De geest van het kind is ten nauwste met den vader verbonden; hij tuurt op hem, volgt hem, waar hij ook gaat, en gedurende den eersten tijd is hij even innig met den vader vereenigd als hij het met zijn eigen kinderlichaam is, waarin hij kortelings is binnengedrongen. Hoe kan dan de vader naar het bosch en naar den kostgrond gaan, om bijl en kapmes te gebruiken, wanneer de geest van het kind, die hem overal volgt, zich als een [147]tweede schim tusschen deze werktuigen en het hout of de veldvruchten plaatst? Hoe kan hij in een boom klimmen, wanneer de geest van het kind dit eveneens probeert te doen, en dan natuurlijk zal vallen, zoodat dan het kind in zijn hangmat kwaad zal overkomen? Hoe kan hij jagen, wanneer de pijl misschien den hem vergezellende geest van het kind zal doorboren, wat ongetwijfeld de dood van het kind in zijn hangmat tengevolge zou hebben? Wanneer de vader, door bosch en akker dwalend, een tairoe*-blad ziet, dat volkomen gelijkt op een korjaal, varende op de rivier en voorzien van een heel kleine zitbank en daarin een miniatuur-pagaai, of wanneer hij over een omgevallen boom klautert … zal hij het kind dan niet verstoren? Want, wanneer de vader door het water waadt, zal de geest van zijn kind dan niet de kleine tairoeblad-korjaal moeten voort pagaaien, of wanneer hij over den boom tracht te komen, zullen dan de dunne stammetjes, die er tegen aan zijn komen te liggen, den geest van het kind niet in staat stellen, om te probeeren hem te volgen?… Niettegenstaande de grootste waakzaamheid, zal de kleine Geest verloren kunnen gaan, zoodat het lichaam in het hangmatje dan zal gaan kwijnen en sterven, indien ten minste de piaiman niet zoo gelukkig is, het terug te winnen.