar toe te voegen, dat hij er haast zeker van was, dat men hem zou willen verdrinken, voegde zij hem toe: „Wees niet bevreesd, ik zal goed op je passen en zorgen, dat er geen kwaad met je gebeuren kan”. Zij doken nu samen onder, en toen zij op den bodem van het water aankwamen, zag hij een aantal hutten, vol met volk, waaronder vele jonge vrouwen. Hij voelde zich nu erg tevreden, vooral toen deze hem drank aanboden. Amanna verbood hem er echter van te gebruiken en nam hem meê naar haar ouden vader, die hem hartelijk verwelkomde en zijn dochter op het hart drukte, goed op hem te letten.

Dit deed zij ook.

In dien tusschentijd was de moeder over het lange wegblijven van haar zoon ongerust geworden; zij volgde [106]het spoor, dat helaas naar de rivier leidde. „Mijn arme zoon zal verdronken zijn”, dacht zij, en zij begon naar zijn lijk te zoeken. Maar overal te vergeefs. Zij keerde bedroefd naar haar dorp terug, in de vaste meening, dat haar zoon dood was.

Geruimen tijd was er voorbijgegaan, toen de man het verlangen kreeg, om zijn moeder een bezoek te brengen. Hij rees uit het water omhoog en sloeg den weg in naar zijn oude woonplaats. De moeder, verheugd haar zoon weêr te zien, vroeg hem, waar hij al dien tijd was geweest; en hij vertelde, dat hij een verre wandeling had gemaakt. De oude vrouw was echter met dit antwoord niet tevreden, en zei tot haar zoon: „Je moet niet meer van me weggaan, want ik ben oud en lijd honger; je jongere broêr kan mij niet ondersteunen en ik heb geen andere kinderen dan jelui beiden”.

Maar haar zoon, die een wilden aard had, luisterde niet en vertrok nog dienzelfden namiddag naar zijn vrouw, de Watergeest, terug. Ditmaal bleef hij nog veel langer weg dan de eerste maal. Toen hij nu na zijn tweede afwezigheid weêr eens naar zijn moeder kwam zien, vond hij haar met zijn kleinen broêr weêr aan het drinken van paiwarri. De jongen begon hem uit te vragen, waarom hij toch bij het Okoyoemo-volk verblijf hield. Dit verontrustte hem, en onder het uitroepen van: „Hoe durf je me zoo’n vraag te doen?” holde hij weg en verdween hij weêr onder water, waar hij nog langer bleef dan den tweeden keer.

Er verliep nu weêr een lange tijd, gedurende welke Amanna hem drie kinderen had geschonken, en toen de man weêr zijn wensch te kennen gaf, zijn moeder te willen bezoeken, voegde hij er bij, dat hij graag zou zien, dat Amanna hem vergezelde. Zij vond het goed, op voorwaarde, dat de kinderen thuis zouden blijven. [107]

Toen het paar in de ouderlijke hut aankwam, was de oude moeder met haar zoon weêr bezig met het drinken van paiwarri, maar ditmaal was de broêr bepaald dronken, en weêr kon deze niet laten de vraag te doen, of hij onder het Okoyoema-volk bleef wonen? Ja, dat doe ik, zei de man geprikkeld, en hier heb je mijn vrouw Amanna, die tot die natie behoort!

Zoodra Amanna dit hoorde, holde zij naar de waterkant, en plonste zij onder water. Haar man vluchtte haar na, maar niet zoodra was hij ook onder water gekomen, of zijn vrienden en verwanten vermoordden hem, omdat hij aan zijn moeder haar naam had genoemd, en verteld had, waar zij van daan kwam.