[Inhoud]

TWEEDE HOOFDSTUK.

RAFFLES BIJ DEN KONING DER GEKKEN.

De inrichting van dr. Braddon bevatte een groot complex van terreinen. Aan de zijde der straat bevond zich een groot gebouw, waarbij verschillende villa’s en woonhuizen behoorden. Men kon daaraan duidelijk zien, dat de inrichting in den loop der jaren was uitgebreid.

Zoodra dr. Braddon meer patiënten had dan hij kon plaatsen, kocht hij een huis aan, dat grensde aan zijn eigendommen en verbond het aan zijn inrichting.

Een breede tuin grensde aan den anderen kant aan de gebouwen en een vier meter hooge schutting met een ijzeren poort maakte het elken voorbijganger onmogelijk, in den voortuin te komen.

Alle vensters waren van stevige traliën voorzien en inplaats van gewone ruiten had men ondoorzichtig en onbreekbaar glas gebruikt.

Door de dikke vensters en muren drong geen enkele kreet van de gevangenen tot de buitenwereld door.

Aan den achterkant van deze huizen grensde een klein park met hooge muren, waarin de patiënten konden wandelen.

Als wilde dieren werden de ongelukkigen door gevoellooze oppassers op hun wandelingen vergezeld en bewaakt.

Het kleine park was weer omringd door gebouwen, zoodat ontvluchten tot de onmogelijkheden behoorde.

Op de étage gelijkvloers bevonden zich de ontvang- en consultkamers van dr. Braddon en hieraan grensde zijn woning, die met vorstelijke weelde was ingericht.

In een kleine, smaakvol ingerichte kamer zaten Raffles en Charly Brand te wachten, tot dr. Braddon te spreken zou zijn. [6]

Een bediende in livrei stond bij de deur der ontvangkamer gereed om, zoo noodig, oogenblikkelijk de wenschen der bezoekers ten uitvoer te brengen.

Inderdaad echter was deze reusachtig gebouwde man een spion en vertrouweling van dr. Braddon, om zoowel de gesprekken der bezoekers te beluisteren, als om de eventueele vlucht van nieuwe patiënten te verhinderen.

Een zilveren bel in de kamer van dr. Braddon weerklonk ten teeken, dat de bediende de wachtenden kon binnenlaten.

Raffles en Charly Brand betraden de spreekkamer van dr. Braddon.

Met scherp onderzoekende blikken keek Raffles door het vertrek en naar den persoon van dr. Braddon, die met een korten groet slechts even van zijn stoel bij de schrijftafel opstond en met zijn vette hand vol ringen Raffles en diens vriend uitnoodigde om naderbij te komen.

Een peper en zoutkleurige, eertijds zwarte baard omgaf het breede, eenigszins opgezette gelaat van den „gekkenkoning”, zooals hem de Londensche pers noemde.

Van onder dikke wenkbrauwen keken een paar zwarte, loerende oogen Raffles aan. Dikke wallen omgaven die oogen, terwijl de neus veel te dik was en koperkleurig.

„Die kerel drinkt,” sprak Raffles tot zichzelf, den dokter nauwkeurig opnemende.

Een dunne haardos bedekte den glimmenden schedel. De gestalte van den man was gedrongen en sterk en geleek op die van een spekslager.

Een tamelijk dikke buik belette hem zelfs om gemakkelijk te zitten.

„Wat wenscht gij?” vroeg hij met heesche stem op hoogmoedigen toon.

Raffles was naast de schrijftafel komen slaan, terwijl Charly bij de deur was gebleven.

„Ik kom naar aanleiding van een droevige zaak,” sprak de groote onbekende met veranderde stem. „Mijn naam is Edward Stanhope, professor in de Anthropologie. Dus een collega van u, dr. Braddon.”

Hij legde voor den dokter een visitekaartje neer, dat den naam professor Edward Stanhope droeg.

Dr. Braddon, wiens gelaat tot dusverre een onvriendelijke uitdrukking had gehad, veranderde dadelijk en een beminnelijk, onderdanig glimlachje speelde om zijn mond, toen hij antwoordde:

„Ik ben innig verheugd, kennis met u te maken. Ik meen uw naam meermalen in wetenschappelijke tijdschriften te hebben gelezen, professor. Waarmee kan ik u van dienst zijn?”

„Zooals ik zei,” herhaalde Raffles op ernstigen toon, „het is een treurige aangelegenheid, die mij dwingt, u op te zoeken en uw hulp te vragen.

Sta mij toe,” hij maakte een handbeweging in de richting van Charly Brand, „u mijn assistent, dr. Harry Smith, voor te stellen.”

Dr. Braddon en Charly bogen en wisselden de gebruikelijke beleefdheidswoorden.

„Ik veronderstel, dat het om een zieke te doen is”, sprak dr. Braddon.

„Juist,” antwoordde Raffles, „om mijn broer. Ik heb hem een jaar lang bij mij aan huis laten verplegen en zou hem ook niet laten heengaan, maar een reis naar Borneo dwingt mij, hem eenigen tijd aan andere handen toe te vertrouwen. Een wetenschappelijk doel, een belangrijke ontdekking betreffende, noodzaakt mij, deze reis te ondernemen.

Misschien hebt gij, dr. Braddon, reeds gehoord, dat op Borneo, evenals in Frankrijk, een schedelopgraving heeft plaats gehad, die waarschijnlijk van oudere tijden spreekt dan alles wat tot dusverre op dat gebied is ontdekt.

Ik zelf heb voor ons wetenschappelijk museum meerdere menschelijke schedels in de steengroeve te Lausanne gevonden en zou de gelegenheid, welke deze nieuwe ontdekking aanbiedt, niet willen laten voorbijgaan en misschien een nieuw, testbaar resultaat voor [7]het bestaan der menschen in de ijsperiode te verkrijgen.”

Hij zweeg even en vervolgde na een poosje:

„Neem mij niet kwalijk, dr. Braddon, de belangstelling in mijn vak leidt mij geheel van de reden mijner komst af.

Om dus weer op mijn broer terug te komen, ik ben van plan, u den zieke gedurende mijn afwezigheid toe te vertrouwen.”

„Zeer aangenaam,” sprak dr. Braddon verheugd met een buiging. „Het zal uw broer bij mij aan niets ontbreken, professor. Mag ik vragen, welke ziekteverschijnselen, zich bij uw broer voordoen?”

Raffles kuchte en sprak:

„Een bijzonder geval. Het is merkwaardig, welke ideeën zich in een ziek brein kunnen nestelen.

Mijn broer is jurist. Zijn vermogen staat hem toe, zonder een beroep uit te oefenen, verder te studeeren. Ik heb reeds in de jeugd van mijn broer vreemde gedachten bij hem opgemerkt, maar heb toch nooit vermoed, dat het zoover met hem zou komen. Zijn ideaal is altijd geweest om zich bezig te houden met het ontdekken van zware misdaden.

Een jaar geleden deelde hij mij mede, dat zijn theorieën hem niet meer bevredigden en dat hij zich in de practijk wilde bezighouden met het opsporen van misdaden.

Maandenlang was hij uit mijn huis verdwenen en ik weet op het oogenblik nog niet, waar hij zich heeft opgehouden. In het kort, op zekeren avond verscheen hij in mijn studeerkamer in de kleeren van een beambte van politie, die hij bij den een of anderen uitdrager had gekocht en sprak tot mij:

„Ik verklaar u in naam der wet als mijn gevangene. Ik ben inspecteur van politie Baxter uit Londen.”

Ik lachte erom, want ik dacht, dat mijn broer schertste.

Maar helaas, ik zag weldra in, dat zijn optreden treurige werkelijkheid was, dat mijn broeder krankzinnig was geworden.”

Dr. Braddon knikte met het hoofd en sprak:

„Een dergelijk geval komt hier dikwijls voor. Een idee fixe. Vervolgingswaanzin! Is uw broer kwaadaardig?”

„Hoe meent gij dat?” vroeg Raffles.

„Ik bedoel, als men hem tegenspreekt, dat hij de Londensche inspecteur van politie is, dan begint hij te razen en te tieren, nietwaar?”

„Ja,” antwoordde Raffles, „af en toe heeft hij zich zelfs voorzien van revolvers en andere wapenen en mijn assistent en ik moesten veel moeite aanwenden om hem te kalmeeren.”

„Een dergelijken patiënt mag men nooit tegenspreken,” sprak dr. Braddon, „dat is helaas een ongeneeslijke ziekte. Wanneer denkt gij af te reizen, professor?”

„Reeds over eenige dagen,” antwoordde Raffles, „ik moet u daarom verzoeken, mijn broeder reeds morgen in uw inrichting op te nemen.”

„Ik heb op het oogenblik een zeer mooie kamer disponibel,” vertelde dr. Braddon, in een boek bladerend, dat op zijn schrijftafel lag. „Het is no. 310; die kamer kost met verpleging eerste klasse en een bijzonderen bewaker driehonderd pond sterling per maand.

Ik neem geen patiënten aan, zonder dat de prijs van een jaar is vooruitbetaald. Ik verzoek u dus, professor, om aan mijn kassier het bedrag van drieduizend zeshonderd pond sterling te betalen.

Indien gij wenscht, dat uw broeder sigaren of alcoholische dranken gebruikt, welke niet in de verpleging zijn begrepen, dan moet ik u verzoeken, een extra bedrag te deponeeren. Voor eventueele bijzondere uitgaven moet tweehonderd pond sterling worden betaald. Medicijnen en, zoo noodig, medische behandeling, worden u in rekening gebracht.

Kleeren, evenals lijfgoed, bedde- en tafellinnen moeten worden meegebracht. Zoodra gij voor dit alles hebt gezorgd, ben ik bereid, uw broeder in mijn inrichting op te nemen.

„Goed”, sprak Raffles, „ik zal u morgenochtend [8]het gewenschte door mijn bediende laten brengen en morgenmiddag zal mijn broer bij u komen. Daar hij, evenals alle dergelijke zieken, zeer wantrouwend is en waarschijnlijk zou weigeren, onder mijn geleide hier te komen, verzoek ik u, mij een brief voor hem mee te geven van den volgenden inhoud:

„Waarde Heer!

In zake een gewichtige misdaad verzoek ik u om mij in den middag tusschen 4 en 5 uur te willen bezoeken.

Hoogachtend, enz.”

Ik zal het bedrag van duizend pond sterling dadelijk bij u deponeeren en de rest morgen door mijn bediende u toezenden.”

Raffles zag, hoe dr. Braddon met begeerige oogen het biljet van duizend pond, dat de groote onbekende uit zijn portefeuille nam, opstreek.

Dr. Braddon schreef hiervoor een kwitantie.

Daarop ham hij een vel papier, met zijn naam bedrukt, en schreef wat Raffles verlangde.

Met beleefde woorden namen de bezoekers afscheid. Toen zij het bureau hadden verlaten, grijnslachte dr. Braddon, wreef zich vergenoegd de handen en sprak:

„De zaak bloeit! Nu is de laatste vrije kamer weer bezet.

Er zijn meer gekken in de wereld dan ik kamers heb om ze te herbergen.”

Raffles had intusschen in een huurrijtuig plaats genomen en reed terug naar zijn huis aan het Waterlooplein.

Ook hij was zeer tevreden en sprak tot Charly Brand:

„De val is gezet, mijn lieve Braddon, morgen klapt ze dicht.”