Twee jongens hadden ieder eens een springval gezet, om Maipoeri* te verschalken. Eens op een dag kwam de jongste uit het bosch terug en riep: ik heb een tapir gevangen. Dit maakte den oudste jaloersch, die zei: „als je me voor den mal hebt gehouden, zal ik je vermoorden.” Samen gingen zij toen naar het bosch en zij zagen werkelijk den tapir met een zijner pooten gevangen in de knip. De oudste doodde het dier, sneed het vleesch af, en nam alles voor zich alleen, alleen de ingewanden voor den jongste overlatende. Deze liep daarop naar zijn moeder, vertelde haar, hoe gulzig zijn broêr geweest was en haalde haar over, om met hem naar elders te vluchten. Toen zij met hun tweeën een grooten afstand hadden afgelegd, kwamen zij aan een hoogte. Hier sprak de jongen: „Moeder! sluit uw oogen en zeg: ik verlang hier een veld met bananen en patatten*, met een hut er vlak bij.” De oude moeder deed het, en kijk! alles was er wat zij gewenscht had.
Langen tijd leefden de twee hier tevreden en gelukkig, maar de moeder begon oud te worden. Haar zoon zei toen eens: „Moeder! Sluit uw oogen en zeg: ik wensch weêr een jong meisje te zijn.” Zij deed wat de jongen gezegd had, en ziet, zij was onmiddellijk een zóó lief en aantrekkelijk meisje geworden, dat haar zoon trots op haar was, en dat het verlangen bij hem opkwam, haar ook door anderen te laten bewonderen. Hij zei toen weder tot zijn moeder: „Moeder! sluit uw oogen en zeg: ik wensch dat [122]mijn oudste zoon hier komt.” En nauwelijks had zij die woorden uitgesproken of de oudste zoon stond vóór haar.
Zij had nu een bezoeker, en natuurlijk moesten zij paiwarri* hebben. De jongste zoon zei al weêr aan de moeder, dat zij haar oogen moest sluiten en drank verlangen moest en—weêr werd aan haar verlangen voldaan en stond er een groote pot met paiwarri gereed.
Alle drie begonnen nu te drinken, totdat de oudste jongen op het laatst zóó dronken werd, dat hij de lieftallige jonge vrouw begon te liefkozen. „Hoe durf je dat te doen,” vermaande hem zijn jongere broêr. „Weet je dan niet, dat zij je moeder is?” „Neen, ik weet het niet,” antwoordde de oudste, „en wat meer is, ik geloof het niet!” Toen hij voortging met zijn liefkozingen, begonnen de beide zoons te vechten.
Toen de oudste eindelijk uit zijn dronkenschap ontwaakte, zag hij, dat hij geheel alleen was in een vreemde bouwvallige hut; er bleef voor hem nu niets anders over, dan troosteloos naar zijn woonplaats terug te keeren.