[Inhoud]

FRAGMENTEN UIT: „UEBER DIE VIERFACHE WURZEL DES SATZES VOM ZUREICHENDEN GRUNDE

De echte wijsgeer zoekt overal helderheid en duidelijkheid. Hij is niet als een troebele, wilde, door regens gezwollen beek, maar als een Zwitsersch meer, dat, onbewogen, bij groote diepte, groote klaarheid heeft, welke de diepte zichtbaar maakt. De onechte daarentegen tracht, wel niet, volgens den stelregel van Talleyrand, door woorden zijn gedachten, wel echter het gebrek aan gedachten te verbergen. De onverstaanbaarheid zijner leeringen, welke het gevolg van de onklaarheid van zijn denken is, wijt hij aan den lezer. Dat is de reden, waarom in eenige geschriften, b.v. die van Schelling, de onderwijzende toon zoo dikwijls in den schimptoon omslaat; bij voorbaat scheldt hij op den lezer in de verwachting, dat deze niet zal verstaan.

Ons kennend bewustzijn behelst subjekt en objekt, niets meer dan dat. Objekt voor het subjekt zijn en onze voorstelling zijn is hetzelfde. Alle voorstellingen zijn objekten van het subjekt, en alle objekten van het subjekt zijn voorstellingen. [33]

Nu is het hier echter zoo mee geschapen, dat alle onze voorstellingen volgens vaste wetten onderling verbonden zijn en niets wat, los gescheurd van al het overige, geheel op eigen voeten staat, objekt voor ons kan zijn.

Deze verbinding is het, zegt Schopenhauer, welke door de stelling van den voldoenden grond in haar algemeenheid wordt uitgedrukt, wanneer men de formule gebruikt: „Niets is zonder grond waarom het is”. Zoo kan men bij oordeelen vragen waarom zij waar heeten, bij veranderingen waarom zij plaats grijpen. Ginds vragen wij naar kengronden; hier naar oorzaken. Maar er zijn nog meer gevallen, waarin we het recht hebben waarom? te vragen. Waarom zijn b.v. bij dien driehoek de drie zijden aan elkander gelijk? Het antwoord luidt: omdat de drie hoeken gelijk zijn. Is nu de gelijkheid der hoeken oorzaak van de gelijkheid der zijden? Neen, want hier is van geen verandering, dus van geen werking, die een oorzaak zou hebben, sprake. Is zij enkel kengrond? Evenmin, want de gelijkheid der hoeken is niet enkel bewijs van de gelijkheid der zijden, niet enkel grond van een oordeel. Afgezien van het oordeel, moeten de zijden gelijk zijn, daarom dat de hoeken gelijk zijn. Er is hier een noodwendige verbinding tusschen hoeken en zijden, dus nog iets anders dan een verbinding tusschen twee oordeelen. De gelijkheid [34]der hoeken is de zijnsgrond van de gelijkheid der zijden. Een vierde gestalte neemt het principe van den grond aan, wanneer het subjekt als willend wordt beschouwd. Men vraagt naar de beweegredenen van het willen, naar den voldoenden grond waarom er zoo gehandeld wordt als er gehandeld wordt.

Zoo is er dus vierderlei noodzakelijkheid, waarmee iets uit zijn grond voortvloeit. Er is logische noodzakelijkheid, waarmee de stellingen uit hare kengronden, er is physische noodzakelijkheid, waarmee de gevolgen uit hunne oorzaken voortvloeien, er is mathematische noodzakelijkheid, waarmede omdat het eene is ook het andere is, er is praktische noodzakelijkheid waarmee de handelingen uit hare motieven volgen. Alle noodzakelijkheid is relatief, geldt ten opzichte van haar grond. Absolute noodzakelijkheid, zonder grond, is onzin.

De wet der causaliteit bepaalt dat, wanneer een nieuwe toestand bij één of meer objekten der werkelijkheid intreedt, een andere toestand moet zijn voorafgegaan, op welken die nieuwe toestand regelmatig volgen moet. B.v. een lichaam vangt aan te branden: aan dien toestand van branden moet zijn voorafgegaan een toestand

  • 1. van verwantschap tot de zuurstof,
  • 2. van aanraking met de zuurstof,
  • 3. van een bepaalden warmtegraad.

[35]

Daar, zoodra die drievoudige toestand voorhanden was, de ontbranding onmiddellijk volgen moest, deze echter eerst nu gevolgd is, kan ook die toestand er niet vroeger geweest zijn, maar moet hij eerst nu zijn ingetreden. Dat intreden heet een verandering. Derhalve geldt de wet der causaliteit uitsluitend voor veranderingen. Iedere werking is, bij haar te voorschijn treden, een verandering en verwijst, juist omdat ze niet vroeger is ingetreden, met onfeilbare zekerheid naar eene andere, haar voorafgaande verandering, welke in betrekking tot haar oorzaak, in betrekking tot eene derde, haar zelve weder noodzakelijk voorafgegane verandering, werking heet. Dit is de keten der causaliteit; zij is zonder aanvang. Iedere nieuwe toestand moet dus het gevolg zijn van een daaraan voorafgaande verandering; b.v. in het zooeven vermelde geval moest de temperatuurverhooging voortspruiten uit het toetreden van vrije warmte tot het lichaam; dit toetreden van warmte hing weder af van een voorafgaande verandering, b.v. het vallen van de zonnestralen op een brandspiegel; dit laatste van het wegtrekken van een wolk voorbij de zon; dat wegtrekken van de wolk werd veroorzaakt door wind; die [36]wind door ongelijke dichtheid van lucht; die ongelijke dichtheid door andere toestanden en zoo in het oneindige.

Wanneer er aan een toestand om voorwaarde van het optreden van iets nieuws te zijn, slechts ééne omstandigheid ontbreekt, noemt men deze laatste, zoo zij er eindelijk ook nog bijkomt, de oorzaak bij uitnemendheid; het is in zoover juist, als men zich daarbij aan de laatste werkelijk beslissende verandering houdt; daarvan afgezien heeft echter voor de vaststelling van het oorzakelijk verband der gebeurtenissen in het algemeen, de laatst bijkomende voorwaarde niets op de overige voor. Zoo is in het door ons genoemde voorbeeld het wegtrekken van de wolk in zoover oorzaak der ontbranding te noemen als het later dan het richten van den brandspiegel op het voorwerp plaats greep. Dit richten van den brandspiegel had evenwel later kunnen geschieden dan het wegtrekken van de wolk en het toelaten van de zuurstof weder later dan dit: zulke toevallige tijdsbepalingen hebben dan te beslissen wat de oorzaak is. Wanneer men de zaak nauwkeurig beschouwt, bevinden wij dat de toestand in zijn geheel oorzaak van den volgenden is en [37]dat het er betrekkelijk weinig toe doet welke van de vereischten het laatst komt om het getal vol te maken.

Voorwaarden van veranderingen zijn altijd andere en voorafgaande veranderingen, geen dingen. Zoo zou het in ons geval glad verkeerd zijn, om den brandspiegel, de wolk, de zon, de zuurstof, oorzaak te noemen. Het heeft geen zin te zeggen, dat een objekt oorzaak is van een ander objekt; in de eerste plaats, omdat wij bij de objekten behalve vorm en hoedanigheid, ook stof, materie aantreffen, welke noch ontstaat, noch vergaat; in de tweede plaats omdat de wet der causaliteit uitsluitend voor veranderingen geldt, voor het verschijnen en verdwijnen van toestanden in den tijd.

De scheeve opvattingen van de causaliteitsverhouding kunnen zeker grootendeels aan onklaarheid van het denken worden toegeschreven; maar stellig is daarbij ook dikwijls eene theologische bedoeling in het spel, waardoor de formeele kennis a priori, die moedermelk van het menschelijk verstand, vervalscht wordt.

Men wil namelijk, volgens Schopenhauer, een Schepper der stof hebben, een zoogenaamde eerste oorzaak, waarbij [38]men „stichtelijk de oogen verdraaien” kan, als ware een eerste oorzaak niet een contradictio in adjecto. Een eerste oorzaak is even weinig denkbaar als een plaats, waar de ruimte een einde neemt, of een oogenblik, waarop de tijd een aanvang zou hebben genomen. Iedere oorzaak is een verandering, bij welke men naar de haar tot stand is gekomen, noodwendig vragen moet, en zoo tot in het oneindige! Niet eens is een eerste toestand der materie denkbaar, waaruit alle volgende zouden zijn voortgesproten. Want die volgende toestanden zouden er dan reeds vroeger hebben moeten zijn, tenzij men gelieft aan te nemen, dat die eerste toestand eerst op een bepaald oogenblik begonnen heeft causaal te werken; maar dan zou er op dat oogenblik iets veranderd moeten zijn, waardoor die eerste toestand ophield te rusten; welnu, als er een verandering is bijgekomen, dan moeten we naar haar oorzaak, naar de daaraan voorafgaande verandering vragen, en zoo zijn wij weder op de ladder der oorzaken aangeland en worden door de onverbiddelijke wet der causaliteit voortgezweept om hooger en hooger te klimmen, steeds hooger, tot in het oneindige. De wet der causaliteit laat zich niet gebruiken als een fiaker, dien men, aangekomen waar men wil zijn, naar huis zendt. Zij gelijkt veeleer op den bezem, die, door Goethe’s tooverleerling bezield en aan het werk gezet, niet meer ophoudt te loopen en te vegen, zoodat de [39]oude heksenmeester er zelf bij moet komen om hem tot rust te brengen.

Helaas de heeren professoren, die er verlegen mee zitten, dat Kant aan hun dierbaar kosmologisch bewijs (alles wat bestaat heeft een oorzaak, de wereld bestaat, dus heeft de wereld een oorzaak) den doodsteek heeft toegebracht, zijn geen heksenmeesters. Zij hebben dus een slimmen streek bedacht. „Vriend”, hebben zij tot het kosmologisch bewijs gezegd, „het staat slecht met u, zeer slecht, sedert uwe noodlottige ontmoeting met den ouden dwarskop uit Koningsbergen; even slecht als met uwe broeders, het ontologisch en het physikotheologisch. Maar troost u, wij verlaten u daarom niet; ge weet, we worden er voor betaald; toch moet ge, het kan niet anders, van naam en kleeding verwisselen; want noemen we u bij uw echten naam, dan loopt alles weg. Inkognito nemen we u onder den arm en brengen u weder onder de menschen; enkel, zooals ge hoort, inkognito; zoo gaat het! Wij spreken voortaan van het „absolute”, dat klinkt vreemd, fatsoenlijk en voornaam; en hoeveel men met voornaam-doen bij de Duitschers kan uitrichten, weten wij het allerbest; wat gemeend wordt, verstaat [40]toch ieder en houdt zich nog op den koop toe daarbij voor wijs. Zonder syllogismen en praemissen treedt gij als een man van weinig woorden fier en driest op en zijt met één sprong aan het doel. „Het absolute”, schreeuwt gij, en wij met u, „dat moet er toch om den duivel zijn: anders ware er volstrekt niets”. Hierbij slaat ge op de tafel. Vanwaar echter het absolute? Domme vraag! Heb ik niet gezegd: „het absolute”?—Werkelijk, het gaat! De Duitschers zijn gewoon woorden in plaats van begrippen aan te nemen; daartoe worden zij, van kindsbeen af, door ons gedresseerd; let maar op de „Hegelei”; wat is zij anders dan holle, leege, daarbij misselijke woordenkraam? En toch, hoe schitterend was de carrière van dat philosophisch minister-creatuur! Er waren enkel eenige veile gezellen noodig om den roem van het slechte uit te bazuinen en hun stem vond in den hollen schedel van duizend domkoppen een nog op dit oogenblik naklinkende en zich voortplantende echo: zie, zoo werd er uit een gemeenen kwakzalver een groote wijsgeer gemaakt. Dus moed gevat! Daarenboven helpen wij u nog op andere wijze; wij kunnen toch zonder u niet leven! [41]

„Heeft de oude Koningsberger de rede gekritiseerd en haar de vleugels gekortwiekt; goed! dan vinden wij een nieuwe rede uit, van welke tot dusverre geen mensch iets gehoord had, een rede, welke niet denkt, maar onmiddellijk aanschouwt, ideeën (een voornáam woord tot mystificatie geschapen) aanschouwt; of ook ze verneemt, onmiddellijk verneemt, wat gij en anderen eerst bewijzen wilden; of ook ze donker beseft, als men het met weinig voor lief wil nemen en niet veel wil toegeven. Vroeg ingeprente volksbegrippen geven we zoo voor rechtstreeksche ingevingen van deze, onze nieuwe rede uit, voor ingevingen uit den hooge. De oude rede, die degradeeren wij, noemen wij voortaan verstand en laten haar kuieren. En het ware, eigenlijke verstand? Wat, in alle wereld, gaat ons het ware, eigenlijke verstand aan? Gij lacht ongeloovig; maar wij kennen ons publiek en de studenten, die wij op de banken voor ons hebben. Reeds Baco heeft gezegd: „Op universiteiten leeren de jonge mannen gelooven”. Van ons kunnen ze iets rechts leeren! Wij hebben een goeden voorraad van geloofsartikelen”.

Uit de wet der causaliteit vloeien twee gewichtige [42]nevenstellingen voort: namelijk de wet der traagheid en die van het voortduren der stof. De eerste zegt, dat iedere toestand, dus zoowel de rust van een lichaam als ook zijn beweging, van welken aard ook, onveranderd, onverminderd, onvermeerderd voortduren, den eindeloozen tijd door aanhouden moet, tenzij er een oorzaak bijkomt, welke verandering teweeg brengt.—De tweede wet, welke de materie als eeuwigdurend doet kennen, volgt daaruit, dat de wet der causaliteit slechts op de toestanden der dingen, dus op hun rust, beweging, vorm, kwaliteit betrekking heeft, het ontstaan en vergaan dier toestanden in den tijd beheerscht; niet op het bestaan van den drager dier toestanden, aan welken men, juist om aan te duiden dat er bij hem van ontstaan en vergaan geen sprake kan zijn, de naam substantie heeft gegeven. De stof blijft: d.w.z. zij kan noch ontstaan noch vergaan, dus de in de wereld voorhanden hoeveelheid is niet aan vermeerdering, evenmin aan vermindering onderhevig. Dat we dit a priori weten, blijkt uit de onwrikbare zekerheid, waarmede ieder, die een gegeven lichaam, hetzij door goochelaarskunsten, hetzij door verdeeling, verbranding, [43]vervluchtiging, of op welke manier ook heeft zien verdwijnen, er nochtans vast van overtuigd is, dat, wat er ook uit den vorm van het lichaam geworden moge zijn, de substantie, dat is de materie ervan, onverminderd ergens aan te treffen moet zijn. De zekerheid, waarmede wij dit bij voorbaat vaststellen, vloeit daaruit voort, dat het ons verstand aan een middel om ontstaan of vergaan der materie te denken, volstrekt hapert. Immers de wet der causaliteit, welke de eenige vorm is waaronder wij veranderingen kunnen denken, geldt enkel voor de toestanden der lichamen, niet voor het bestaan van den drager van alle toestanden, de materie. Daarom noem ik de grondstelling van het voortduren der stof een korollarium, d.i. een nevenstelling van de causaliteitswet. De overtuiging van het voortbestaan der stof kunnen we nooit door ervaring verworven hebben; in de meeste gevallen zou het ons onmogelijk zijn empirisch vast te stellen dat er niets verloren of bijgekomen is; daarenboven staat iedere empirische, door generalisatie verkregen kundigheid niet onvoorwaardelijk vast, maar is zij slechts bij benadering zeker, dus onzeker. Onze overtuiging betreffende de geldigheid [44]van die grondstelling heeft dan ook een geheel ander karakter dan die van een empirische natuurwet. Zoo kan men de vraag opwerpen, of er ook tusschen lichamen, die door een volstrekt ledig van elkander gescheiden zijn, gravitatie zou bestaan, met andere woorden, of er voor de gravitatie niet een medium, als b.v. de æther, vereischt wordt. Dat overigens substantie eenvoudig hetzelfde als materie is, blijkt daaruit, dat we het begrip substantie enkel op materie kunnen toepassen.

Dus niet op zieleleven? Behooren wenschen, gedachten, gewaarwordingen, bij welke het onzin zou zijn van gestalte en uitgebreidheid te droomen, niet in een geheel andere sfeer thuis dan steenen, boomen, dieren? Wordt er voor de psychische toestanden, welke toch ook afwisselen, evengoed ontstaan en verdwijnen als bloemen, geen blijvend substraat vereischt? Jawel, maar Schopenhauer meent ook voor die onstoffelijke veranderingen geen ander duurzaam wezen dan de materie te behoeven. Hij verwerpt de leer, dat er twee soorten van wezens, lichamen en zielen, zouden zijn. Hij ontdekt in het heelal enkel lichamen. Toch is hij een fel antimaterialist. Hoe is dat mogelijk? De oplossing van het raadsel is eenvoudig deze, dat volgens Schopenhauer het stoffelijk heelal niet buiten het bewustzijn [45]bestaat, maar er enkel is voor en door het intellekt. Hij zegt:

Men moet van alle goden verlaten zijn om den waan te koesteren, dat de aanschouwelijke wereld daarbuiten, zooals zij de ruimte in hare drie afmetingen vult, zich in den tijd voortbeweegt en bij iedere schrede door de onkreukbare wet der causaliteit wordt beheerscht, in al deze opzichten evenwel enkel de wetten volgt, welke wij, onafhankelijk van alle ervaring, kunnen aangeven,—dat een zoodanige wereld, zonder ons toedoen en als zelfstandige werkelijkheid, voorhanden zou zijn, om vervolgens door de zinnelijke gewaarwording ons brein binnen te dringen en aldaar nu nog eens, als beeld, op dezelfde wijze als daarbuiten, te bestaan. Wat een armelijk ding is toch de zinnelijke gewaarwording op zichzelve! Zelfs bij de edelste zintuigen is zij niets meer dan een voorbijgaand binnen de grenzen van haar soort voor eenige afwisseling vatbaar, doch op zichzelf steeds individueel gevoel, dat als zoodanig niets objektiefs, niets wat naar een aanschouwing zweemt kan behelzen … De gewaarwording kan aangenaam of onaangenaam zijn, dus in een bepaalde verhouding tot ons [46]willen staan, maar de verwijzing naar een ding ligt nooit in haar opgesloten. Ook komen veranderingen op het gebied der gewaarwording enkel in den vorm van den innerlijken zin, dus in den tijd, als elkander opvolgende, tot het bewustzijn. Eerst wanneer het verstand, een functie van het zoo kunstig en vreemd gebouwde, drie tot vijf pond wegende lichaamsdeel, dat wij hersenen noemen, aanvangt te werken en zijn eenigen vorm, de wet der causaliteit, in toepassing brengt, grijpt er een machtige verandering plaats, daar dan uit de subjektieve gewaarwording de objektieve aanschouwing wordt geboren. Het verstand namelijk vat, vóór alle ervaring (want deze is tot dusverre nog niet mogelijk) de gegeven gewaarwording als een werking op, die als zoodanig noodwendig een oorzaak moet hebben. Tegelijkertijd plaatst het verstand die oorzaak in den vorm van den uitwendigen zin, dus in de ruimte: zoo eerst ontstaat het buiten-elkander der verschillende objekten, tot welke ook ons eigen lichaam behoort; zoo is dus de aanschouwing a priori der ruimte de grondslag der empirische aanschouwing. Bij deze verrichting neemt het verstand alle, zelfs de fijnste data der aanwezige gewaarwording te [47]hulp om dienovereenkomstig de oorzaak der gewaarwording in de ruimte te construeeren … Het verstand heeft dus de wereld der objekten het eerst te scheppen: onmogelijk kan die wereld, als ware zij reeds kant en klaar, door de zinnen ons brein binnenwandelen. De zinnen leveren niets anders dan licht, geluid, geur enz., met andere woorden de ruwe stof, welke allereerst door het verstand, met behulp van de drie vormen van ruimte, tijd en causaliteit, tot de objektieve opvatting van een wettelijk geregelde, stoffelijke wereld wordt omgewerkt.

In den dienst der objektieve aanschouwing staan eigenlijk slechts twee zinnen: het tastgevoel en het gezicht. Zij alleen leveren de data, op welker grondslag het verstand de objektieve wereld laat ontstaan. De overige drie zinnen blijven in de hoofdzaak subjektief; hunne gewaarwordingen wijzen wel naar een uiterlijke oorzaak, maar behelzen geen data, welke tot het vaststellen van ruimtebetrekkingen kunnen dienen. Die drie zinnen kunnen ons de aanwezigheid van voorwerpen in de ruimte aankondigen, wanneer deze ons reeds van elders bekend zijn, maar hunne data zijn op zichzelve niet voldoende om tot een [48]constructie in de ruimte, dus tot een objektieve aanschouwing, in staat te stellen. Uit den reuk kunnen wij nooit de roos construeeren; ook kan een blinde zijn leven lang muziek hooren zonder van de muzikanten, of van de instrumenten, of van de trillingen der lucht de geringste objektieve voorstelling te erlangen. Het gehoor heeft zijn hooge waarde als medium der taal, waardoor het de zin der rede is, ook als medium van muziek, dus als eenig middel om samengestelde getalsverhoudingen niet maar in het afgetrokkene, doch onmiddellijk, dus op konkrete wijze, op te vatten. Maar de toon verwijst nooit naar ruimtebetrekkingen, verraadt ons niet hoe het met zijn oorzaak geschapen staat, hij brengt ons niet verder en is dus geen datum voor het verstand, dat de objektieve wereld opbouwt. Dat zijn alleen de gewaarwordingen van den tastzin en het gezicht. Toch is wat tastzin en gezicht ons leveren nog geenszins aanschouwing, maar enkel de ruwe stof er toe; in de gewaarwordingen van deze zinnen ligt zoo weinig de aanschouwing opgesloten, dat die gewaarwordingen veeleer volstrekt geen overeenkomst hebben met de eigenschappen der dingen, die door hare bemiddeling zich aan ons openbaren. [49]Om dat in te zien moet men wat werkelijk aan de gewaarwording eigen is, duidelijk afscheiden van wat er bij de aanschouwing door het intellekt aan wordt toegevoegd. Dit is aanvankelijk zwaar; immers wij zijn er zoozeer aan gewend van de gewaarwording oogenblikkelijk tot hare oorzaak over te gaan, dat we verzuimen op de gewaarwording zelve, welke hier als het ware de præmis tot een gevolgtrekking van het verstand levert, behoorlijk acht te geven.

Als een blindgeborene een kubus betast, dan is er niets in zijne gewaarwordingen, wat met een kubus overeenkomst vertoont. Maar uit den gevoelden tegenstand besluit zijn verstand a priori en onbewust tot een oorzaak er van; uit de bewegingen, welke bij het tasten de armen maken, terwijl de gewaarwording in de handen dezelfde blijft, construeert hij in de hem a priori gegeven ruimte de kubieke gestalte van het lichaam. Bracht hij de voorstelling van een oorzaak en van ruimte niet reeds mede, zoo zou nooit het successieve gevoel in zijn hand het beeld van een kubus voor zijn geest doen verrijzen. Laat men door zijn gesloten hand een koord loopen, zoo zal hij als oorzaak van de wrijving en van haar [50]duur bij zoodanige houding zijner hand zich een lang cylindervormig in één richting gelijkvormig voortloopend lichaam construeeren. Nooit echter zou uit het gevoel in zijne hand de voorstelling van beweging, dat is van verandering van plaats in den tijd, kunnen ontstaan. Zijn intellekt moet, vóór alle ervaring, ruimte, tijd en causaliteit als voorwaarden van waarneming, aan welke het zich niet kan onttrekken, in zich hebben, om van de alleen empirisch gegeven gewaarwording over te gaan tot een oorzaak er van en die oorzaak dan als een zich zóó bewegend lichaam van dien en dien vorm te construeeren. Hoe groot toch is niet de afstand tusschen gewaarwording in de hand en voorstelling van oorzakelijkheid, materialiteit en beweging in de ruimte. De gewaarwording in de hand is, ook bij verschil van aanraking en positie, iets veel te eenvormigs en te armoedigs, dan dat het mogelijk ware daaruit de voorstelling van de ruimte met hare drie afmetingen, die der inwerking van lichamen op elkander, die van eigenschappen als uitgebreidheid, ondoordringbaarheid, cohaesie, gestalte, hardheid, weekheid, rust en beweging af te leiden; dat alles treedt slechts daardoor in ons bewustzijn op, dat in het [51]intellekt zelf de ruimte als vorm der aanschouwing, de tijd als vorm der verandering en de wet der causaliteit als regulateur van de intreding van veranderingen bij voorbaat klaar liggen.

Het aan alle aanschouwing voorafgaande bestaan dier vormen doet het intellekt zijn wat het is. Uit een physiologisch oogpunt kan men het intellekt een verrichting der hersenen noemen, welke hare werkzaamheid evenmin door ervaring behoeven aan te leeren, als de maag het verteren, of de lever de afscheiding van gal. Slechts zoo is het verklaarbaar, dat vele blindgeborenen een volledige kennis der ruimtebetrekkingen erlangen; men denke aan Saunderson, die, schoon van zijn prille jeugd af blind, nochtans in Cambridge mathesis, optica en astronomie vermocht te onderwijzen.

Op dezelfde wijze is wat bij het zien de gewaarwording levert, niets meer dan een veelvoudige aandoening van de retina, met den aanblik van een palet te vergelijken, waarop velerlei bonte klodders van verven worden aangetroffen; niets meer dan dit zou in het bewustzijn overblijven, wanneer men aan hem, die van een uitgebreid en rijk uitzicht staat te genieten, door verlamming van de hersenen plotseling het verstand geheel [52]ontnam, terwijl hem nochtans de gewaarwording werd gelaten; want dit was de ruwe stof, waaruit vroeger zijn verstand die aanschouwing schiep.

Uit het voorafgaande volgt, dat de zinnen slechts de handlangers zijn, die aan het verstand, aan den kunstenaar in ons, geroepen om het werk te verrichten, het daartoe vereischte materiaal leveren. Het verstand past daarbij de wet der causaliteit toe, welke natuurlijk niet uit aanschouwing der wereld geput kan zijn, daar juist door die toepassing de wereld geboren wordt.

Wij vinden derhalve alle elementen der empirische aanschouwing in ons aanwezig en niets is daarin vervat, wat zou kunnen heenwijzen naar een van ons verschillende en op eigen voeten staande werkelijkheid. Ook moet dit overwogen worden: onder het begrip der materie denken we wat van de lichamen overblijft, wanneer we ze van hun vorm en van alle specifieke kwaliteiten ontdoen, dus datgene wat bij alle lichamen één en hetzelfde moet zijn. Die door ons weggedachte vormen en kwaliteiten vertegenwoordigen juist de bijzondere en zeer bepaalde werkingswijzen der lichamen, welke hunne verscheidenheid uitmaken. Dus is, wanneer we daarvan afzien, het [53]dan nog overblijvende eenvoudig werkzaamheid in het algemeen, werken als zoodanig, de causaliteit zelve, objektief gedacht, de weerglans van ons eigen verstand, het naar buiten uitgestraalde beeld van zijn eenige verrichting; de materie is geheel en al uitsluitend causaliteit, haar wezen is haar werken.

Om die reden kan op de materie zelve de wet der causaliteit niet worden toegepast; zij is de causaliteit zelve, objektief opgevat; zij kan hare macht niet over zich zelve uitoefenen; zoo kan het oog alles zien, behalve zichzelf. Dit zijn dus de resultaten, waartoe het ware, het transcendentale idealisme leidt. Tot het ding op zichzelf, tot datgene, wat er achter de vermomming aanwezig is, kunnen we niet op den weg der voorstelling geraken; daartoe moeten wij een anderen weg inslaan, die door het innerlijk der dingen leidt en ons als het ware door verraad de vesting doen ontsluiten.

Zinnelijke gewaarwordingen zijn dus de uitgangspunten tot de allereerste toepassing van de causaalwet. Zij zijn noodig voor de aanschouwing van alle objekten, ons eigen lichaam inkluis. De deelen van dat lichaam moeten op de zinnen [54]werken; het oog moet dat lichaam zien, de hand het betasten enz., zullen we in staat zijn ons eigen lichaam in de ruimte te construeeren. Geen enkel objekt wordt door ons onmiddellijk, zonder tusschenkomst van gewaarwordingen, gekend.

Natuurlijk besefte Schopenhauer dat vormen als ruimte, tijd, causaliteit eerst met en aan de materie der kennis tot ons bewustzijn komen. Enkel de mensch is in staat om die vormen afzonderlijk te denken en te noemen. Schopenhauer zegt:

Het groote onderscheid tusschen mensch en dier bestaat daarin, dat de mensch een klasse van voorstellingen heeft, welke het dier mist. Wij bedoelen die afgetrokken, uit de aanschouwelijke voorstelling door aftrekking verkregen voorstellingen, welke begrippen heeten. De handelingen der menschen grijpen met niet minder strenge noodzakelijkheid plaats, dan die der dieren; doch daar de mensch begrippen heeft, kan hij zich door een ander soort van beweegredenen dan het dier laten leiden, namelijk door gedachten; hij kan handelen met opzet, met overleg, volgens een plan, volgens stelregels in overeenstemming met anderen enz., in plaats van enkel den impuls op te volgen, welke door aanschouwelijke, bij de [55]hand zijnde voorwerpen wordt uitgeoefend. Zoo ontstaat alles, wat het menschelijk leven rijk, kunstig en verschrikkelijk maakt. De kloof tusschen menschen en dieren wordt ten slotte zoo breed, dat de mensch zijn broeders, de dieren, niet meer kent, ze voor iets geheel anders houdt dan hij zelf is en om zich in dien waan te bevestigen, ze beesten noemt, alle levensverrichtingen, welke hij met de dieren gemeen heeft, met schimpnamen aanduidt, de dieren voor rechteloos uitgeeft en zich, althans hier in het westen, halsstarrig verzet tegen de zich hem opdringende identiteit van wezen bij mensch en dier.

Toch is het eenig verschil, zooals gezegd, enkel dit, dat de mensch niet enkel aanschouwelijke, maar ook afgetrokken voorstellingen heeft, begrippen genaamd, wijl ieder van hen ontelbare dingen onder zich begrijpt. Men kan de begrippen definieeren als voorstellingen uit voorstellingen. Bij hunne vorming worden de volledige, dus aanschouwelijke voorstellingen in hunne bestanddeelen gesplitst, om deze afzonderlijk, ieder voor zich, te kunnen denken als verschillende eigenschappen der dingen of als betrekkingen tusschen de dingen. Wanneer dit plaats grijpt, [56]raken de voorstellingen noodzakelijk haar karakter van aanschouwelijkheid kwijt, gelijk water, dat in zijn elementen wordt ontleed, zijn vloeibaarheid verliest. Want iedere afzonderlijke geabstraheerde eigenschap laat zich wel alleen denken, maar niet op zichzelve ook alleen aanschouwen. De vorming van een begrip grijpt op deze wijze plaats, dat men van het aanschouwelijke veel laat wegvallen, om dan het overblijvende op zichzelf te kunnen denken: men denkt dus minder dan er aanschouwd werd. Heeft men verschillende aanschouwelijke voorstellingen de revue laten passeeren, van ieder dier voorstellingen iets anders doen wegvallen en toch bij allen hetzelfde overgehouden, dan is dat het genus eener soort.… De hoogste, de meest algemeene begrippen, zijn natuurlijk de holste en de armste, ledige hulzen als b.v. zijn, wezen, ding, worden, enz. Men kan begrijpen, hoe oneindig hol en arm, hoe benauwend vervelend wijsgeerige stelsels moeten uitvallen, die uit zulke ledige hulzen worden te voorschijn gesponnen.

Enkel omdat de dieren tot aanschouwelijke voorstelling beperkt zijn, hebben zij geen taal, zelfs al zijn zij in staat woorden uit te spreken; [57]ze verstaan enkel eigennamen. Om dezelfde reden lachen de dieren niet.

Wanneer men een ietwat lange en samenhangende toespraak van een ruw en onbeschaafd mensch ontleedt, dan vindt men daarin nochtans zulk een rijkdom van logische vormen, wendingen, onderscheidingen en fijnheden van iedere soort, behoorlijk door grammatikale buigingen en konstrukties uitgedrukt, dat men van verbazing de handen ineen slaat en een zeer uitgebreid en samenhangend weten daarin ontdekt. Die gansche ontwikkeling rust op den grondslag van aanschouwing en wordt verkregen door het wezen der aanschouwelijke wereld in afgetrokken begrippen om te zetten: door de rede, die als onmisbaar hulpmiddel zich daarbij van de taal bedient, werd het groote werk verricht. Met het aanleeren der taal komt dus het geheele mechanisme der rede, het wezenlijke der logica, tot het bewustzijn van het kind. Natuurlijk geschiedt dit niet zonder groote inspanning des geestes, zonder welwillende opmerkzaamheid, maar daartoe hebben de kinderen de kracht, want hun leergierigheid is sterk, wanneer ze het werkelijk bruikbare en onmisbare tegenover zich zien; slechts dan schijnt [58]die leergierigheid zwak, als men hun datgene wat hun niet voegt wil opdringen. Dus bij het aanleeren der taal met hare tal van wendingen en fijnheden, zoowel door het luisteren naar wat volwassenen zeggen als door zelf te spreken, erlangt het kind, zelfs al wordt het zeer ruw opgevoed, die ontwikkelde rede en verwerft het die konkrete logika, welke niet in de kennis der logische regelen bestaat, maar geschikt maakt om ze onmiddellijk en rechtstreeks toe te passen; zoo leert een mensch van muzikalen aanleg, zonder het lezen van noten en zonder generaalbas, door eenvoudig pianospelen op het gehoor, de regels der harmonie.

Daardoor, dat begrippen minder inhoud hebben dan de voorstellingen, waaruit ze worden geabstraheerd, zijn ze zoo handig. Zij stellen ons in staat, om juist dat deel der voorstellingen te gebruiken, dat men op een gegeven oogenblik noodig heeft, terwijl, wanneer men zich door de fantasie de volledige voorstellingen moest voor den geest roepen, men allerlei ballast zou moeten meenemen en gevaar loopen daaronder te bezwijken. Juist omdat de taal ons veroorlooft overbodig pak weg te werpen, zijn wij denkende [59]wezens. Dat denken verleent den mensch de bezonnenheid, welke bij het dier gemist wordt. Zij stelt hem in staat duizend dingen door een begrip te omvatten en telkens datgene, waarop het aankomt, zich voor den geest te houden, allerlei verschillen, ook die van ruimte en tijd, buiten zijn horizon te bannen, zich het afwezige, het verleden, de toekomst, voor den geest te stellen, terwijl het dier in ieder opzicht aan het heden gebonden is. Het vermogen om zich te bezinnen, tot zichzelf te komen, is de wortel van alle theoretische en praktische verrichtingen, door welke de mensch het dier overtreft; zoo is hij in staat onder terugblik op het verleden voor de toekomst te zorgen, opzettelijk, volgens een vast plan, methodisch te handelen, met velen tot één doel samen te werken, zich aan orde, zich aan een wet te onderwerpen, in een staat te leven.

Alle denken, in den ruimen zin des woords, alle geesteswerkzaamheid, heeft òf woorden, òf fantasiebeelden noodig: van beiden verstoken heeft het geen steun, waarop het rust.

Er zijn waarheden, die wij ontdekken door reflexie, dat is door zelfonderzoek. Zoo bespeuren wij, dat we niet in strijd met de wet der contradictie [60]kunnen denken, want iedere poging daartoe mislukt; we kunnen het evenmin als onze ledematen tegen de richting der gewrichten in bewegen. Voor zulk een proef hebben we voorstellingen, objekten noodig en enkel door met deze te experimenteeren ontdekken we de wetten van het denken. Beproeven we een verandering zonder voorafgaande oorzaak, of wel een ontstaan, of vergaan van materie te denken, dan krijgen we het bewustzijn dat het onmogelijk is; de wortel dier onmogelijkheid is in ons intellekt; anders zouden we haar niet op den subjektieven weg kunnen ontdekken; maar die onmogelijkheid geldt voor objekten; door met objekten proeven te nemen wordt zij opgespoord. Rechtstreeks, zonder behulp van objekten, kan het subjekt zich niet leeren kennen.

De dieren hebben enkel verstand. De mensch is tevens een redelijk wezen. Dat de dieren verstand hebben, blijkt daaruit, dat ook zij uit hunne gewaarwordingen door toepassing van de wet der causaliteit tot aanschouwing van voorwerpen in de ruimte opklimmen. Maar de mensch, die in een wereld van begrippen leeft en een sprekend wezen is, dus tot bezonnenheid en echt menschelijke [61]verrichtingen in staat, is in het bezit der rede. Zoo heeft men te allen tijde tot dusverre de grens getrokken, maar in den laatsten tijd hebben de philosofieprofessoren goed gevonden om in strijd met het spraakgebruik verstand te noemen wat tot dusverre rede heette en driestweg met den naam van rede een nieuw door hen uitgedacht vermogen aan te duiden, een vermogen om door een zich openend venster in een bovennatuurlijke wereld te schouwen en zoo waarheden betreffende het zoogenaamd absolute, betreffende de Idee in ontvangst te nemen. Ook schermen ze dan veel op gemoedelijken en sentimenteelen toon met ideeën, als het goede, het ware, het schoone, welke op de keper beschouwd slechts zeer ruime en hoogst abstrakte, immers uit een oneindig getal van dingen en betrekkingen afgetrokken, dus aan inhoud uiterst arme begrippen zijn.

Kennis kan, volgens Schopenhauer, enkel wat haar vorm betreft, a priori zijn. Daarentegen moet alle inhoud van kennis uit de ervaring zijn geput. Vorm van kennis is steeds voorwaarde van kennis, aan welke het kennend subjekt bij waarneming en denken gebonden is.

[62]

Als de rede een vermogen ware, berekend om kundigheden, ook wat haar stof betreft, te leveren en dus inzichten te geven aangaande wat de mogelijkheid van alle ervaring te boven gaat, dan moest er over de onderwerpen der metaphysica, welke dezelfde zijn als die van den godsdienst, een even groote overeenstemming onder de menschen heerschen, als over de onderwerpen der mathesis; het gevolg zou zijn, dat wanneer iemand er afwijkende inzichten op nahield, hij als niet recht bij zijn verstand zou worden beschouwd. Maar juist het omgekeerde grijpt plaats. Sedert de menschen denken, staan overal de philosofische stelsels ten deele diametraal tegenover elkander; en sedert de menschen gelooven, wat van nog ouder datum is, bestrijden de godsdiensten elkander te vuur en te zwaard met vervloekingen en kerkregels. Voor alleen loopende ketters waren er in den tijd van het levende geloof geen krankzinnigenhuizen, maar kerkers der inquisitie met wat er bij behoort. Dus ook hier spreekt de ervaring luide en onloochenbaar tegen het leugenachtig voorwenden van een rede, die een vermogen tot onmiddellijke metaphysische kundigheden, of, duidelijker gezegd, tot ingevingen uit den hooge [63]ware, over welke het dus wel tijd is een streng gericht te houden; het is afschuwelijk welk een lamme leugentaal sedert een halve eeuw in Duitschland overal wordt gekolporteerd, jaar in jaar uit van den katheder naar de studentenbanken en dan weder van de banken naar den katheder verhuist; ja zelfs in Frankrijk zijn er thans een paar onnoozele bloeden, die zich het sprookje hebben laten diets maken en het nu onder hunne landgenooten rondventen; echter zal de bon sens der Franschen aan de raison transcendentale wel spoedig de deur wijzen.

Ik moet bekennen, het is niemand minder dan Kant, die met zijn praktische rede en zijn kategorischen imperatief tot al dat gezwets aanleiding heeft gegeven. Toen die praktische rede eenmaal was aangenomen, was er niets meer noodig dan haar een theoretische rede als tweelingzuster toe te voegen, die eveneens ex tripode bovennatuurlijke waarheden zou verkondigen … Het is een vloek, die ten gevolge van zijn verwantschap met het verkeerde en slechte op het geslacht der tweevoeters drukt, dat van het werk der groote geesten juist de gebreken het meest bekoren; zij worden geprezen en bewonderd, maar [64]het werkelijk groote laat men terzijde liggen. Wat diep is in de philosophie van Kant is slechts aan uiterst weinigen bekend: zijn geschriften worden enkel ter loops gelezen door lieden, die meenen, dat eerst na hem het rechte gekomen is; aan hun spreken merkt men dadelijk, dat zij enkel de schaal, de buitenzijde kennen, een vagen omtrek ervan mee naar huis hebben genomen, maar nooit in den diepen zin en den geest zijn doorgedrongen.

Thans is eindelijk een tijdperk ingetreden, dat reeds lang voorspeld was geworden; de kerk wankelt, wankelt zoo sterk, dat zich vragen laat of zij ooit haar zwaartepunt zal terugvinden. Het getal van hen, die een zekere graad en omvang van kundigheden ongeschikt maakt om te gelooven, is bedenkelijk groot geworden. Daarvan getuigt de algemeene verbreiding van het platte rationalisme, dat zijn bulhondentronie steeds breeder maakt. De diepe mysteriën van het christendom, over welke de eeuwen gebroed en gestreden hebben, worden met een kleermakersel uitgemeten en veroordeeld. Het hoofddogma van het christendom, de leer van de erfzonde, is bij de rationalistische plathoofden een thema van [65]kinderspot geworden, want niets schijnt hun klaarder en zekerder, dan dat het bestaan van ieder met zijn geboorte aanvangt en hij dus onmogelijk met schuld beladen op de wereld kan zijn gekomen. Hoe scherpzinnig!—En gelijk, wanneer verarming en verwaarloozing gestadig toenemen, de wolven aanvangen zich in het dorp te vertoonen, zoo verheft onder deze omstandigheden het steeds op de loer liggende materialisme het hoofd en komt met zijn geleider, het bestialisme, aan de hand aanwandelen. Met het onvermogen om te gelooven groeit echter de behoefte aan kennis. [66]