[Inhoud]
Inspecteur Baxter in het Krankzinnigengesticht.

Inspecteur Baxter in het Krankzinnigengesticht.

EERSTE HOOFDSTUK.

HET KRIJGSPLAN VAN RAFFLES.

Raffles, de groote Raffles, de man, van wien geheel Londen en de pers als van het grootste genie spraken, dat zich ooit met de misdadigerssport had beziggehouden, Raffles zat met zijn jongen vriend en helper, Charly Brand, in een café in de Cromwellstraat te Londen en las couranten.

Charly Brand deed hetzelfde.

Niemand zou in de twee gedistingeerde gentlemen en door de politie gevreesde en door de detectives gezochte amateur-misdadigers hebben herkend.

Alsof er geen politie bestond, zoo kalm zat Raffles in het druk bezochte lokaal, rookte zijn cigarette en fixeerde door zijn monocle af en toe de overige gasten.

De couranten schenen zijn belangstelling wakker te roepen.

Plotseling nam hij uit zijn zak een zakmes, dat aan een gouden ketting hing en waaraan zich ook een schaartje bevond en sneed een bericht uit de Times uit.

Zorgvuldig stak hij het uitknipsel in zijn portefeuille. Daarop betaalde hij de vertering en verliet met Charly Brand het café.

Op eenigen afstand daarvan bevond zich het natuurkundig museum en hier ging hij binnen om naar hij beweerde, de schedels van eenige niet meer bestaande diersoorten te bestudeeren.

Schijnbaar verdiepte hij zich in de beschouwing van verschillende apenschedels uit het steenen tijdperk; hij maakte aanteekeningen en begaf zich daarop naar de beide exemplaren van menschenschedels, die uit het alleroudste tijdvak van het bestaan der wereld afstamden.

„Deze schedels hebben een merkwaardig model,” sprak hij tot Charly Brand, die vol verbazing naar hem keek. „Als hier niet vermeld stond, dat deze schedels afkomstig zijn van menschen, die voor ongeveer twaalfduizend jaar hebben geleefd, dan zou ik bijna beweren, [2]dat het schedels waren van Sumatra-apen die een jaar geleden gestorven zijn.”

„Je schijnt plotseling een groote voorliefde te hebben voor schedelstudie,” sprak zijn vriend lachend, „ik begrijp niet, wat je daarmee voorhebt.”

Een fijn lachje zweefde om de lippen van Raffles, toen hij antwoordde:

„Aan deze ledige schedels kan men meer leeren dan aan volle, want deze laatste bevatten meestal nog minder dan de leege.”

„Wil je een philosoof worden?” vroeg Charly Brand, „ik vind het een vervelende geschiedenis.”

„Mijn lieve Charly,” sprak Raffles, terwijl hij zijn vriend op den schouder klopte, „heb je wel ooit opgemerkt, dat ik iets doe zonder bedoeling?”

„Neen, dat niet,” antwoordde Charly, „integendeel, ik vind, dat je te veel met opzet handelt en je dwingt mij om altijd op mijn hoede te zijn, omdat men nooit weet; wat je van plan bent.”

„Je moet je die zenuwachtigheid afwennen, beste vriend,” sprak Raffles. „Kijk eens naar die voorhistorische schedels. Hoe liggen ze daar voor ons in die glazen kast. Geen zweempje van zenuwachtigheid is er aan te bespeuren. De zenuwen, die in deze schedelholte verborgen waren, zijn verdwenen; zij hebben zich opgelost in andere elementen en niets is er overgebleven dan de beenderen.”

„Wil je de rol van Hamlet bestudeeren?” vroeg Charly lachend.

„Dat niet,” antwoordde Raffles, „maar ik interesseer mij op het oogenblik voor zielkunde. Hiertoe gaf mij een artikel in de Times aanleiding. Ik wilde wel eens weten wat het gevolg is van krankzinnigheid, wanneer de hersenen, het punt van uitgang onzer zenuwen, ziek worden.”

„En ben je daar nu achter?” vroeg Charly Brand vol belangstelling, terwijl hij den grooten onbekende aankeek.

„Ik geloof het wel.”

„En dat is?”

„Een ledige schedel.”

Bij die woorden sloeg Raffles zijn boek met aanteekeningen over apen- en menschenschedels dicht en verliet, vergezeld door zijn trouwen vriend, het natuurkundig museum.

Toen beiden de Cromwellstraat doorliepen naar het South Kensington station, haalde Raffles nogmaals het courantenbericht te voorschijn, las het weer door en knikte tevreden.

Met de Londoner Rail (spoor) reden zij naar het Strand, naar het Charing Cross station, en gingen van daar per rijtuig naar hun nieuwe woning aan het Waterlooplein.

Het was een voornaam, oud-Engelsch huis, dat Raffles eenige maanden geleden had gekocht en betrokken.

Zijn oude villa aan het Regentpark had hij verlaten, omdat deze te veel bekend was geworden bij politie en andere belanghebbenden.

Den geheelen inboedel had hij naar Liverpool gezonden en vandaar, nadat zij wekenlang in een meubelpakhuis had gestaan, onder een vreemd adres naar Londen teruggestuurd. Dit had hij gedaan om de politie om den tuin te leiden.

Maar hij was voorzichtig genoeg om het nu door hem bewoonde huis van bijzondere inrichtingen te laten voorzien en het zou den detectives van Scotland Yard, als deze hem mochten zoeken, de merkwaardigste verrassingen bieden.

Het gebouw bood nog een groot voordeel aan, dat niet met geld te betalen was. Er onderlangs liepen namelijk de telegraaf- en telefoonkabels van verschillende groote banken en van het hoofdbureau van politie. Dit maakte het terrein voor Raffles zeer waardevol.

Door een toeval had hij op een wandeling deze ontdekking gedaan, toen werklieden voor het huis den grond hadden opgebroken om herstellingen aan de kabels aan te brengen.

Voor een flinke fooi hadden ze hem zelfs de verschillende geleidingen uitgelegd en hieraan had hij, [3]zonder dat de banken of het politiebureau ervan wisten, geheime aansluitingen, welke waren aangebracht door Charly Brand, die electrotechniek had bestudeerd. Raffles had in zijn zoogenaamd laboratorium eenige toestellen, waarmee hij elk oogenblik de gesprekken en berichten, die langs de verschillende lijnen gingen, kon opvangen.

Aan het hek voor het huis was een groot bord aangebracht, waarop de naam „Georg Jenning” te lezen stond.

Onder dien naam had Lord Lister het huis gekocht en stond hij in de buurt bekend.

Als huisgenooten had hij slechts zijn ouden kamerdienaar en diens vrouw, die voor alles zorgden.

Zijn studeerkamer had hij op dezelfde wijze ingericht als in zijn vroegere woning. Het zware leeren behangsel met echte gobelins bedekte aan den eenen kant een kostbare verzameling wapens, terwijl oude familieportretten—Raffles was de laatste afstammeling uit het voorname geslacht der Lord Listers—de andere muren versierden.

Slechts een enkele deur gaf, naar het scheen, toegang tot het vertrek, maar in werkelijkheid waren er, door gobelins en lederen behangsel verborgen, nog drie geheime deuren, die zoo kunstig waren aangebracht, dat slechts het toeval ze zou kunnen verraden.

Een dezer deuren leidde naar de kleedkamer van den meesterdief, een langwerpig vertrek met in den muur gebouwde kasten en een grooten spiegel.

Hiervoor waren electrische lampen aangebracht, wier licht werd verdubbeld door reflectors.

In deze kamer waren de meest verschillende costuums voorradig en pruiken en baarden, welke Raffles voor zijn vermommingen noodig had.

Deze kunst oefende hij in het practische leven uit met de handigheid van een acteur.

Hij kon elke gedaante, elken leeftijd voorstellen.

Naar deze kleedkamer ging hij nu, terwijl Charly Brand in de studeerkamer wachtte en na een half uur kwam hij weer te voorschijn met een geheel ander uiterlijk.

Hij maakte den indruk van een zeventigjarig man.

Iedereen moest hem voor een waardigen, ouden geleerde houden.

Zelfs de bril ontbrak niet op den neus.

Charly Brand kende de verkleedingsvaardigheid van zijn meester en sprak:

„Wel, professor, waarheen leidt uw weg?”

Raffles overhandigde Charly nu het bericht uit de „Times” en sprak:

„Lees eens, welk interessants ik vanmorgen in de „Times” vond.”

En Charly Brand las het volgende:

„Een vreemde zaak houdt op het oogenblik de voorname Londensche kringen bezig.— —

De door zijn groote weldadigheid bekende millionnair John Gulden is op verzoek van zijn zoon, James Gulden, gisteren naar het zenuwlijdersgesticht van dr. E. Braddon gebracht.

De oude bankier moet in den laatsten tijd herhaaldelijk sporen hebben getoond van vervolgingswaanzin en heeft dingen bedreven, die deden vreezen, dat hij zijn vermogen zou weggeven aan onwaardigen.

Meermalen moet hij tegenover de bedienden de vrees hebben geuit, dat zijn zoon hem wilde vergeven.

Vrienden van den ouden bankier beweren, dat deze mededeelingen berusten op kwaadaardigheid van den zoon, teneinde de millioenen van den vader ongestoord in zijn bezit te krijgen.

Dr. Braddon zelf deelde ons mede, dat de millionnair ongetwijfeld lijdende is aan een zware zielsziekte en dat hij in zijn eigen belang in de inrichting moest worden opgenomen”.

Charly Brand begreep niet, wat Raffles met dit bericht van plan was te doen. Met een vragenden blik keek hij zijn vriend aan.

„Ik was reeds meermalen van plan mij bezig te houden met de geheimen der Londensche krankzinnigengestichten”, [4]sprak Raffles, haar het courantenuitknipsel wijzend.

„Er zijn onder de particuliere krankzinnigengestichten gevaarlijke moordenaarsholen. Men kan daar iedereen, die tot last is, laten verdwijnen, zonder dat iemand het recht heeft, politie noch regeering, zich ermee te bemoeien. Ten minste als men geld genoeg bezit om ervoor te betalen.

Men mompelt omtrent dien mr. Braddon allerlei geheimzinnige dingen.

Hij is, voor zoover ik te weten ben gekomen, een hartelooze zakenman, voor wien geld een hoofdrol speelt in het leven, hoewel hij verschillende eerebaantjes bekleedt in Londen en medelid is van allerlei vereenigingen.

In zijn inrichting heeft hij als doctoren alleen zijn beide zoons en een zwager. Vreemde doctoren overschrijden nimmer den drempel er van. Daardoor is het voor ieder, die daar is opgesloten, onmogelijk om iets voor zijn bevrijding te doen. Nu wil ik beproeven, de geheimen van dat huis te doorgronden en dr. Braddon met zijn beide zoons daarheen te brengen, waar zij behooren—naar Old Bailey. Onze gele pers noemt hem spottend: den koning der gekken.”

Charly Brand keek zijn meester verschrikt aan en sprak:

„Ben je misschien van plan om je in de inrichting van dr. Braddon te begeven?”

Raffles lachte, stak een cigarette aan en sprak:

„Mijn lieve Charly, je weet, dat ik stalen zenuwen heb en dat er niet licht iets kan gebeuren, dat mij vrees zou kunnen aanjagen. Maar”, Raffles lachte weer en blies groote rookwolken in de lucht—„ik bedank er voor, mij in dat roovershol te begeven, omdat het een nutteloos gevaar zou zijn”.

„In hoeverre nutteloos?” vroeg Charly Brand weer.

„Och”, antwoordde Raffles—„het zou inderdaad doelloos zijn. Want, gesteld, dat het mij gelukte om ongelukkigen te vinden, die op misdadige wijze tegen hun wil daar worden vastgehouden en die even gezond van geest zijn als jij en ik, dan zou ik ze op geen enkele wijze uit hun kerker kunnen bevrijden.

Ik zou duizendmaal kunnen bezweren, dat de ongelukkigen gezond en slachtoffers van een misdaad waren. Dr. Braddon en zijn zoons zouden het tegendeel beweren en hen voor volslagen krankzinnig verklaren.

Zelfs de vlucht zou hen niet kunnen redden. Zoodra de politie of een persoon, die er belang bij heeft, hun verblijfplaats ontdekte, zouden zij weer binnen de muren van het gekkenhuis worden teruggebracht.”

„Dat is verschrikkelijk,” sprak Charly Brand, „dat is ontzettend! Iedere moordenaar is er dan beter aan toe dan die rampzaligen.”

„Ongetwijfeld,” antwoordde Raffles op ernstigen toon, „iedere tuchthuisboef krijgt zijn straf en zoodra deze achter den rug is, openen zich de deuren van zijn cel en is hij een vrij man.

Bovendien weet hij, waarom hij zich in het tuchthuis bevindt.

Maar deze ongelukkigen zijn levenslang van hun vrijheid verstoken, omdat zij de belangen van anderen in den weg staan. Denk eens, Charly, wat het wil zeggen, voor altijd van de buitenwereld afgesloten te zijn. De gezondste hersenen worden onder die omstandigheden abnormaal.”

„Wat ben je van plan om met Dr. Braddon te doen?”

„Ik zal hem inspecteur Baxter in zijn inrichting zenden. Die moet inlichtingen inwinnen. De verklaringen voor het gerecht van dezen hooggeplaatsten ambtenaar omtrent dat, wat hij in de inrichting heeft gezien en ondervonden, zullen voldoende zijn om Dr. Braddon, als hij werkelijk een schurk is, den nek te breken.”

Charly Brand was opgesprongen en stond voor Raffles met een uitdrukking op het gelaat, alsof zijn vriend Chineesch met hem sprak.

„Wie?” vroeg hij, „wien wil je naar Dr. Braddon zenden?”

„Inspecteur van politie Baxter,” antwoordde Raffles bedaard. [5]

„Men zal hem geen toegang tot de inrichting verstrekken,” antwoordde Charly Brand.

„Niet als inspecteur van politie, wel echter als patiënt!”

Met nog grooter verbazing riep Charly Brand nu uit:

„Als wat? Als patiënt?—Als patiënt?—Sinds wanneer is de inspecteur van politie Baxter ziek of krankzinnig?”

„Mijn beste Charly,” sprak Raffles lachend, „dat kan ik niet onderzoeken.

Volgens mijn meening is inspecteur Baxter niet zoo gezond als jij meent.

Minstens zwakzinnig, daarvoor heb ik bewijzen genoeg. Maar alle gekheid op een stokje. Baxter is een gezonde baas. Wees er echter van verzekerd, dat er slechts één klasse van menschen bestaat, die niet voor krankzinnig kan worden verklaard en dat zijn de heeren doctoren der gekkenhuizen zelf. Alle anderen zijn in de oogen van deze koningen onder de doctoren idioten”.

Charly Brand lachte hartelijk.

„Je kunt gelijk hebben, kerel. Ik ben alleen nieuwsgierig, of inspecteur Baxter zich door jou als patiënt naar dr. Braddon laat brengen. Ik betwijfel het zeer.”

„Heb je ooit opgemerkt, dat ik een of ander voornemen niet ten uitvoer heb gebracht?”

„Neen, nooit!” verzekerde de jonge man oprecht.

All right,” antwoordde Raffles, „ga nu met mij mee naar den koning der gekken. Onderweg zal ik zeggen, wat je te doen hebt.”