Er leefde lang geleden een reusachtige water-camoedi* met een zeldzaam mooi gevlekte schubbenhuid: rood, geel, groen, zwart en wit kwam er in de mooiste patronen op voor. Het dier werd zulk een schrik voor alle levende schepsels, dat menschen en vogels, die in die dagen groote vrienden waren, zich eindelijk vereenigden, om het monster te vernietigen. De huid van het ondier zou [148]aan den eersten te beurt vallen, wien het gelukken zou, het gevaarte uit het water te krijgen.
Iedereen was echter bevreesd het aan te grijpen, maar ten slotte durfde de kormorant* het aan; deze stormde op den waterkant los, waaruit het monster een eind kaarsrecht omhoog rees, en schoot een pijl op zijn nek af—maar geen gewone pijl, doch een, die met een lijn aan een overhangenden boom was vastgemaakt—en met dit wapen werd het beest ten slotte aan land getrokken, waar het nu gevild werd.
Kormorant eischte nu de huid op, maar de andere strijders, die niet dachten, dat hij ooit in staat zou zijn, nu ook de zware huid weg te dragen, zeiden: „je kunt haar hebben”.
Kormorant knikte nu de andere vogels toe, alsof hij zeggen wilde: „jullie moet me helpen”, en toen zij allen het nu, ieder een deel van het vel vastgrijpend, klaarspeelden, de huid van den grond te lichten en naar een afgelegen plaats te dragen, zei Kormorant: „jelui kunt nu de huid zóó verdeelen, dat ieder dat deel krijgt, dat hij bij het wegdragen heeft beet gehad”.
Iedere vogel droeg nu zijn last op den rug weg, en sedert dien tijd is iedere vogel gemerkt met de tint van dat deel der slangenhuid, dat hij bij het dragen heeft vastgehouden: de Ara’s met rood en blauw of groen en geel enz … maar Kormorant kreeg als zijn aandeel de sombere tint van den slangenkop. Maar hij was er meê tevreden.