Inspecteur Baxter kon nu persoonlijk ervaren, wat het zeggen wil om voor de overmacht te moeten bukken.
Op het hoofdbureau van politie bracht men verstokte misdadigers zonder erbarming in een donkere cel, waar zij met knuppels en gummistokken zoolang bewerkt werden, tot zij een bekentenis aflegden, of murw geslagen werden.
Dat noemde men den derden graad toepassen.
Toen de bewakers hem van den stoel losbonden om hem naar zijn kamer te brengen, stortte hij zich op den dichtstbijstaande, sloeg dezen neer en wilde zich op den tweede werpen, toen een half dozijn mannen hem beetpakten en hem, ondanks wanhopigen tegenstand, in een cel voor gevaarlijke krankzinnigen wierpen.
Uit dit vensterlooze, door dikke muren omgeven vertrek, waarheen dubbele deuren toegang gaven, tusschen welke een bewaker kon staan om den in de cel opgeslotene te bespieden, drong geen enkel geluid.
De parketvloer was spiegelglad geboend, opdat de voeten van den ongelukkige geen steunpunt vonden.
De bewakers daarentegen, met hun gummizolen, stonden er vast op.
In een dergelijke cel brachten de bewakers den inspecteur en ranselden zoolang op hem, totdat hij in een hoek lag en om genade smeekte.
„Allright”, sprak de hoofdverpleger, „nu ken je onze manieren. Neem je voortaan in acht en denk niet, dat je met ons kunt doen wat je wilt. Hier zijn wij de baas en als je nog eens lust mocht krijgen om met ons te beginnen, dan hebben wij nog betere dwangmiddelen. Denk daaraan.”
Inspecteur Baxter zag in, dat verzet tegen de overmacht hem niets zou baten. Hij besloot dus, zich door list te helpen.
Men had hem de kleeren uitgetrokken en een dwangbuis aangedaan. Dat was van onscheurbaar dril en zonder naad gemaakt en werd op den rug met zoogenaamde patentknoopen gesloten. De mouwen waren een halve meter te lang en konden zoodanig geknoopt worden, dat de persoon, die het buis droeg zijn armen en handen niet kon gebruiken.
Een met lucht gevulde zak lag in een hoek der cel als slaapgelegenheid.
Hier liet men den nieuwen patiënt twee dagen lang. Daarop kwam dr. Braddon, vergezeld door den hoofdverpleger, bleef in de deur staan en sprak:
„Breng den man nu naar zijn kamer. Zoodra hij zich wederom weerspannig mocht toonen, wordt hij in de keldercel opgesloten.”
„Ik maak er u attent op,” sprak Baxter, „dat gij de gevolgen van uw handelwijze moet afwachten. Aan mij is een misdaad begaan; ik ben niet krankzinnig en even verstandig als gij. Ik herhaal u, dat ik de inspecteur van politie van Scotland Yard ben.”
Dr. Braddon antwoordde met een glimlach.
„Goed, goed, ik weet, dat gij de inspecteur van Scotland Yard zijt en gij bevindt u bij mij in uitstekend gezelschap. Gij zult bij mij den Koning van Engeland, den Keizer van Rusland en andere allerhoogste potentaten aantreffen, zelfs is de lieve God bij mij.
„Ik zou niet weten, waarom gij, als inspecteur van politie, niet evengoed verblijf bij mij zoudt houden. [12]
„Ik hoop, dat het u hier goed zal bevallen en dat wij de beste vrienden zullen worden.”
Dr. Braddon verliet de cel en inspecteur Baxter werd naar zijn kamer op de vierde verdieping gebracht.
Het was een vertrek met verschillende bedden, in het midden stond een groote tafel, waaraan eenige verplegers zaten te kaartspelen.
Op een leeren sofa hadden verscheiden ongelukkigen plaats genomen, die den binnentredende inspecteur met groote oogen aankeken.
„Hier is de nieuwe”, sprak de verpleger tot zijn collega’s, terwijl hij Baxter naar binnenduwde.
„De kerel verbeeldt zich, de Londensche inspecteur van politie te zijn.”
„Dien kunnen wij hier juist gebruiken,” antwoordde de hoofdverpleger van de afdeeling en naderde den binnentredende.
Hij pakte hem ruw beet en spotte:
„Wel, inspecteur van politie? Blij, kennis met je te maken, leelijke hond! Je zult het goed bij mij hebben. Wij leeren elkaar hier beter kennen dan wanneer ik bij bij jou in Scotland Yard was. Ik sla je al je tanden uit je bek, als je mij gevangen wilt nemen. En ga nu op de sofa zitten en geef geen geluid, anders zal je eens wat ondervinden.
„Ik houd van rust, denk daaraan!”
Baxter antwoordde geen woord, maar ging naast de ongelukkige zieken op de sofa zitten, terwijl de verplegers, ruw vloekend, verder speelden.
Wel een uur lang had hij zoo gezeten, toen een der patiënten met haperende stem begon te bidden.
„Stilte!” gebood dé hoofdverpleger den man. „Vervloekte schijnheilige, wil je zwijgen?”
Maar de patiënt, die aan godsdienstwaanzin leed, lette niet op dit verbod, stond op en bad verder.
Toen een der verplegers hem op de sofa terug wilde duwen, sloeg hij met zijn hand naar dezen.
Dit was het teeken om den ongelukkige aan te vallen.
Als een bende wilde bandieten wierpen de verplegers zich op den patiënt, gooiden hem op een bed en begonnen hem onbarmhartig met hun vuisten te slaan.
Dit benam Baxter zijn laatste kalmte.
Hij sprong op, greep een stoel en sloeg hiermee op de verplegers los.
En het gelukte den vier mannen niet, den woedenden en zich als dol aanstellenden inspecteur te overweldigen.
Gillend moesten zij uit de kamer vluchten en andere verplegers te hulp roepen.
Baxter wist, wat nu zou gebeuren. Hij schoof de bedden en tafels voor de deur en barrikadeerde deze.
Daarop sloeg hij met een stoelpoot de vensterruit stuk en riep door de opening luide om hulp.
Maar het vertrek lag niet aan den straatkant, maar kwam uit op de binnenplaats.
Voor de deur waren de verplegers samengekomen en Baxter dacht elk oogenblik, dat een nieuw gevecht zou beginnen.
Maar hij vergiste zich.
De verplegers hadden respect voor zijn kracht gekregen en wisten, dat hij gewapend was.
Ook dr. Braddon, die bericht had gekregen, was verschenen.
Hij gaf nu aan, welke maatregelen genomen moesten worden om den razenden Baxter onschadelijk te maken.
Boven de deur bevond zich een klein venster, dat diende om het licht van een gasvlam, die op de gang brandde, in de kamer te doen schijnen.
Dit venster werd nu geopend en een verpleger verscheen ervoor.
Hij bracht den mond van een waterslang in de kamer.
Voordat Baxter nog wist, wat de verpleger hiermee wilde doen, trof hem een straal warm water dat hem tot op de huid nat maakte. [13]
Baxter trachtte, zich tegen den waterstraal te beschermen, maar dit was te vergeefsch.
De kamer bood hem geen bescherming tegen het natte element. Plotseling voelde de inspecteur, dat de straal al warmer en warmer werd, totdat deze zoo heet was dat hij het bijna niet meer kon uithouden.
„Brand hem het vleesch van het lijf!” schreeuwde dr. Braddon.
Nu begreep Baxter het vreeselijke gevaar, waarin hij zich bevond.
De onmenschen hadden de waterslang aan de stoomverwarming van het gebouw aangesloten met de bedoeling, den oproerigen patiënt te verbranden.
Met een tafelblad als schild trachtte Baxter zich tegen het kokende water te beschermen.
De patiënten, die zich met hem in de kamer bevonden, brulden van pijn, want ook zij werden door de heete stralen getroffen.
„Verzuipt den geheelen troep”, riep de hoofdverpleger buiten.
Baxter zag in, dat hij tegen dit paardemiddel machteloos was en riep tot den verpleger, die de slang vasthield:
„Houdt op, ik geef mij over!”
„Allright!” sprak dr. Braddon, die naast den verpleger op een ladder stond, „maak de deur open!”
Inspecteur Baxter ruimde de voor de deur aangebrachte barricade weg en wachtte, zonder zich verder te verdedigen, de verplegers af.
Als een bende jachthonden vlogen zij op hem aan, scheurden hem de natte kleeren van het lichaam en trokken hem opnieuw een dwangbuis aan.
„Dit is een moordenaarshol!” riep Baxter tot dr. Braddon, die het tooneel stond aan te kijken.
„Slaat den kerel!” schreeuwde dr. Braddon en als hagelsteenen vielen de vuistslagen op Baxter neer.
Daarop beval dr. Braddon:
„Brengt hem in den kelder en sluit hem aan. Wij zullen hem wel tam krijgen. De hond brengt anders de geheele inrichting in opstand.”
Door acht verplegers werd Baxter nu naar den kelder gebracht en in een vertrek geduwd, dat volkomen donker en ijskoud was.
Een electrische lamp aan de zoldering werd opgedraaid en Baxter zag drie slachtoffers, die in verschillende hoeken van den kerker op den steenen vloer lagen zonder iets om op te liggen en die met ijzeren ringen zoodanig aan den vloer waren vastgemaakt, dat zij niets eens konden opstaan.
Zij hieven een woest gebrul aan, toen de verplegers met Baxter binnentraden.
„Beulsknechten!—moordenaars!—galgenhonden!—vervloekte misdadigers!” riepen de gevangenen tot hun pijnigers.
Deze antwoordden met een ruwen lach.
De inspecteur van politie trachtte nog eenmaal om zich te verzetten; het gelukte hem ook, twee zijner vijanden door trappen onschadelijk te maken, maar daarop overweldigden de anderen hem en sloten hem aan ijzeren ringen vast.
Nadat zij hem nog verscheiden vuistslagen hadden toegebracht en met de voeten hadden getrapt, verlieten zij het vertrek, sloten de zware deur achter zich dicht en draaiden het licht uit. De inspecteur van politie bevond zich, als een wild dier onschadelijk gemaakt, in een vertrek, zooals zijn phantasie het niet griezeliger kon uitdenken.
Hij had daar wel een kwartier gelegen, toen hij de stem van een zijner lotgenooten in het donker hoorde, die tot hem riep:
„Waart gij ook zoo dwaas? Hebt ge u ook tegen die moordenaars willen verzetten?”
„Ja”, antwoordde inspecteur Baxter, „Wie zijt gij?”
„Ik ben bankier Gulden”, antwoordde de stem, „en sinds drie dagen in dit moordenaarshol. Mijn zoon heeft mij hierheen gebracht, om zich mijn vermogen toe te eigenen en die schurk, dokter Braddon, helpt hem erbij.”
„Wie zijt gij?”
Baxter dacht erover na, of hij den bankier zijn [14]werkelijken naam zou meededen; hij zag geen enkele reden, om dien te verbergen en antwoordde: „Ik ben de inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard.”
„Wie zijt gij?” vroeg bankier Gulden met groote verbazing. „Zijt gij de inspecteur van politie van Scotland Yard? Mijn hemel! Dan zijt gij de persoon, aan wien ik hier voortdurend denk”.
„Ja,” herhaalde Baxter nogmaals, „ik ben de inspecteur van politie van Scotland Yard”.
„Maar dat is immers onmogelijk, dat kan niet,” antwoordde Gulden, „verbeeldt gij u dat misschien ook?”
„Neen”, sprak Baxter, „maar ik ben door een misdadiger in deze vreeselijke hel vol menschelijke ellende gesleept!”
„Heer in den hemel, ik dank u!” fluisterde bankier Gulden, „als gij de waarheid spreekt en werkelijk de Londensche inspecteur van politie zijt, dan zijn wij gered. Men zal er zich in Scotland Yard toch zeker mee bemoeien, waar gij gebleven zijt.”
In zijn opgewondenheid had de inspecteur nog niet gedacht aan datgene, wat de bankier nu zeide. Zijn woorden vielen als een heldere zonnestraal in den vreeselijken nacht van ellende, die hem omgaf.
In Scotland Yard zou men zoeken—men moest hem vinden.
„Hier liggen nog drie ongelukkigen,” sprak bankier Gulden.
„Zij zijn al maandenlang hier in dit vreeselijk verblijf en evengoed bij hun verstand als gij en ik. Maar hun misdadige familie en deze moordenaar Braddon, die tot alles in staat is om geld te verdienen, houdt ze even vast als mij. Wij hebben ons allen even wanhopig verdedigd als gij en daarmede het beste bewijs gegeven, dat wij toerekenbaar zijn. Maar wat kon ieder van ons tegen de overmacht uitrichten? Het is krankzinnig, om dat te probeeren.”
„Ja” antwoordde Baxter, „het is zinneloos, men speelt het met deze schurken alleen klaar, als men zich rustig houdt.”
„Gij kunt hier de vreeselijkste geschiedenissen hooren,” vervolgde bankier Gulden, „geschiedenissen, die u de haren te berge doen rijzen, hoewel gij een detective zijt. Hier vlak bij bevindt zich de lijkenkelder. Gisteren hebben zij iemand, die nauwelijks dood was, geschouwd. Gij kunt de kleine, houten deur, die zich hier dicht bij mijn plaats bevindt, niet zien, maar hooren kunt gij elk woord, dat daar gesproken wordt.
„Dr. Braddon moet de lijken van zijn vroegere patiënten, zooals de wet dat voorschrijft, schouwen, om de doodsoorzaak vast te stellen.
„Eergisteren hoorden wij, dat iemand in den lijkenkelder werd gebracht.
„Gistermorgen kwam dr. Braddon met zijn assistent en hoofdverpleger.
„„Het is tijd, dat de man mijn inrichting verlaat.
„„Hij heeft geen familie en als betaling voor de jarenlange verpleging, die hij heeft genoten, terwijl hij hier was, krijg ik zijn levensverzekering uitbetaald.
„„Zoo, laat ons nu de lijkschouwing beginnen.””
„Gij denkt dus, dat de arme drommel zijn natuurlijken dood niet is gestorven?” vroeg Baxter.
„Zeer weinigen doen dat hier, òf zij verhongeren, òf de vreeselijke mishandelingen van deze beulen doen hen een ellendigen dood sterven.”
„Ontzettend,” mompelde de inspecteur, „het is nauwelijks te gelooven, wat gij vertelt.”
„Ik zweer het bij God den Almachtige,” sprak mr. Gulden, „en mijn lotgenooten kunnen het bevestigen.”
„He—Frederik!” riep hij tot een der anderen, „vertel jij eens wat je weet. Jij bent nu bijna acht jaar in dit moordhol.”
„Ja,” antwoordde een matte stem uit het donker, „acht lange jaren ben ik al hier. Mijn vrouw heeft mij hier gebracht, omdat zij van een ander hield en ik mij niet van haar wilde laten scheiden.
„Die ander was mijn koetsier. Ik was hun in den [15]weg en toen ruimden zij mij op die manier op.”
„Wie zijt gij?” vroeg Baxter.
„Ik was advocaat en heet Frederik Larson,” antwoordde de onbekende.
„Mijn kantoor lag aan het Strand, van mijn vader bezat ik een groot vermogen. Ik trouwde ondoordacht met een kellnerin en dacht, een beter mensch van haar te kunnen maken. Tot dank daarvoor bevind ik mij sinds acht jaar in deze inrichting.”
„Wordt hier dan nooit controle uitgeoefend?” vroeg Baxter.
„Ja,” antwoordde de advocaat, „eens per jaar. Maar die wordt steeds van te voren aangekondigd en op den dag, waarop dat geschiedt, worden wij „gevaarlijke patiënten,” in een cel voor woestelingen gebracht en daarin komt niemand.
„Dr. Braddon is een zeer geslepen schurk.”
Het rommelen van sleutels bij de deur maakte voorloopig een einde aan het gesprek.
De verplegers kwamen nu het vertrek binnen met een schaal soep.
Het electrische licht, werd weer opgedraaid en nu kon Baxter zijn op den vloer vastgeketende lotgenooten zien.
Verwilderde baarden omgaven hun gezichten, die verwrongen waren van smart en woede en uit hun diepe kassen keken de oogen troosteloos rond.
„Neemt de soep weer mee,” riep bankier Gulden uit, „wij laten ons niet vergiftigen door uw duivelstuig.”
Inspecteur Baxter, die honger had, wilde zich iets van het voedsel laten geven. Maar de advocaat sprak:
„Neem niets van de soep—die bevat een sterk slaapmiddel—chloral—en dat maakt iemand zoo suf, dat men niet meer kan denken.”
Baxter spuwde de lepel vol soep, die hij reeds in den mond had, weer uit.
Een der verplegers gaf hem daarvoor een trap en daarop verlieten zij het vertrek weer.
Opnieuw begonnen de ongelukkigen elkaar in het donker de gruwelijke geschiedenissen te vertellen, die zij in de inrichting hadden meegemaakt.
Inspecteur Baxters haren rezen te berge, om alles, wat hij dien nacht te hooren kreeg.
Een hel kon geen grooter gruwelen verbergen dan het krankzinnigengesticht van dr. Braddon.
Tegen den morgen toen Baxter zou inslapen, hoorde hij, hoe de deur van den lijkenkelder geopend werd en de verplegers een lijk binnenbrachten.
„Jammer voor het meisje,” zei een van hen, „maar zij deed als een gek. Zij wilde in het geheel niet eten, hoewel zij zelf toch moest begrijpen, dat dat het verstandigste was.”
„Trek haar den briljanten ring van den vinger” sprak de andere verpleger.
„Ik heb het al geprobeerd, maar die zit te vast.”
Baxter hoorde de verplegers nog eenigen tijd samen spreken, daarop verlieten zij onder ruwe scherts het vertrek en Baxter viel, uitgeput door alles wat hij had gezien en gehoord, in slaap.
Benauwde droomen, waarin het doorleefde nogmaals met groote duidelijkheid voor zijn geest kwam, maakten zijn slaap onrustig en nog voordat de morgen was aangebroken, waren Baxter en zijn lotgenooten ontwaakt en vulden met hun zuchten en klagen de plek van de misdaad. [16]