[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

TWEE HEEREN DIENEN.

Den volgenden voormiddag verliet Raffles zijn woning, vermomd als een bediende van deftigen huize.

Met een hoogmoedige en dombrutale uitdrukking op het gelaat ging hij naar verschillende winkels in linnengoederen en kocht de door dr. Braddon verlangde uitrusting voor inspecteur Baxter.

Daarop nam hij een rijtuig en reed met het pakket naar de inrichting van dr. Braddon.

Hij werd in een kantoor gebracht, waar men hem het goed afnam.

Daarop ging hij naar de kas, om het nog ontbrekende bedrag te betalen.

Toen hij de quitantie had ontvangen, kwam de bediende van dr. Braddon uit de wachtkamer en meldde:

„Dr. Braddon wenscht u te spreken.”

„Mijn tijd is zeer beperkt,” antwoordde Raffles met het domverwaande gezicht van een deftigen bediende. „Ik heb nog veel te doen.”

„Het zal maar eenige minuten duren,” meende de bediende van den dokter. [9]

Raffles volgde hem in de studeerkamer van zijn meester. Dr. Braddon zat weer aan zijn schrijftafel en zonder Raffles, die als een welopgevoed ondergeschikte bij de deur bleef staan, dichterbij te laten komen, vroeg hij:

„Hoe lang zijt gij al in dienst bij professor Stanhope?”

„Reeds tien jaar,” antwoordde Raffles.

„Zoo, zoo,” antwoordde Braddon, schijnbaar in verschillende papieren snuffelend. „Rijke familie?”

„Ja,” antwoordde Raffles, „maar het spijt mij u te moeten zeggen, dat ik mij niet gaarne over mijn meester laat uithooren.”

„Praat geen nonsens,” bulderde dr. Braddon hem toe.

„Groet mijnheer den professor en zeg hem, dat ik zijn broer op den afgesproken tijd, vanmiddag tusschen 4 en 5, verwacht. Zeg eens, bedient gij den broer, den patiënt?”

„Ja,” antwoordde Raffles, „en ik zal mijnheer vanmiddag zelf brengen. Hij volgt mij in alles. Ik kan heel goed met hem opschieten.”

„Het is goed. Gij kunt gaan.”

Raffles verdween en begaf zich naar zijn huis terug.

Het was tegen half vier in den namiddag, toen Raffles, nog steeds als bediende verkleed, met hetzelfde verwaande uiterlijk als des morgens, zich tot den dienstdoenden beambte in Scotland Yard wendde en dezen meedeelde, dat hij een brief persoonlijk aan inspecteur Baxter moest overhandigen. Argeloos bracht de beambte hem naar den chef der Londensche politie.

Raffles bleef beleefd voor den inspecteur staan, maakte een buiging en sprak:

„Compliment van mijn meester en ik moet u dezen brief geven.”

Inspecteur Baxter nam den brief, die den vorigen dag door dr. Braddon was geschreven en las hem.

„Wenscht gij antwoord mee te hebben?” vroeg de inspecteur.

„Gaarne,” antwoordde Raffles, „ik kreeg opdracht, mijnheer den inspecteur dadelijk mee te brengen.”

Allright,” sprak Baxter, „er schijnt iets gewichtigs bij u te zijn voorgevallen. Ik zal dadelijk met u meegaan.”

Hij maakte zich gereed en volgde Raffles.

Deze riep een auto aan, opende het portier en bleef met zijn hoed in de hand staan, totdat de inspecteur in den wagen had plaats genomen.

Daarop sloot Raffles de deur en nam naast den chauffeur plaats, als een goed geschoold bediende, met gekruiste armen.

Na een rit van een half uur hield de auto stil voor de inrichting van dr. Braddon.

Weer opende Raffles het portier der auto, opnieuw nam hij zijn hoed af voor den uitstappenden inspecteur van politie en daarna ging hij hem voor het gebouw binnen.

Dr. Braddon verwachtte hen reeds.

Raffles bracht den inspecteur door de kleine voorkamer, klopte aan de deur van het studeervertrek, opende deze en diende aan: inspecteur van politie Baxter uit Londen.

Op dit oogenblik drukte dr. Braddon op een electrisch knopje, dat zich onder zijn bureau bevond en gaf daardoor een teeken aan de in het souterrain gelegen verplegerskamer.

Hij drukte driemaal en dit beteekende drie verplegers.

Al naarmate hij de lichaamskracht van den patiënt taxeerde, liet hij een of meer verplegers komen. Dr. Braddon stond uit zijn stoel op en ging den inspecteur tegemoet.

Met een vriendelijk glimlachje reikte hij hem een hand en sprak:

„Ik ben zeer verheugd, heer inspecteur van politie, dat gij gevolg hebt gegeven aan mijn brief en ik verzoek u, plaats te nemen.”

Baxter ging zitten en antwoordde:

„Ik moet u verzoeken, doctor, de zaak zoo snel mogelijk te behandelen, daar ik heden nog met mijn [10]rechercheurs een groote misdaad moet behandelen.”

Dr. Braddon glimlachte goedig.

„De zaak zal spoedig opgeknapt zijn, inspecteur, en ik hoop, dat gij tevreden over mij zult zijn.”

„Waarover handelt het?” vroeg Baxter vol belangstelling.

De stoel, waarop de bezoeker zat, was een uitvinding van dr. Braddon en zoo ingericht, dat men weerspannige patiënten er gemakkelijk op vast kon binden.

Achter de rugleuning was een onzichtbare deur aangebracht. De op den stoel zittende kon dus niet zien, wanneer deze geopend werd.

Door die deur waren onhoorbaar, op schoenen met gummizolen, drie forschgebouwde verplegers binnengekomen en wachtten op een wenk, om zich op inspecteur Baxter te werpen en dezen te boeien.

Nu hief dr. Braddon zijn arm op, ten teeken, dat de inspecteur moest worden weggebracht.

Baxter, die zich juist begon te verbazen, dat dr. Braddon geen antwoord gaf, kreeg dit op onverwachte wijze. Op het teeken van den dokter sprongen de drie bewakers naar den inspecteur toe, en voordat deze een kreet kon slaken, was hij op zijn stoel vastgesnoerd, zoodat hij zich op geen enkele manier kon bewegen.

„Wat wilt gij van mij? Zijt gij gek?” riep Baxter uit, woest om zich heen slaande.

„Voor den duivel! Laat mij los! Ik ben de inspecteur van Scotland Yard!”

„Zeker, zeker,” lachte Braddon, „gij zijt de inspecteur van politie van Scotland Yard. Daaraan twijfelen wij geen oogenblik. En daarom moet gij, om een misdaad aan het licht te brengen, eenigen tijd uw tenten bij mij opslaan.”

„Vervloekt Sir! daarvoor is het toch niet noodig om mij als een krankzinnige te boeien.”

„Laat dat maar aan mij over,” sprak dr. Braddon. „Brengt hem weg.”

De verplegers tilden den van handvatten voorzienen stoel met den vastgebonden inspecteur van politie op en droegen den patiënt, die nu luid brullend begon te vloeken, uit de kamer.

Nu keerde Braddon zich om en zag den bij de deur wachtenden bediende, die zijn zakdoek voor de oogen hield en snikte.

„Huil niet!” sprak dr. Braddon.

„Mijn goede heer— —mijn beste, brave heer!—” riep Raffles uit.

„Hij blijft slechts eenige minuten in den stoel,” stelde dr. Braddon den bediende gerust.

„Zoodra hij gekalmeerd is, wordt hij losgelaten en bevindt zich dan in een zeer goed ingerichte kamer. Meld nu den professor, dat zijn broer goed bezorgd is.”

Raffles maakte een buiging en verliet de inrichting.

Toen hij thuis was, sprak hij tot Charly Brand:

„Nu is Scotland Yard zonder inspecteur van politie en opdat dit niet opvalt, zal ik mij telefonisch met Scotland Yard in verbinding stellen en daar meedeelen, alsof ik inspecteur Baxter was, dat ik verscheiden dagen buiten Londen moet blijven. Ook zijn familie zal ik dit bericht doen toekomen.

De val is dicht, dr. Braddon!” [11]