Penalo ame weipiompo. Eertijds, voor nog de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, enz., leefden de Caraïben zeer ongelukkig met hunne vrouwen. Zij mishandelden haar en, als zij op jacht zijnde, wild schoten, aten zij het vleesch alleen op en gaven hunne vrouwen en dochters slechts het oneetbare overschot.
Ten laatste konden de vrouwen zulk een hondsch leven niet langer volhouden. Toen dan ook een oude vrouw voorstelde, hare mannen te verlaten en in het woud te vluchten, stemden allen van harte toe.
In stilte, wanneer de mannen op jacht waren, vervaardigden zij bogen, pijlen, knotsen enz., waarmede zij in dien tijd even goed konden omgaan als de mannen. Toen alles gereed was, verlieten zij op een goeden dag hare woonplaatsen. Oude vrouwen, meisjes, zuigelingen van het vrouwelijk geslacht, allen verlieten de plaats, waar zij zooveel leed hadden doorstaan. Alleen de zoontjes bleven in de kampen achter.
De mannen, die weldra van de jacht terugkeerden, ontstaken bij het zien der ledige hutten in hevige woede. Gewapend snelden zij de vluchtende vrouwen achterna en bereikten haar in een dicht woud. Doch ziet, instede van smeekende, onderdanige wezens vonden zij tijgerinnen. Van verre werd hen toegeroepen: „Gij hebt ons mishandeld en gemarteld; liever dan tot u terug te keeren, zullen wij ons laten dooden”.
De dreigende houding der vrouwen deed de mannen van taktiek veranderen. Zij begonnen te smeeken. „Wat zullen wij zonder vrouwen doen?” riepen zij uit. „Hoe zullen wij het geslacht voortplanten en den Dubbelgeest dienen?”
Dit geklaag der mannen trof het hart van enkele vrouwen en deze keerden tot hare echtgenooten terug. Maar de meesten weigerden en zeiden: „Wij zullen u [146]toestaan ons te bezoeken; de zonen, die gij bij ons verwekt, kunt gij behouden, maar zoodra er een dochter geboren wordt, moet gij onmiddellijk vertrekken.”
De mannen, die gevoelden, dat het onrecht aan hunne zijde was, stemden gereedelijk toe, en zoo ontstond de natie der Amazonen (Mazwano) of man-vrouwen.