Reeds Copernicus heeft gezegd: „Ik geloof, dat de zwaarte niets anders is dan een natuurlijk verlangen, hetwelk aan alle deelen der stof door den Schepper is ingeblazen, zoodat zij er naar streven zich saam te voegen en een kogelgestalte aannemen. Dit streven schijnt ook aan zon, maan en andere planeten eigen te zijn, waardoor zij hunne ronde gestalte handhaven”. Ook Herschel heeft duidelijk ingezien, dat, wanneer wij niet gelijk Cartesius alle beweging door van buiten komenden stoot willen verklaren, wij een wil moeten aannemen, welke in de dingen woont. Wij staan voor dit alternatief: òf den oorsprong van iedere beweging in een uitwendige oorzaak te zoeken, òf in het bewogene zelf een innerlijken drang te leggen. Zoodanigen drang kunnen wij ons niet anders verklaren dan als verwant aan datgene, wat in ons wil is. Het verschil tusschen ons en de niet-bewerktuigde natuur is enkel dit, dat bij ons de richting van den wil niet eenzijdig [198]loodrecht op het middelpunt der aarde is gericht, maar, naar gelang van de beelden die het intellekt ons verschaft, met noodwendigheid nu eens hierheen dan weder daarheen streeft. Dat het wezen der krachten in de ons omringende natuur identisch is met den wil in ons, kan door niemand, die ernstig nadenkt, betwijfeld worden. Wanneer die waarheid een paradox schijnt, bewijst dat enkel, dat zij een zeer gewichtige ontdekking moet heeten.
Het is duidelijk dat als wij het woord wil in zoo ruimen zin nemen, het enkel een term is voor een onbekende zaak. Wat wij in onszelf als wil aantreffen, is volgens Schopenhauer geen „An sich”, maar een verschijnsel er van. Hij noemt het een „Urphænomen”, een oorspronkelijk verschijnsel, maar dan is het onbetwistbaar toch niet de werkelijkheid, welke aan alle verschijnselen ten grondslag ligt.
Leugen en bedrog, die overal in de wereld veelvuldig zijn, hebben nergens een zoo vrije speelruimte als daar, waar de wetten der natuur verklaard worden te zijn opgeheven. Intusschen kan er aan de werkelijkheid van dierlijk magnetisme en van sommige sympathetische genezingen niet getwijfeld worden. Om aan al zoodanige geheimzinnige [199]verschijnselen met een voornamen glimlach voorbij te gaan, moet men de wereld al zeer begrijpelijk vinden, er niet het minste besef van hebben, dat wij door een zee van raadselen zijn omgeven en rechtstreeks noch de dingen, noch ons zelve doorgronden. Juist de aan deze oppervlakkige gezindheid tegengestelde bewerkt, dat bijna alle groote mannen van alle tijden en alle volken een zekeren zweem van bijgeloof hebben vertoond. Wanneer onze natuurlijke wijze van kennen een zoodanige ware, dat ze rechtstreeks de dingen op zich zelve en de verhoudingen, waarin ze tot elkander staan, ons deed peilen, dan zouden wij inderdaad het recht kunnen hebben alle voorwetenschap van de toekomst, alle verschijningen van afwezigen, van stervenden, ja van gestorvenen, alle magische inwerking bij voorbaat en onvoorwaardelijk te verwerpen. Wanneer echter, zooals Kant meent, wat wij leeren kennen enkel verschijnselen zijn, wier vormen en wetten niet voor de dingen op zich zelve gelden, dan is zoodanige verwerping voorbarig, daar in dat geval de dingen op zich zelve, waartoe ook ons eigen innerlijk zelf behoort, niet aan die wetten onderworpen zijn. Die dingen kunnen dus in verhoudingen [200]tot ons staan, die magische gebeurtenissen ten gevolge hebben, en alleen de ervaring moet in dat geval beslissen, of en in hoever dat plaats grijpt.
De bewegingen van het eigen lichaam zijn ten volle onverklaarbaar en moeten aan een bovennatuurlijken invloed van den wil worden toegeschreven. Waarom, zoo dacht men, zou die wil zich ook niet tot andere lichamen kunnen uitstrekken? Hiertoe den weg te vinden, de afzondering, waarin de wil zich in ieder individu bevindt, op te heffen, de sfeer van het rechtstreeksche willen te verruimen en het verder te doen reiken dan het eigen lichaam van den willenden persoon, ziedaar de taak, welke de magie zich stelt.
Dierlijk magnetisme en sympathetische genezingen kunnen niets anders zijn dan een werken, waarbij de wil, die anders enkel binnen de grenzen van den willenden individu zijn rechtstreeksche kracht openbaart, ook daar buiten optreedt. Door ondubbelzinnige getuigenissen is aan te toonen, dat zij, die in de oude magie dieper waren ingewijd, eenstemmig al haar werkingen aan den wil van den zoogenaamden toovenaar vastknoopten. Dit is een sterk empirisch [201]bewijs voor mijne leer, dat datgene, wat er nog buiten de voorstelling bestaat, niets anders is dan wat wij in ons zelve als wil aantreffen.
Wat men het verbond met den Satan noemt is niets anders dan de inwerking van den boozen wil, welke, bijvoorbeeld door afgesneden haren te verbranden of door figuurtjes van was met naalden te doorboren, zich wreekt op den een of anderen persoon. Het is wel merkwaardig dat zoodanige hekserij op de meest verschillende plaatsen der wereld en in alle tijden inheemsch is. Theurgie en dæmonologie daarentegen zijn onzin. Wat magischen invloed uitoefent is niets anders dan de wil. Mogelijk is het, zegt Paraselsus, dat zonder behulp van mijn lichaam, enkel ten gevolge van mijn vurig begeeren, mijn zwaard een vijand doorboort.
In het jaar 1854 heb ik het geluk gehad Regazoni uit Bergamo te zien werken. Zijne met hem in rapport staande somnambule bracht hij, zoodra hij verkoos, in een toestand van katalepsie; hij kon bloot door zijn wil, zonder een enkel gebaar te maken, achter haar staande haar op den rug doen vallen. Hij kon haar verlammen, in verstijvende kramp brengen, haar uitgezette pupillen [202]en volledige gevoelloosheid bezorgen. Een dame uit het publiek liet hij piano spelen, en plotseling vijftien schreden achter haar staande verlamde hij haar, enkel door zijn wil, zoodat zij geen noot meer kon ten gehoore brengen. Hij tooverde haar vast tegen een zuil, zoodat zij, ondanks de grootste inspanning, geen vin verroeren kon.
Schopenhauer leert elders, dat de onkreukbaarheid der natuurwetten schier huiveringwekkend is en dat het aan haar is toe te schrijven, wanneer, heden zoo goed als voor duizend jaren, onder gelijke omstandigheden gelijke verschijnselen plaats grijpen. Het bevreemdende van dien regelmaat verdwijnt echter volgens hem, wanneer men in aanmerking neemt, dat ruimte, tijd en causaliteit enkel vormen onzer kennis zijn en niets met den wil, niets met het ding op zich zelf, te maken hebben. Iedere zich openbarende natuurkracht is enkel de wil op een bepaalden trap van zijn verschijning en dus onveranderlijk. Wie dit voorziet, begrijpt tevens dat uitzonderingen op natuurwetten onmogelijk zijn, dat dus de keten der oorzaken en werkingen nergens en nooit door een oorspronkelijke kracht kan verbroken worden. De vraag is hoe Schopenhauer in strijd met dat alles magische verschijnselen kon aannemen. Die vraag klemt te meer, wanneer men in aanmerking neemt, dat volgens Schopenhauer ieder lichaam zichtbare [203]wil is. Het lichaam van den mensch is de zichtbare wil om als een mensch te leven, de hersenmassa van een mensch de zichtbare wil om als een mensch te kennen en te denken. Wil en wereld zijn twee zijden van een en het zelfde. Dan begrijp ik niet hoe de eene zijde kan ingrijpen in de andere.
[204]