Ondank is ’s werelds loon! Dat wil zeggen: boen no hábi tangì.
Er was eens een koning, die een zoon had, dien hij naar Holland had gezonden, om te gaan leeren.
Doch toen de jongen terugkeerde, zei hij op zekeren dag:
„Vader, ik wil gaan wandelen, maar liefst alleen”.
„Het is goed, mijn jongen, gij kunt gaan”.
Den volgenden dag vertrok de jongen, en toen hij achter in den tuin kwam, zag hij daar een dorren vijgeboom, die hem vroeg:
„Mijnheer, is het waar, dat ondank ’s werelds loon is?”
„Ik weet het niet”.
„Ja, het is waar, dat ondank ’s werelds loon is, want zie, ik heb aan uw vader vruchten gegeven; hij heeft [331]mijne vruchten op brandewijn gezet en ze gestoofd. En nu ben ik oud geworden; ik kan niet meer bloeien en nu wil hij mij tot brandhout maken”.
De jongen erkende de waarheid dier woorden en antwoordde:
„Gij hebt gelijk”.
Toen trok de jongen verder en ontmoette een druivenboom, die den jongen dezelfde vraag deed, en toen hij zijn wandeling vervolgde, kwam hij langs een groot vuur met een slang er in, die blijkbaar in angst verkeerde. En ook de slang vroeg aan den jongen, of het waar is, dat ondank ’s werelds loon is. De jongen antwoordde niet, maar greep een stok en nam de slang uit het vuur; doch nauwelijks had hij het dier gered of het kroop tegen hem op en slingerde zich om zijn hals. De slang wilde hem dooden.
„Van daag”, riep de jongen uit, „zie ik toch, dat ondank ’s werelds loon is, want, kijk, ik heb u uit het vuur genomen en nu wilt ge mij dooden”.
Doch daar kwam juist een awari* voorbij, die dezelfde vraag tot den jongen richtte, waarop deze antwoordde:
„Ja, het is waar, ondank is ’s werelds loon, want zie, ik heb de slang uit het vuur genomen en nu wil ze mij dooden”.
„Ga mij wijzen”, hervatte Awari, „hoe gij de slang uit het vuur hebt weggenomen”.
De slang kronkelde zich weêr om den stok en Awari gooide hem in het vuur.
Daarop vervolgde Awari tegen den jongen:
„Laten wij heengaan en laat de slang in het vuur blijven”.
„Goed, doch dan moet gij met mij meê naar huis gaan; want ik wil mijn vader en moeder wijzen, wie mij van den dood gered heeft”.
„Neen, dat doe ik niet, ik ben geen mensch; ik ben maar een dier”. [332]
Doch de jongen drong aan en zei: „ga meê”, waarop Awari medegegaan is.
Thuis gekomen bij zijn vader en moeder, sprak de jongen tot Awari:
„Wel, Awari, wat wilt gij nu tot belooning hebben?”
„Niets wil ik hebben, maar als gij mij elken morgen een kip wilt geven, dan ben ik tevreden”.
De koning zeide:
„Het is goed; kijk, hier heb ik een hok vol kippen; elken morgen kunt ge er een komen halen”.
Maar dat beviel de koningin in het geheel niet; zij riep haar kokkin en sprak tot haar:
„Morgen moet ge de awari dooden, want zoodoende raak ik al mijn kippen kwijt”.
Den volgenden morgen kwam Awari, om de beloofde kip te halen, toen de kokkin met een emmer water aankwam, die zij over de awari omkeerde. En natuurlijk was Awari dood.
Hevig ontsteld en met heftige gebaren kwam de jongen toesnellen en toen hij daar zijn redder dood zag liggen, riep hij uit:
„Het is toch een waar spreekwoord: boen no hábi tangì”.