[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

RAFFLES IN HET GESTICHT.

„Hoewel inspecteur Baxter mijn gezworen doodsvijand is,” sprak Raffles tot Charly Brand, „moet ik hem toch te hulp komen. Ik heb een prachtig plan uitgedacht.

Ik zal mij als verpleger door dr. Braddon laten aannemen.”

Charly Brand trachtte tevergeefs, Raffles van zijn voornemen af te brengen.

De groote onbekende trok eenvoudige kleeren aan, deed een onzindelijken boord en slordig dasje om zijn hals en begaf zich, ondanks het koude winterweer, zonder overjas op weg naar dr. Braddon.

Hij maakte nu een verwaarloosden en armoedigen indruk.

Hij zag er uit als een jonge man, die werkeloos is en, door nood en ellende gedreven, langs de Londensche straten zwerft.

Toen hij in het kantoor van de inrichting zijn verzoek voordroeg en allerlei papieren met goede getuigschriften, welke hij jaren geleden in de zakken van een op straat verongelukten jongen man had gevonden, voor dr. Braddon neerlegde, antwoordde de geneesheer hem na eenig nadenken:

„Ik zal u een plaats geven. Gij krijgt tien pond per maand, vrije inwoning en kleeding. Betoont gij u als een bruikbaar mensch, dan krijgt gij elke maand een pond opslag.

Bij de geringste onregelmatigheid of verzuim tegen de regelen van dit huis of tegen mijn bevelen zal ik u onmiddellijk ontslaan.”

Raffles zegevierde!

Het plan was gemakkelijker gelukt dan hij had gedacht.

Dr. Braddon riep den hoofdverpleger van de zoogenaamde tweede afdeeling, waar slechts ernstige patiënten werden verpleegd en deze nam Raffles mede, om hem in zijn werkzaamheden in te leiden.

Een beeld van vreeselijke ellende vertoonde zich aan Raffles’ oogen.

Eerst op een wandeling, die hij in den tuin moest maken met een reeks patiënten, zag hij de inrichting in haar ware gedaante.

Met duidelijken blik zag Raffles een aantal van deze zieken, wien letterlijk niets anders mankeerde dan de vrijheid.

Ook gelukte het hem, de gesprekken van eenige hunner af te luisteren.

Met veel belangstelling vernam hij, hoe twee patiënten over de mogelijkheid van een eventueele vlucht spraken.

Andere tooneelen op die wandeling vervulden zijn ziel met afschuw.

Er waren patiënten, die als wilde dieren met een touw aan een paal waren vastgebonden, op handen en voeten rondkropen en zich aanstelden als totaal zinneloozen. Zij aten aarde en stieten woeste, toornige kreten uit.

Weer andere spraken wartaal of stelden zich aan Raffles voor als keizer van Rusland of de een of andere beroemdheid.

Een woesteling, die plotseling een aanval kreeg, werd als een groote visch in een net gevangen en weggedragen. [17]

Alle verschrikkingen der hel schenen hier vertegenwoordigd te zijn.

Met onverschillig gelaat keken de dienstdoende verplegers naar dit alles, terwijl zij ongepaste grappen verkochten over de aan hun zorgen toevertrouwde ongelukkigen.

Tevergeefs zocht Raffles naar inspecteur Baxter.

Wat zou er met hem gebeurd zijn?

Raffles had onder zijn hemd verborgen een bos kunstig gemaakte loopers zoowel als zijn revolver, messen en scharen.

Toen het avond werd en hij de slaapzaal binnentrad, die hij met andere verplegers deelde, wachtte hij totdat zijn collega’s zich ter ruste hadden begeven. Daarop verliet hij het vertrek, om het gebouw in oogenschouw te nemen.

Maar hij zag weldra in, dat het bij de vele verplegers, die nachtdienst hadden en die in de gangen zaten te lezen, onmogelijk was om zijn plan te volvoeren.

Hij moest in de slaapzaal terugkeeren en een andere gelegenheid afwachten om het verblijf van den inspecteur van politie uit te vinden.

Den volgenden avond begaf hij zich met de hem overhandigde sleutels, zooals hij tot zijn collega’s zeide, naar de keukens om naar een ouden kennis van hem te vragen.

Deze moest, zoo vertelde hij aan de verplegers, een betrekking in de keuken hebben gekregen.

De mannen kenden elkaar onderling niet, daar de inrichting zeer groot en de ruimte te uitgestrekt was.

Zonder argwaan te verwekken, bereikte Raffles den tuin, dien hij moest passeeren om in de keuken te komen. Daar hoorde hij uit het kleine kelderraampje aan zijn rechterzijde vloekende en schimpende stemmen.

Haastig hurkte hij neer en was zoodoende in staat om een deel van het gesprek mede aan te hooren, dat bankier Gulden met inspecteur Baxter voerde.

Nu had Raffles de verblijfplaats van zijn vijand Baxter, wiens stem hij dadelijk had herkend, ontdekt!

Hij ging in het gebouw terug en liep de trap naar den kelder af.

Niemand had hem opgemerkt.

Met lucifers, die hij had meegenomen, verlichtte hij zijn weg door de donkere gangen, totdat hij bij de deur kwam, waarachter hij zooeven de stemmen had vernomen.

Verscheidene seconden bleef hij voor de deur staan en overlegde, wat hij zou doen.

Daarop haalde hij zijn bos loopers te voorschijn en opende met geringe moeite de met ijzer beslagen, zware deur.

Zooals zijn gewoonte was, sloot hij deze weer achter zich dicht. Daarna streek hij een lucifer aan om te zien, waar hij zich bevond.

Vol ontzetting liet hij het licht vallen, toen hij de op den grond vastgeklonken ongelukkigen zag.

Daar riep bankier Gulden plotseling uit:

„Wat wilt gij—schurk van een verpleger?”

„Stil, man! Ik ben geen verpleger. Ik wil u allen helpen!

Bevindt de inspecteur van politie Baxter zich in dit verblijf?”

„Ja,” antwoordde deze, „ik lig hier vastgeketend en kan mij niet bewegen.

Wie zijt gij?”

Raffles streek een nieuwen lucifer aan en bij het licht daarvan herkende hij den dichtbij hem liggenden inspecteur van politie.

„Ik ben het,” antwoordde Raffles, „een oude bekende van u, inspecteur.

Ik heet John Raffles!”

De woorden klonken den inspecteur als een kanonschot in het oor. Hij meende te droomen en een spook te zien.

„Zijt gij werkelijk John Raffles?” vroeg Baxter vol twijfel in zijn toon. [18]

„Ja,” antwoordde de groote onbekende, „ik ben het zelf”.

„Dan zijt gij op een merkwaardige plaats verzeild geraakt,” schertste de inspecteur van politie, ondanks de wanhopige positie, waarin hij zich bevond, „in dit verblijf zijn geen brandkasten, hier zijn geen kostbaarheden te stelen!”

„Ik geloof toch,” antwoordde Raffles, „dat ik bijvoorbeeld vannacht den Londenschen inspecteur van politie zou kunnen stelen.”

„Raffles,” antwoordde Baxter en zijn stem klonk voor het eerst tegenover zijn gehaten vijand niet bevelend, „Raffles, wanneer gij een medelijdend hart bezit, zooals de wereld dat van u vertelt, pleeg dan den edelsten diefstal van uw geheele leven door mij en deze ongelukkigen uit de macht van een schurk te redden.”

„Inspecteur,” sprak Raffles, „ondanks mijn handigheid, die gij kent, ben ik daartoe niet in staat. Ik kan u niet hier vandaan stelen. Maar houd goeden moed, ik zal u bevrijden, onder een voorwaarde.”

„En die is?” vroeg de inspecteur van politie met ingespannen verwachting.

„Zweer mij bij uw ambtseed, dat gij, zoodra gij uw vrijheid terug hebt, dr. Braddon en zijn medeplichtigen ter verantwoording zult roepen en dit moordenaarshol in het belang van veel ongelukkigen zult sluiten.”

„Dat zweer ik u, zoo helpe mij God!” antwoordde Baxter op plechtigen toon.

Allright”, sprak Raffles, „binnen vier-en-twintig uur zult gij weer in Scotland Yard terug zijn en kunt gij erover nadenken, hoe gij mij, den grooten onbekende, den man, die u, naar gij beweert, krankzinnig maakt, het best en het spoedigst naar Old Bailey kunt zenden.”

Raffles wilde juist de deur openen en bet verblijf weer verlaten, toen hij een luid geschreeuw in den kelder hoorde.

„Stil,” fluisterde bankier Gulden, „er wordt een ongeluksvogel in dit hol gebracht. Vlucht Raffles! Als men u ontdekt, zijt gij een kind des doods.

Spoorloos zal men u hier laten verdwijnen en gij wordt als voeder voor de varkens geworpen.

Verberg u in den lijkenkelder! Die deur voert er heen.

Raffles ontstak weer een lucifer, snelde naar de kleine houten deur en begon het slot met zijn loopers te bewerken.

Op het oogenblik, dat de verplegers een nieuwen patiënt naar binnen sleepten, was Raffles den lijkenkelder binnengegaan en had hij de houten deur achter zich dicht getrokken.

„Laat mij los!” hoorde hij de stem van een man in het andere vertrek zeggen. „Men heeft mij met geweld hierheen gebracht! Ik ben niet krankzinnig!—

Mijn stiefvader is een schurk. Hij wil mij en mijn zuster uit den weg ruimen, om van ons geld te leven.

Ik beloof u duizend pond, als gij mij vrij laat.

Ga naar mijn zuster, Miss Eliot, zij woont in de Old Broad Street no. 4.

Vervloekt! Laat mij los! Pak mij niet zoo ruw beet! Wat heb ik dan misdaan?

„Je bek zal je houden!” schreeuwde een der verplegers. „Denk je, dat wij ons door jou de beenderen stuk laten slaan? Twee van onze kameraden heb je zoodanig toegetakeld, dat zij wekenlang in het gasthuis moeten liggen.”

„Ik heb mij alleen maar verdedigd,” antwoordde de ongelukkige. „Gij hebt het recht niet, mij hier vast te houden.”

„Legt hem vast,” zei een andere verpleger, „en laten wij maken, dat wij weer uit dit hondenhok vandaan komen.”

Een laatste strijd begon, tusschen den ongelukkige en zijn beulen.

Zijn geschreeuw vermengde zich met het geluid van vuistslagen, die hem werden toegediend en met de vloekwoorden, welke de andere gevangen den verplegers naar het hoofd slingerden. [19]

Toen de mannen met hun werk gereed waren, en hun slachtoffer op den vloer was vastgelegd, zoodat hij geen vin meer kon verroeren, hoorde Raffles de stem van dr. Braddon:

„Maak voort, hoofdverpleger, ik heb weinig tijd en moet binnen een uur klaar zijn met de lijkschouwing. Daarna heb ik een soirée bij mij thuis.”

Raffles begreep uit deze woorden, dat de dokter in het vertrek zou komen, waar hij zich verborgen had.

Bij het licht van een lucifer ontdekte hij, dat in het midden van het vertrek een lange tafel stond, die met een gummikleed was bedekt en waarop het naakte lichaam van een jong meisje lag.

Op de planken langs den muur stond een groot aantal glazen flesschen, met spiritus gevuld.

Raffles zocht dadelijk een schuilplaats en er bleef hem niets anders over dan onder de operatietafel te kruipen.

Nauwelijks had hij zich daar verborgen, of de verpleger trad met dr. Braddon binnen.

„Lord Guildhall,” sprak dr. Braddon, „zal blij zijn, dat zij dood is.

Ik heb hem heden al mededeeling gedaan van het blijde nieuws. Zij had een taai leven.”

„Zeer zeker,” sprak de hoofdverpleger, „vier weken lang heeft zij geen voedsel tot zich genomen en altijd door maar gejammerd, dat men haar hier gevangen hield.

Nog in de laatste oogenblikken, voordat zij stierf, zwoer zij, dat het geen idee fixe van haar was, dat Lord Guildhall haar broeder had vermoord, opdat hij, de jongste, Lord zou worden en het familiekapitaal zou erven.

Haar broer was niet door een ongeluk op de jacht om het leven gekomen, maar de jongste broer had hem vermoord, in den rug dood geschoten.”

„Nonsens”, beweerde dr. Braddon, „zij leed aan vervolgingswaanzin en Lord Guildhall deed goed, haar in onze inrichting te brengen. Kom, wij zullen het kort maken, en niet veel aan het lichaam snijden. Ik heb zeer weinig tijd.

Noteer hartzwakte en verval van krachten als oorzaak van den dood.

Ik zie overigens, dat de ring van den vinger der doode is weggenomen.”

„Dat merk ik nu ook,” sprak de hoofdverpleger, „zij droeg een briljanten ring.

De verplegers zullen zich dien wel hebben toegeëigend. Och, men moet hun die kleine bijverdiensten maar oogluikend laten behouden.”

„Zeer zeker”, antwoordde dr. Braddon. „Die beide jongens zijn nu zeer bruikbaar voor ons geworden.

Noteer de beide namen; zij zullen niet veel lust hebben om voor verscheiden jaren de gevangenis in te draaien en zullen mij dus voortaan als een paar honden dienen. Dergelijke lui zijn voor mij de beste verplegers.”

Na deze woorden verlieten de beide schurken het lijkenhok en Raffles kon uit zijn schuilplaats weer te voorschijn komen.

Nog eenmaal sloot hij de deur die naar het verblijf der ongelukkige gevangenen leidde, open en riep:

„Wees onbezorgd, heer inspecteur, morgen reeds bevindt gij u weer in Scotland Yard”.

Daarop verdween hij als een schaduw en Baxter zegende voor den eersten keer in zijn leven zijn gevaarlijken tegenstander.


Raffles was weer in den tuin gegaan, om van hier uit in de woning van dokter Braddon te komen, die zich op de eerste étage bevond.

Hij had op zijn wandeling met de patiënten de vensters der woning open zien staan en opgemerkt, dat de slaapkamer van den dokter uitzicht had op den tuin.

Het was een kleinigheid voor hem in dat vertrek binnen te dringen.

Een groote kleerkast, die in de kamer stond, wekte vóór alles zijn belangstelling. [20]

Hij opende deze en vond wat hij zocht.

Een gekleed avondtoilet, dat hem vrij goed paste, terwijl hij bovendien een grooten voorraad fijn linnengoed en handschoenen vond, waarvan hij ook gebruik maakte.

Niemand nam notitie van hem, niemand kwam de kamer binnen, daar alle dienstboden in de salons bezig waren om de gasten te bedienen.

Op zijn doode gemak kleedde Raffles zich en na een kwartier verliet hij de slaapkamer door de deur, om zich naar de salons te begeven.

Hij kwam in een lange gang, die in een hall uitkwam, waar de bezoekers hun pelsjassen en mantels hadden afgelegd.

De bediende, die daar slaperig op een stoel zat, lette niet op den binnentredende. Hij dacht, dat Raffles een der genoodigden was, die hierheen was gekomen om iets uit zijn overjas te halen.

Raffles begaf zich naar de salons, waar hij zich bij de aanwezige gasten voegde.

Zijn doel was, de studeerkamer van dr. Braddon te bereiken. Hij wist, dat de krankzinnigendokter de sleutels van zijn brandkast in zijn schrijfbureau bewaarde.

Zonder de opmerkzaamheid der gasten van dr. Braddon te trekken, gelukte hem zijn plan.

Eenige minuten later bevond hij zich in het vertrek, waar de brandkast stond en voorzichtig opende hij deze.

Bij het licht van een lucifer nam hij er meerdere duizenden pond sterling uit en hij verliet het vertrek even onopgemerkt als hij er was binnengekomen.

Nu begaf hij zich naar de hall, koos met vluchtige blikken een pelsjas, die ongeveer bij zijn lengte paste, benevens een cylinder, gaf den bediende, die hem hielp een flinke fooi, en verliet het gebouw.

Het was nog niet laat, ongeveer tien uur in den avond.

Hij liep de Old Broad street door en bleef staan voor het huis, dat no. 14 droeg, hetzelfde, dat de nieuwe patiënt, die in het kelderverblijf was gesleept, als zijn woning had opgegeven.

Raffles dacht nog eens na over hetgeen hij, in den lijkenkelder verborgen, had aangehoord.

Een wreede stiefvader had den jongen man, naar diens woorden te oordeelen, aan dr. Braddon overgeleverd.

Raffles bekeek het huis en zag, dat het goed gesloten was.

„Ik moet mij hier eerst oriënteeren”, sprak hij tot zichzelf en ging een paar huizen verder naar een kleine winkelzaak, voor welker deur hij peinzend staan bleef.

Hij keek met scherpe blikken de straat door en nam het oogenblik waar, dat hij door niemand kon worden gezien, om met een looper de winkeldeur te openen en het huis binnen te gaan.

Dit was zijn gebruikelijke weg als hij een huis wilde binnengaan, waarvan de deur gesloten was.

Hij ging de trappen op tot aan den zolder, opende een dakvenster en trok zich op naar het dak. Daar sloop hij over de daken terug naar het huis, dat hij wilde binnendringen.

Hier aangekomen, luisterde hij in de openingen der schoorsteenen om te weten te komen, in welk vertrek van het huis zich menschen bevonden.

Bij een der schoorsteenen bleef Raffles vol aandacht staan.

Duidelijk hoorde hij de stem van een ouden man en het geween van een jong meisje.

Waarover gesproken werd, kon Raffles niet verstaan, daar de woorden te onduidelijk klonken.

Maar het moest een ernstige zaak zijn, want de stemmen klonken opgewonden.

Om zich verder op de hoogte te stellen trok Raffles nu zijn pels uit, legde zijn cylinder weg, opende een zoldervenster en wierp de kleedingstukken in het zich daaronder bevindende zolderkamertje.

Daarop klauterde hij als een schoorsteenveger in de opening en ging langs de ijzeren uitsteeksels, die zich [21]in den schoorsteen bevonden, onhoorbaar als een kat naar beneden.

Langs dezen weg bereikte hij een opening, die zich in den schoorsteen bevond en die door een hoog ijzeren traliewerk was afgesloten, daar de schoorsteen niet voor kachels werd gebruikt.

Deze schoorsteenen zijn nog afkomstig uit vroegere jaren, toen men in Londen met kolen en hout stookte, terwijl tegenwoordig de meeste huizen door middel van gas of heete lucht worden verwarmd.

Juist doordat de schoorsteen niet in gebruik was, was het Raffles mogelijk, zich erin te verbergen.

Hij kon, op de plek, waar hij zich bevond, de geheele kamer overzien.

Op geringen afstand van hem zat in een ouderwetschen leunstoel een man, wiens gelaat aan een havik deed denken.

Een jong meisje knielde voor hem neer. Zij had de handen smeekend naar hem opgeheven.

In den schoorsteen verborgen luisterde John Raffles naar het wanhopig smeeken van het jonge meisje:

„Gij zult niet zoo wreed zijn om mijn broer in die afschuwelijke inrichting te laten. O, ik bid u, geef mij mijn broer terug!” (Zie het titelblad).

De oude man antwoordde met een kouden, harden lach:

„Gekken behooren daar, waar zij hun medemenschen niet meer kunnen hinderen!”

„Als mijn vader en mijn moeder dat nog hadden beleefd!” snikte het jonge meisje verder.

„Die twee vertegenwoordig ik”, sprak de oude man op harden toon en dreigend vervolgde hij:

„Als jij je niet eindelijk verstandig gedraagt en met je gejammer en geklaag ophoudt, veronderstel ik, dat je eveneens krankzinnig bent en ik denk wel, dat in het gesticht van Dr. Braddon ook nog een plaats voor jou zal zijn!”

„Ja, breng mij gerust daarheen, dan ben ik ten minste bij mijn broeder en zie niets van u en van uw neef, met wien gij mij wilt laten trouwen.

Nooit neem ik dien man tot echtgenoot!”

„Ik zal je tegenstand we weten te breken!” sprak de oude op hoonenden toon.

Toen stond het jonge meisje op, wierp het hoofd trotsch in den nek en mat den harteloozen grijsaard met een blik vol haat en minachting.

„De hemel zal mij bijstaan”, sprak zij, „en mij niet verlaten.”

„Dat zal wel”, spotte de oude man, „ik heb maling aan den hemel!— —”

Daarop verlieten beiden het vertrek om zich naar hun slaapkamers te begeven.

Raffles had genoeg gehoord.

Onhoorbaar kroop hij door den schoorsteen weer naar boven, en na zich op de hoogte gesteld te hebben van de inrichting der woning, sloop hij de slaapkamer binnen, waarin zich de oude man bevond.

Deze was nog op en Raffles zag door een reet van het gordijn, waarachter hij zich verborg, dat hij bezig was geld te tellen.

Hebzucht straalde uit zijn oogen en deed zijn handen beven.

Vol liefde streek hij elke banknoot glad en maakte er met andere keurige stapels van.

Daarop nam hij de goudstukken, wreef ze met een zijden zakdoek op en luisterde met innig welbehagen naar den klank van het edele metaal.

Met een minachtend glimlachje om den mond naderde Raffles den ouden man onhoorbaar, sloeg hem hard met zijn hand op den schouder en sprak langzaam:

„Good evening, Sir!”

Doodelijk ontsteld keerde de vrek zich om. Hij keek in de opening van een revolver, die Raffles hem glimlachend voorhield.

„Geen tegenstand, Sir”, vervolgde Raffles, of uw laatste oogenblik heeft geslagen.”

„Wat wilt gij van mij?” vroeg de oude bleek van schrik, terwijl hij opstond.

„Ga zitten”, beval Raffles op heerschenden toon. [22]„uw zijt zwak door den schrik, die mijn verschijning heeft veroorzaakt. Het is merkwaardig, dat schurken zulke zwakke zenuwen hebben.

Ik moet u spreken.”

Sidderend zonk de oude in een zetel neer en Raffles ging, alsof hij een doodgewoon bezoek aflegde, tegenover hem zitten.

„Waar komt gij vandaan?” waagde de man te vragen.

„Van den hemel”, sprak Raffles lachend, „van den hemel, waaraan gij maling hebt, waarover gij vol minachting hebt gesproken tegen zekere jonge dame.”

„Wie zijt gij?” hijgde de oude vrek op bijna onhoorbaren toon.

Een scherpe blik van Raffles trof hem, een dier blikken, waarvan Charly Brand beweerde, dat zij leeuwen en tijgers konden hypnotiseeren.

Terwijl de oude man vol angst in elkaar dook, sprak de groote onbekende:

„Ik ben Raffles!”

De grijsaard hief doodelijk verschrikt de handen op; hij wilde spreken, maar kon geen geluid te voorschijn brengen.

De naam Raffles ontnam hem het laatste restje van zijn moed.

„Ik zie”, sprak Lord Lister, „dat gij een hebzuchtige oude vrek zijt, dat de zucht naar geld u van uw verstand heeft beroofd.

Dergelijke creaturen zijn voor mij de walgelijkste schepsels, die er kunnen bestaan. Het zijn menschen, die voor niets deugen, die in hun hartstocht gelijk staan met krankzinnigen en voor wie een inrichting als die van Dr. Braddon een uitmuntend verblijf zou zijn.”

Als door een zweepslag getroffen, kromp de oude bij liet hooren van den naam Braddon in elkaar.

Raffles bemerkte het; hij legde de revolver op zijn knieën, stak een sigarette aan en sprak, terwijl hij rookte, op korten en beslisten toon tot den ouden man:

„Ik geloof, mijn waarde, dat u meer aan uw leven gelegen is dan aan uw geld; ik stel u nu voor de keus: òf gij schrijft een door mij gedicteerde verklaring, òf — — —”

Glimlachend nam Raffles de revolver weer in de hand en hield die den oude vlak voor zijn oogen, zoodat de opening van den loop diens voorhoofd aanraakte.

„Dus—wilt gij de verklaring op papier zetten?”

„Ja”, hijgde de oude met trillende lippen.

„Goed”, antwoordde Raffles op kalmen toon. „Hier op tafel zie ik papier, pen en inkt. Schrijf maar op.”

Raffles dicteerde en sidderend gehoorzaamde de oude man:

„Bij dezen verklaar ik, dat ik mijn stiefzoon in het krankzinnigengesticht van Dr. Braddon heb laten opsluiten, om mij zijn vermogen toe te eigenen.”

„Zet uw naam er onder”, beval Raffles.

Ook dit deed de oude en Raffles las:

„James Eliot.”

Nu nam de groote onbekende de verklaring op en stak het schrijven in zijn borstzak.

„Gij zijt een schurk!” sprak hij nu tot den ouden vrek, „gij verdient de galg.

Opdat gij echter, nadat ik vertrokken ben, geen verdere misdaden zult plegen om in het bezit te komen van het geld, dat u niet toebehoort, zal ik het voorzichtigheidshalve voorloopig bewaren.

De vrek begon zacht te weeklagen, toen hij zag, hoe Raffles het geld telde en in een kistje legde, dat hij afsloot.

„Het is tweehonderddertig duizend pond sterling”, sprak hij en hij schreef een kwitantie tot dat bedrag, die hij den oude gaf.

Daarop nam hij het kistje, stak een nieuwe sigarette aan en wendde zich nogmaals tot den man, die als verlamd op zijn stoel zat.

„Ik wensch u goeden nacht, mijnheer. Ik maak er u opmerkzaam op, dat, in geval gij alarm mocht maken, dat in uw eigen nadeel zou zijn. [23]

De verklaring, die gij mij hebt gegeven, is voldoende voor de politie.”

Reeds had Raffles de deur bereikt, toen hij bemerkte, dat hij had vergeten, zijn revolver weer bij zich te steken.

Deze was op de schrijftafel blijven liggen.

Op hetzelfde oogenblik echter had ook de oude man dit gezien.

Met een haastige beweging greep hij het wapen, richtte het op Raffles en riep:

„Blijf staan, schurk, of ik schiet.”

Raffles keek den opgewonden oude kalm glimlachend aan.

„Gij vergist u, Sir”, antwoordde hij op deze bedreiging, „dat wapen laat ik hier als aandenken achter. Als gij er iemand mee wilt raken, moet gij het eerst laden.

Onthoud, dat John Raffles nog nooit met een revolver op een mensch heeft geschoten en dat hij het ook nooit zal doen. Het wapen maakt den man niet, maar hij, die het in handen heeft, is de gevaarlijkste tegenstander van beiden. En nu nogmaals goeden nacht, Sir.”

Deze met groote kalmte uitgesproken woorden verbaasden den ouden man.

Hij wilde zich overtuigen, of de revolver geladen was. Daartoe draaide hij het wapen om en keek in den mond. Tegelijkertijd moesten zijn vingers onwillekeurig den haan hebben aangeraakt.

Een schot knalde en, in het voorhoofd getroffen, zonk de oude gierigaard voorover op den vloer.

Dadelijk werd het levendig in huis. Stemmen weerklonken door elkaar; deuren werden open en dicht geslagen.

Raffles snelde haastig terug naar den ouden man, legde het geld weer op tafel, de verklaring er naast en verliet het huis langs denzelfden weg, waarlangs hij was gekomen.


Op straat nam de groote onbekende een rijtuig en beval den koetsier om hem naar Hydepark te brengen.

Hij wilde nu met Lord Guildhall afrekenen. Hij kende dezen jongen man uit de Sandwich-Club.

In de nabijheid van de villa aan het Hydepark, die er uitzag als een vorstelijk paleis en die door den bankierszoon werd bewoond, liet Raffles stilhouden en te voet begaf hij zich naar het huis.

Het was intusschen twee uur in den morgen geworden. Raffles wist zeer goed, dat de Lord zelden voor drie of vier uur ’s nachts thuiskwam en op deze wetenschap had hij zijn plan gebouwd.

Terwijl hij genoeglijk een sigaret rookte, wandelde hij met het grootste geduld voor de villa heen en weer. Een tweede Browning-pistool hield hij geladen in zijn zak gereed.

Hij had niet tevergeefs gewacht.

Het liep tegen drie uur, toen de auto van Lord Guildhall naderde en de nachtbraker in halfbeschonken toestand uitstapte.

Hij verschrikte, toen Raffles uit het donker naar hem toekwam, zijn hoed afnam en tot hem sprak:

„Goeden morgen, Lord Guildhall, ik heb hier al eenigen tijd op u gewacht om een gewichtige zaak met u te bespreken.”

„Wie zijt gij?” vroeg Lord Guildhall verbaasd, terwijl hij den vreemdeling vol wantrouwen van het hoofd tot de voeten bekeek.

„Een van de leden der Sandwich-Club”, antwoordde Raffles zeer gevat, „ik had het groote genoegen, een week geleden een partij whist met u te spelen. Wij spraken toen af elkaar terug te zullen zien. Daar mijn tijd tot dusverre steeds in beslag was genomen heb ik nu, op dit ongewone uur, op u gewacht.”

„Als ik mij goed herinner”, antwoordde Lord Guildhall, „dan heb ik de eer met Mr. Van German te spreken.”

Onder dezen naam, dien van een Hollander, stond Raffles in de Sandwich-Club bekend.

„Zeer juist”, antwoordde Raffles met een lichte [24]buiging, „ik ben mijnheer Van German uit Amsterdam.”

Gedurende dit gesprek had de dienstdoende lakei het hek, dat den tuin van de villa omgaf, geopend; hij stond nu met ontbloot hoofd vol eerbied aan de deur.

„Mag ik u verzoeken met mij mee naar binnen te gaan?” sprak Lord Guildhall, terwijl hij Raffles voorging het huis in.

In de studeerkamer van den Lord namen ze samen plaats; een oude kamerdienaar zette op een Oostersch tafeltje mokka, sigaren en sigaretten klaar.

„Laten wij het ons gemakkelijk maken”, zoo begon de gastheer. Bij die woorden trok hij, zooals dat onder Engelsche gentlemen gewoonte is wanneer zij onder elkaar zijn, zijn rok uit.

Daarop nam hij in onverschillige houding in een zachten fauteuil plaats, strekte zijn beenen zoo ver mogelijk voor zich uit, gaapte meerdere malen achter elkaar en slurpte langzaam een kop mokka.

Raffles volgde in alles zijn voorbeeld.

Nadat zij verscheidene minuten zwijgend tegenover elkaar hadden gezeten, sprak Lord Guildhall:

„En nu ben ik zeer nieuwsgierig te vernemen, wat u in dit late uur of liever gezegd zoo vroeg in den morgen, voor gewichtige zaken met mij te bespreken hebt?”

„Zijt gij spiritist?”

„Wat?” lachte Lord Guildhall, „neen, mijn beste, aan dien onzin geloof ik niet.”

„Maar ik wel,” antwoordde Raffles met ernstige stem, „en ik was hedennacht op een spiritistische séance, waar ik merkwaardige dingen hoorde, op u betrekking hebbende.”

Lord Guildhall werd onrustig. Met wantrouwende blikken keek hij den bezoeker aan. Zou deze iets van zijn misdaad afweten?

Nadenkend stak de gastheer een sigaret aan om zijn stijgende onrust te verbergen.

Nadat hij, om zich een houding te geven, zwijgend rookwolken om zich heen had geblazen, sprak hij op schijnbaar onverschilligen toon:

„Vervloekt! Ik ben al blij, als de levenden mij met rust laten. Wat willen de dooden van mij?”

„Dat zult gij dadelijk vernemen,” antwoordde Raffles. „De dooden hebben dikwijls een groot conto met de levenden te verrekenen. Ik zelf ben een goed medium en het is merkwaardig, dat ik dikwijls uitverkoren ben geworden om de laatste wenschen van de afgestorvenen in vervulling te brengen.”

„Praat toch geen onzin, dat is immers dwaasheid! Ik geloof niet aan zulke vuile toovenarij!” riep Lord Guildhall op bruusken toon.

Raffles stond op, keek den Lord met een doordringenden blik van het hoofd tot de voeten aan en antwoordde op scherpen toon, den nadruk leggende op ieder woord:

„Ik hoop, Lord Guildhall, dat gij niet vergeet, dat wij beiden gentlemen zijn. Ik verzoek u, de zooeven gesproken woorden met de noodige verontschuldigingen terug te nemen. Anders.…”

Lord Guildhall, wien de zaak zeer onaangenaam begon te worden, en wiens onzuiver geweten in Raffles een vijand vermoedde, stond eveneens op en sprak:

„Als Lord Guildhall ben ik gewend, nooit mijn woorden terug te nemen, zelfs niet voor den koning van Engeland! Vóór ik hiertoe overga, brengt mijn overtuiging mij liever op het schavot.”

„Of aan de galg,” antwoordde Raffles op koelen toon.

Beide mannen namen elkaar op met flikkerende oogen.

„Hoe meent gij dat?” vroeg de Lord vorschend.

„Hoe ik dat meen?” sprak Raffles, „mij dunkt, dat ik duidelijk genoeg heb gesproken. Ik heb beweerd, dat gij ten slotte ook nog wel eens aan de galg zoudt kunnen komen.”

„Sir,” sprak Lord Guildhall, ziedend van toorn, „voor dat woord verlang ik rekenschap van u.”

Raffles had zijn armen gekruist over de borst en [25]keek Lord Guildhall met een kouden, ironischen blik aan. Hoon en verachting lag in zijn stem, toen hij sprak:

„Zeer zeker! Wanneer ik deze woorden had gesproken tot een gentleman, die in mijn oogen waard was om met hem te duelleeren. — —

Maar,” hij maakte een korte pauze en trad een schrede nader op Lord Guildhall toe, zoodat hij bijna vlak voor dezen stond, „men vecht niet met een mensch, wiens handen bevlekt zijn met het bloed van zijn broeder.”

Met doodsbleek gelaat wankelde Lord Guildhall achteruit, naar steun zoekende.

„Gij liegt!” hijgde hij met moeite, in een zetel neervallende.

„No Sir,” antwoordde Raffles met harde stem, „ik heb in mijn geheele leven nog nimmer een leugen gesproken en ik sta hier vóór u om u wegens den dood van uw broer en uwe zuster ter verantwoording te roepen.

„Indien gij werkelijk nog een greintje eergevoel bezit, echt eergevoel, zooals een Lord Guildhall dat behoort te hebben en niet de laffe overmoed van een moordenaar, dan begeeft gij u naar gindsch wapenrek, neemt een van de pistolen van uw vader er uit, zet die tegen uw slaap en drukt af.

„Dan blijft gij er tenminste voor bewaard, dat in de annalen uwer familie moet worden vermeld, hoe de laatste Lord Guildhall zijn leven heeft gelaten aan de galg.”

De oogen van den jongen Lord puilden bijna uit zijn hoofd van vrees en ontzetting, met starenden blik keek hij Raffles aan.

Al zijn moed was geweken onder het gewicht van deze beschuldiging, welke Raffles hem naar het hoofd slingerde. Hij waagde het niet zich te verdedigen.

Maar zijn lafheid en zijn lust om nog verder te blijven leven deden hem een uitweg in deze netelige zaak bedenken.

Een verraderlijke blik vloog uit zijn oogen naar Raffles, daarop keek hij naar het wapenrek, dat tegen een der muren van de kamer stond.

„Gij hebt gelijk,” sprak hij, „ik zal doen wat gij verlangt.”

Met wankelende schreden begaf hij zich naar het wapenrek en greep een duelleer-pistool.

Zoodra hij dit in handen had draaide hij zich met een ruk naar Raffles toe, hield hem het wapen voor en riep uit:

„Sterf, afperser.”

Maar Raffles was hierop voorbereid geweest!

Bliksemsnel trok hij zijn hand uit den zak; Lord Guildhall zag den mond van een Browning-pistool op zich gericht, nog voordat hij zijn wapen had kunnen afschieten.

Verscheiden seconden stonden de mannen sprakeloos tegenover elkaar.

Toen sprak Raffles met minachting:

„Foei, duivel! Gij zijt een vervloekte lafaard. Opdat gij echter zult weten, dat mijn dood u niet zal baten deel ik u mee, dat mijn bediende de opdracht heeft om de bewijsstukken van uw schuld, die ik verzameld en schriftelijk gedeponeerd heb, hedenochtend aan den politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard ter hand te stellen, wanneer ik niet terug mocht keeren.

Ik geef u nog twee minuten den tijd, uw wapenschild voor het oog der wereld rein te houden. Richt u daarnaar!”

Het koude angstzweet kwam Lord Guildhall op het voorhoofd. Hij liet zijn wapen zakken en fluisterde met heesche stem:

„Misschien is er nog een andere weg om met u tot een vergelijk te komen.”

„En welke dan?” vroeg Raffles.

„Ik zal u mijn geheele vermogen, mijn kasteelen en bezittingen vermaken en vertrek zelf naar Amerika.” [26]

Raffles dacht even na en zei toen:

„Ik zie, dat u aan uw leven meer gelegen ligt dan dan uw eer!

Zoo iemand heeft niet het recht, zich aristocraat te noemen. Ik doe u het volgende voorstel:

„Gij schenkt uw geheele vermogen aan de stad Londen met het doel, daarvoor een tehuis voor ouderlooze en buitenechtelijke kinderen te stichten.

Het bestuur daarvan mag niet aan een kerkelijke gemeente worden opgedragen, maar een vrijmetselaarsloge zal de zaak in handen nemen.

Onder deze voorwaarde zie ik van den kogel af; de eer van uw wapenschild kunt gij op geen manier meer redden. Gij moogt in Amerika uw leven eindigen aan de galg, zooals personen van uw slag gewoonlijk hun loopbaan eindigen.

Kunt gij u met dit voorstel vereenigen?”

„Jawel, dat kan ik,” zuchtte Lord Guildhall.

„Goed,” antwoordde de groote onbekende. „Ik verwacht u morgen om tien uur precies bij notaris Tyler, Strand 111.

Komt gij niet, dan zijt gij een uur later een gevangene.”

Voordat Lord Guildhall tijd had om iets te antwoorden, had Raffles de kamer reeds verlaten en was na een paar minuten uit het huis verdwenen. [27]