Men vertelt, dat in den ouden tijd een hongersnood was uitgebroken, die menig huishouden te niet deed gaan.
Heer Spin daarentegen keek het ongeluk vlak in het gezicht en begaf zich daarna bij zijn buurman Kakkerlak* die den landbouw uitoefende en nam bij hem een groote hoeveelheid aardvruchten op crediet; daarna ging hij naar zijn vriendin Hen en vroeg haar wat rijst. Van vriend Vos leende hij wat groente, van Tijger wat vleesch en ten slotte van een jager wat geschoten wild.
Eenige weken daarna kwam Kakkerlak bij heer Spin, om het geld in ontvangst te nemen, daar deze zijn schuld nog niet had voldaan.
Heer Spin was in de keuken.
„Goeden dag, vriend Spin!”
„Goeden morgen! Je zult lang leven, vriend; ik had juist besloten, vandaag het geld op te zenden. Ga even naar binnen, want het is hier warm. Ik kom aanstonds bij je, als deze banaan geschild is. Neem je gemak, doe alsof je thuis waart”.
Heer Spin bezat echter geen cent en verzon een list, om van zijn schuldeischers af te komen.
Na verloop van een kwartier riep Kakkerlak verschrikt uit: „Vriend Spin, ik ben verloren!”
„Verloren!”
„Hoezoo?”
„Kijk daarginds in de verte komt mijn vijandin aan!”
„Wie dan toch?”
„Hen!” [278]
„Is dat alles? Ga onder de canapé schuilen en blijf rustig zitten. Zij zal je niets doen; je kunt op mij rekenen!”
Kakkerlak liet het zich geen twee keer zeggen en kroop onder de canapé.
„Goeden dag, kapitein Spin!”
„Goeden dag, waarde vriendin!”
„Goeden dag, waarde vriendin”.—Zie blz. 278.
„Hoe is het met de kleintjes thuis? Ik kom bij U om de zaak.…”
„Zaak? Welke zaak! O! Geld zeker, is het niet?”
„Ja kapitein!”
„Ga binnen, ik kom bij je, zoodra ik dit stukje bakkeljauw* geroosterd heb”.
Naar binnen gaande, schreeuwde Hen plotseling: „Kapitein, kapitein, ik ben weg!”
„Weg? Je moet niet weg, ik ben dadelijk klaar!”
„Neen, ik ga niet weg, maar ik ga dood!”
„Dood? Hoezoo?”
„Daarginds komt Vos aan, hij zal mij opeten!”
„Wel neen, vriendin, ga onder de canapé schuilen, maar beweeg je niet!”
Zoo gezegd, zoo gedaan. Hen kroop onder de canapé en at Kakkerlak op.
Vos naderde; kapitein Spin groette hem, en Vos verzocht hem om het verschuldigde geld.
„Wel vriend, ik verwachtte je; ik heb het reeds eenige dagen geleden voor je klaargelegd”.
„Kom binnen en neem je gemak; ik ben bezig voor den pot te zorgen”.
„Zoo, dan eet ik met je meê vandaag, want ik verga van den honger”.
„Met genoegen, waarde vriend, van harte welkom!”
Vos ging binnen en nam plaats op de canapé.
„Hm, het ruikt hier naar kip!” [279]
Na eenigen tijd gewacht te hebben, riep Vos zijn gastheer toe, dat Tijger in aantocht was en dat deze hem zonder twijfel tot zijn prooi zou maken.
„Kom, vriend, Tijger is zoo slecht niet”.
„Maar ik wil liever niets met hem te maken hebben”.
„Wil je dan schuilen?”
„Ja, natuurlijk!”
„Tracht dan voorzichtig onder de canapé te komen, en beweeg je niet”.
„Ja, Kapitein!”
Vos kroop voorzichtig onder de canapé, bemerkte Hen en at haar op.
Tijger kwam bij heer Spin en maakte zijn opwachting.
„Goeden morgen, Gouverneur! ik kwam bij U om die kleinigheid!”
„Kleinigheid, wat bedoel je?”
„Wel, hebt U dan vergeten, wat U bij mij op crediet hebt genomen?”
„O ja! En je komt om het geld niet waar? Ja ik heb het reeds sedert een paar dagen in mijn valies. Ga naar binnen en neem je gemak; ik kom aanstonds”.
Tijger trad binnen, zette zich neêr en begon met een awari-bangi* te spelen. Plotseling riep hij verschrikt uit:
„Heer Spin, red mij! Ik ga sterven, daar komt de jager aan”.
„Wel, zie eens of je onder de canapé kunt schuilen. Gaat het niet, zeg het me dan.”
Tijger stak zijn kop onder de canapé, at Vos op en kwam daarna bij heer Spin terug, om hem te zeggen, dat hij onmogelijk daar kon schuilen.
„Weet je wat, vriend Tijger, klim in dezen mànja* en blijf er in, tot de jager weg is”.
Tijger klom in den boom. [280]
Slimme Spin plaatste aan den voet een tobbe met helder water, waarin zijn beeld weêrkaatst werd.
De jager kwam nader en vroeg heer Spin om het verschuldigde geld. „Heer Jager, even wachten, ik ben dadelijk klaar; het is in orde. Wat voor nieuws?”
„Niets! Doe mij een plezier en help mij wat vlug”.
„Zeker vriend. Ga intusschen op dien stoel zitten onder den boom en schep een frisch luchtje”.
De jager ontdeed zich van zijn geweer en verzocht heer Spin hem wat water te geven, om zijn gezicht te wasschen.
„Doe alsof je thuis was; er is water in die tobbe.”
De jager boog zich over de ton, bemerkte het beeld, greep zijn geweer en velde Tijger neêr.
„Hemel! Ik ben verloren …! Mijn arme vrouw! Mijn kinderen! Hoe me te verdedigen!” Heer Spin schreeuwde luidkeels. De heele familie Spin kwam bij elkaar. De jager riep verschrikt:
„Wat! Wat is er gebeurd?”
„Wat er gebeurd is! Durft U dat te vragen? Wel, U hebt den tijger van den Gouverneur van het dorp gedood. Hij was bij mij in den kost gedaan, omdat ik hem moest leeren praten. Hij had het reeds ver in die kunst gebracht en nu.…! Mijnheer, U zult U moeten verantwoorden over hetgeen hier is geschied. Ik ga onmiddellijk een patrouille halen, om U in arrest te nemen.”
„Rampzalige! Mijn vrouw! Mijn kinderen!”
„Dat kan mij niet schelen”.
„Wel heer Spin, help uw vriend”.
„Helpen! Dat woord ken ik niet. Wie zal mij helpen, als ik U help?”
„Geef me dan een raad, kameraad”.
„Ik ben uw kameraad niet!”
„Wel, heer Spin, U hoeft me niet te betalen”.
„O neen! ik wil geen gift van U, heer Jager. Ik moet [281]den tijger levend terug hebben, dienzelfden tijger, die U gedood hebt. U komt hier niet vandaan, alvorens die tijger weêr levend is. Begrepen?”
De jager stelde Spin voor, de schuld kwijt te schelden en bovendien 100 gulden te betalen.
„Nu, dat is goed, dan kan ik tenminste trachten, een anderen tijger te koopen. Gaat dat niet, dan zal ik moeten liegen, waarvan ik een vijand ben, en vertellen, dat de tijger ziek was en gestorven is”.
„Juist, heer Spin”.
„Ja, maar eerst de kwitantie en de honderd gulden”.
Heer Spin verkreeg het gevraagde.
„U kunt gaan!”
De jager maakte zich zoo gauw mogelijk uit de voeten.
De heele familie Spin sprong op den dooden tijger, om hem schoon te maken en een gedeelte te drogen. Zoo hadden zij weêr vleesch voor geruimen tijd.