No. 27. De honigbij en de zoete drank. (W.)

Er waren eens twee zusters, die voor haar broêr zorgden, en al haar best voor hem deden, maar die geen drank konden bereiden, die naar zijn smaak was. De broêr vond het niets prettig, en kreeg er nu genoeg van; hij beklaagde zich bij zijn zusters, zeggende, dat hij iemand zou willen vinden, die voor hem een lekkeren zoeten drank zou kunnen bereiden, even zoet als honig. De zusters verzetten zich er niet tegen, en zeiden, dat zij maar al te gelukkig zouden zijn, wanneer hij de geschikte vrouw vond, die drank naar zijn smaak kon maken.

Eens op een dag, toen hij door het bosch ging, sprak hij luide zijn wensch uit, dat hij een vrouw verlangde, die een drank zou weten te bereiden, even zoet als de honig, die de bij weet te maken. Niet zoodra had hij zijn wensch uitgesproken, of hij hoorde voetstappen achter zich en omziende, zag hij een vrouw naar zich toekomen. „Wat wilt ge, waar gaat ge heen? Ge sprak mijn naam Kohóra* uit. Welnu hier ben ik.” De man, erg verheugd, maakte haar zijn wensch en die van zijn zusters kenbaar en toen zij hem vroeg, of hij dacht, dat zij bij zijn familie in den smaak zou vallen, antwoordde hij, dat hij daar zeker van was. [125]

Kohóra ging dus met hem mede naar zijn hut, en toen zijn ouders hem vroegen, hoe hij aan haar gekomen was, antwoordde zij, dat zij meê was gekomen, omdat hun zoon haar geroepen had. Zij begon nu den gevraagden drank te bereiden. En hoe deed zij dat? Wel, zij had slechts haar pink in het water te steken, daarmeê het water wat om te roeren, en de drank was gereed. De drank smaakte zoet! zoet!! zoet!!! Nooit nog had de drank zóó lekker zoet gesmaakt. Van dien tijd af hadden zij nu altijd een zoeten drank; want telkens als Kohóra haar man water bracht, had zij haar pink er in te steken, het wat om te roeren en het op deze wijze zoet te maken. Maar ten slotte begon de man al dat zoete te vervelen, en hij begon er met Kohóra over te twisten. „Wel, dat is grappig”, zei ze, „je verlangdet zoeten drank; je riep mij, om dien voor je te bereiden. Ik kwam; ik maakte een lekkeren, zoeten drank voor je, en nu ben je nog niet voldaan. Je kunt er nu zelf voor zorgen”. En pas had zij deze woorden uitgesproken, of zij verdween oogenblikkelijk.

Van dien tijd af is het volk gestraft geworden, want het moet zich veel moeite geven, om in de boomen te klimmen, den honig uit den boom te snijden, en moet het den honig zuiveren, om hem voor zoetmakende doeleinden te kunnen gebruiken.