Penalo ame weipiompo. Eertijds enz. voor nog de grootvader van mijn grootmoeder geboren was, werden de oevers der Boven-Marowijne door talrijke Indianen bewoond. Maar hun aantal slonk bij den dag, wijl zij veel te lijden hadden van allerlei booze geesten, die zich niet door piaien lieten verdrijven. Vele Roodhuiden verlieten dan ook de behekste streken, ten einde zich te begeven naar Mazwano, een plaats, die zij reeds menigmaal in hunne droomen hadden bezocht. Ontelbare Roodhuiden woonden daar in kampen, die elken morgen schitterend verlicht werden door de morgenzon.
In het midden stond het wonderkamp van Tamoesi*. De [171]grond was wit als het glinsterende witte kwartszand der savanne. Wit was ook de kleur van de wateren, die door dit aardsche Paradijs vloeiden.
De Indiaansche God zag er geweldig uit. Zijn huid had, zooals van zelf spreekt, een roode kleur. Hij was versierd met vederen, franjes en kralen. In zijn hand hield Hij een ongehoord groote malaka*, waarin zich de geesten bevonden van alle wezens; de steel was als een Boa bewerkt.
Wanneer Tamoesi aan het piaien was, kon het geluid dagreizen ver gehoord worden. Priesters en andere Booze Geesten vluchtten dan ijlings naar de duistere wateren, zoodat de omtrek der Mazwano steeds rein en wit bleef. Daar toch heerschte slechts gelukzaligheid. Men dronk en danste er den geheelen dag. Overal liepen beeldschoone vrouwen den mannen achterna. Ziekten en sterfgevallen kwamen er nooit voor, terwijl Tamoesi van tijd tot tijd nederdaalde, ten einde met zijn geliefde, roode kinderen feest te vieren. Geen wonder, dat de Indianen, die na het doorstaan van vele duistere gevaren dit lustoord wisten te bereiken, geen lust gevoelden tot hun familie terug te keeren.
Door de piaimannen werd het losbreken der Booze Geesten toegeschreven aan een Pater, aan wien het gelukt was, vele Indianen tot het Christendom te bekeeren. En, zeiden zij, zoo dit niet ophield, zou de Marowijne geheel ontvolkt worden, wijl alle Indianen zich naar het Paradijs zouden begeven.
De Priester, die van zijn volgelingen vernomen had, wat de Roodhuiden tot de Mazwano aantrok, besloot een bezoek aan de plaats te brengen. Zulk een stoutmoedig plan verbaasde den Indianen ten zeerste. Ga niet, waarschuwden zij, want Paters worden niet in de Mazwano toegelaten. De Priester luisterde echter niet, doch vertrok, [172]vergezeld van eenige zijner bekeerlingen, in een boot. De reis duurde drie weken.
De piaimannen in de Mazwano waren door den Dubbelgeest in kennis gesteld, dat er gevaar naderde in den vorm van een Pater. Tamoesi was juist afwezig, en men besloot eens te probeeren, den stoutmoedige zedenprediker te bekeeren tot een piaiman. Alle slangenpriesters togen aan het werk. Zij piaiden de wateren, zoodat het vaartuig met groote snelheid naar de Mazwano werd aangetrokken. Nauwelijks hadden echter de Priester en zijn volgelingen voet aan wal gezet, of de wateren liepen terug, het vaartuig met zich sleurende.
In het Paradijs der Roodhuiden werd lustig feestgevierd. De lucht daverde van het geroffel der samboela’s* en het eentonig geluid der kwama’s*. Het aantal vrouwen was zóó groot, dat de Indianen, die in hunne hangmatten lagen, slechts de hand behoefden uit te strekken, om een wonderschoon meisje te grijpen. Niemand voelde ooit honger, doch slechts een voortdurenden dorst naar paiwarri*.
Bij het aanschouwen van dit, in zijn oogen zoo vreeselijk Paradijs, kon de Priester niet nalaten een zucht te slaken. De piaimannen lieten hem evenwel geen tijd tot bedenken. „Welkom vriend, in de Mazwano”, riepen zij hem toe, „gij zult hier een heerlijk leventje hebben”.
Verscheidene beeldschoone meisjes naderden thans met kalebassen vol drank. De Priester weigerde echter. „Wat”, riepen de piaimannen uit, „drinkt gij niet?” „Ja”, antwoordde de Pater, „maar slechts met mate”. „Danst gij?” „Neen”. „Hebt gij geen vrouwen?” „O! Neen”.
„Dan”, schreeuwden de piaimannen gebelgd, „moet gij nog de genoegens van het leven leeren kennen”. Zij wierpen zich nu op den weerloozen Pater, rukten hem de kleeren van het lijf, besmeerden zijn leelijk, wit lichaam [173]met mooie, roode koesoewé*, trokken hem een kamisa* aan en versierden hem met vederen, koralen en franjes. Toen werden hem opnieuw kalebassen met drank aangeboden.
„Drink”, riepen de piaimannen. De Priester weigerde echter, doch toen hij de dreigende aangezichten en de opgeheven apoetoe’s* om zich heen zag, dronk hij achtereenvolgens drie kalebassen leeg. „Braak”, werd hem toegebulderd. En hij braakte, waarna hem wederom drank werd aangeboden. Toen moest hij dansen en zingen, totdat hij van uitputting neêrviel en in een hangmat werd gelegd, om zijn roes uit te slapen.
Toen hij den volgenden morgen wakker werd, voelde de Pater iets naast zich in de hangmat. Hij keek en daar lag een beeldschoon Indiaansch meisje. Vlug (volgens de verteller uiterst vlug) sprong hij op en wilde hij wegvluchten. Maar de piaimannen grepen hem aan, en riepen hem toe: „Nu kent gij de genoegens van het Paradijs; wilt gij hier blijven?”
„Neen”, antwoordde de Pater.
Weder togen nu de piaimannen aan het werk; de wateren stroomden nu opwaarts en brachten de boot van den Pater met zich mede. Maar toen de Priester instapte, zag hij slechts één zijner volgelingen, een blanke, aan het roer staan. De overigen, alle Roodhuiden, waren voor de verleiding bezweken en hadden zich voor goed in de Mazwano gevestigd.
Weder keerde nu de koers van het water. Het vaartuig schoot stroomafwaarts, en eerst na een langen vermoeienden tocht gelukte het beide mannen het dorp der bevriende Indianen aan de Marowijne te bereiken.
Eenige vrouwen waren er juist bezig, cassave-brood te bakken, toen een harer toevallig opkeek en een gil van ontzetting slaakte. „In de verte komen witte Indianen”, riep [174]zij. Allen vluchtten dadelijk in de hutten, waar zij door de paloeloe*-bedekking heen naar de komenden gluurden.
De mannen van het dorp liepen hen echter tegemoet, en den Pater herkennende, riepen zij uit: „Wij hebben U wel gewaarschuwd, niet naar de Mazwano te gaan; maar gij hebt ons niet willen gelooven”.
„Gij hebt gelijk”, antwoordde de Priester, en hij vertelde alles wat hem daar was overkomen; toen hij eindelijk was gekomen aan het Indiaansche meisje, dat hij bij zijn ontwaken in de hangmat gevonden had, barstten zij allen in een schaterlach uit. Hun verstand ging het te boven, dat iemand zoo iets kon weigeren.
De verteller begreep echter zeer goed, dat in een dergelijk Paradijs de Paters, die juist matigheid en kuischheid prediken, niet kunnen geduld worden.