Het was nog vroeg in den morgen in de reuzenstad.
Zooals het aanzwellen van een zeegolf, begon het drukke leven in de straten van Londen.
Te midden van het geweldige lawaai klonk de schelle roep van de eerste courantenverkoopers, die in alle mogelijke toonaarden uitriepen:
„Politie-inspecteur Baxter van Scotland Yard spoorloos verdwenen!
„Een geheimzinnige misdaad!
„Sedert vijf dagen ontvoerd!”
Toen Raffles dit bericht van Charly Brand vernam, kleedde hij zich haastig aan en zei lachend tot zijn vriend:
„Ik zal aan de menschen in Scotland Yard een vingerwijzing doen toekomen, die de grap gekruid zal maken.”
Hij liep naar de telefoon en liet zich met Scotland Yard aansluiten.
„Hier detective Marholm, Scotland Yard,” meldde zich het hoofdbureau.
„Hier uw oude bekende, John Raffles,” antwoordde Lord Lister met innerlijke vreugde.
Beiden konden zij den wederzijdschen glimlach niet zien, die op hun gezicht lag uitgedrukt gedurende dit onderhoud aan de telefoon.
„Wat is er voor nieuws, John Raffles?” vroeg detective Marholm. „Hebt gij misschien ontdekt, waar onze inspecteur van politie verborgen zit?”
„Ja, juist,” sprak de groote onbekende, vroolijk lachend, „ik heb hem eens naar buiten gezonden.”
„Duivelsch!” riep detective Marholm uit, „wij hebben gisteren van zijn familie vernomen, dat onze hooggeachte chef spoorloos verdwenen is. Ik zei juist al tot mijn collega’s: daar zit John Raffles zeker weer achter.”
„Ongetwijfeld!” gaf Lord Lister lachend ten antwoord. „Gisteren nog heb ik met uw inspecteur gesproken; hij smeekte me, hem te stelen.”
„Wat?” riep detective Marholm uit, „dat begrijp ik niet.”
„Baxter zal u dit alles verklaren,” antwoordde Raffles, „het is, zooals ik u zeg.
„Maar in weerwil van al mijn vaardigheid, was het mij niet mogelijk, aan zijn verzoek te voldoen. Ik zal u echter thans vertellen, waar de inspecteur van politie te vinden is.”
„Heel graag!”
„Neem verscheiden van de beste beambten van Scotland Yard en rijd dadelijk met hen naar dr. Braddon, den gekkenkoning.”
„Braddon?” vroeg detective Marholm verbaasd, „Braddon? De dokter telefoneerde een uur geleden, dat bij hem de brandkast voor eenige duizenden pond sterling in den afgeloopen nacht was beroofd.”
„Hoe hoog is dat bedrag?” vroeg Raffles.
„Dat heb ik nog niet kunnen vaststellen,” antwoordde detective Marholm.
„Ik zal het u precies zeggen,” antwoordde de Groote Onbekende in de telefoon, „het waren een onnoozele zevenduizend pond, acht shilling en zes pence!” [28]
„Voor den duivel,” klonk het terug, „gij weet het bedrag zoo precies, alsof ge het zelf hadt weggenomen.”
„Jawel,” antwoordde Raffles, „dat komt uit. Ik nam het geld mee als belooning voor twee dagen werk, die ik bij dr. Braddon als verpleger heb doorgebracht.”
„Zijt gij krankzinnigenverpleger geweest bij dr. Braddon?” vroeg Marholm verbaasd.
„Waarom niet?” lachte Raffles, „’t is altijd nog beter in die inrichting verpleger te zijn dan patiënt.”
„Best mogelijk,” luidde het antwoord van Scotland Yard, „maar vertel mij nu toch om Godswil, waar zit inspecteur Baxter?”
„Bij dr. Braddon,” antwoordde Raffles. „Waar zou hij anders zijn? Hij bevindt zich in het krankzinnigengesticht als patiënt.”
„Daar begrijp ik niets van,” antwoordde Marholm verbaasd.
„Maar ik wel,” sprak Raffles; „en ik zal het u uitleggen:
„De inspecteur van politie Baxter is door mij persoonlijk, terwijl ik mij uitgaf voor professor Stanhope, in het gesticht van dr. Braddon gebracht als zijnde mijn krankzinnige broer.
„Ik deed dat met de bedoeling, dat Baxter zich in zijne qualiteit van detective op de hoogte kon stellen van de toestanden in dat moordenaarshol, door zelf te zien en te ondervinden, hoe de patiënten er behandeld worden.
„Ik herhaal: Neem den grootsten politiewagen en eenige doktoren mee, en bereid bovendien verscheiden ziekenhuizen voor op de opname van patiënten, want gij zult in dat krankzinnigengesticht zóóveel werk vinden—en wel een zeer nuttig werk—als Scotland Yard nog hooit heeft gehad.
„Iedere dokter en iedere verpleger daar is rijp voor de galg. Zeer vele van de patiënten moeten dadelijk onder dokters behandeling komen, omdat zij door de onmenschelijke behandeling van dr. Braddon en zijn handlangers in beklagenswaardigen toestand gebracht zijn!
„Opdat gij er volkomen van op de hoogte zijt, waar gij den inspecteur van politie in de inrichting moet zoeken, deel ik u mede, dat hij zich bevindt in den kelder van het hoofdgebouw naast de lijkenkamer, in gezelschap van vier andere ongelukkige slachtoffers en aan den grond vastgeketend.
„En nu haast u en groet inspecteur Baxter hartelijk van mij.”
Aan weerszijden werd de telefoonhoorn opgehangen. Het gesprek was geëindigd.
Detective Marholm, die met klimmende verbazing en steeds grootere verwondering had geluisterd, sprak tot zijn collega’s, nadat hij eindelijk weer tot zich zelf was gekomen:
„Dat is de meest ongehoorde zaak, die ik ooit heb beleefd!
„Voorwaarts! Laten we onmiddellijk alles in gereedheid brengen om aan den oproep van Raffles gevolg te geven! Onze inspecteur van politie ligt als krankzinnig patiënt in de inrichting van dr. Braddon en wacht op ons!”
Detective Marholm, die door Raffles steeds als de bekwaamste van geheel Scotland Yard werd beschouwd, nam zelf de leiding op zich om de inrichting van dr. Braddon te overvallen.
In verscheiden wagens reed hij met een paar dozijn beambten naar de buurt van het krankzinnigengesticht en liet daar de rijtuigen stilhouden.
Daarop begaf hij zich met vier beambten naar het gesticht.
Nadat de portier de zware ijzeren deur, zooals een tuchthuis ze niet solieder kon bezitten, had geopend, verklaarde Marholm aan den ontstelden beambte, terwijl hij zijn ambtspenning liet zien, dat deze zijn gevangene was en bij de geringste poging om alarm te maken, of om aan de detectives te ontvluchten, neergeschoten zou worden.
Marholm plaatste een zijner detectives naast den [29]portier, posteerde een tweede bij de open poort en zond een derde naar de bij de rijtuigen wachtende beambten met bevel om zich in het krankzinnigengesticht te begeven.
Dit alles ging zoo snel, binnen een paar seconden, in zijn werk, dat noch een portier, noch iemand anders uit de inrichting er iets van bemerkte.
Zoodra de detectives in het voorportaal bij elkaar waren, sprak Marholm tot hen:
„Neemt uw revolvers in de hand en verdeelt u, zoo goed en zoo kwaad als de plaatselijke kennis dit toelaat, over het geheele gesticht.
„Bezet alle trappen en portalen en verklaart iedereen, die het gebouw wil verlaten, als uw gevangene, totdat ik nadere bevelen zal hebben gegeven.”
Daarna stapte hij met de detectives, die hij voor mogelijke noodzakelijkheid bij zich hield, de wachtkamer binnen.
Toen de daar aanwezige portier naar hun naam en hun verlangen vroeg, sprak Marholm, wederom zijn ambtspenning vertoonend:
„Wij zijn ambtenaren van Scotland Yard en komen hier in verband met den diefstal, die hier in den afgeloopen nacht werd gepleegd.”
„Ik zal het dadelijk aan dr. Braddon meedeelen,” antwoordde de portier en verdween in de studeerkamer van zijn chef.
Reeds na een paar seconden kwam hij terug en sprak:
„Mijnheer de directeur laat u verzoeken, binnen te komen.”
Marholm en zijn begeleiders stapten naar binnen.
De gekkendokter zat nog in zijn chamber-cloack voor zijn schrijftafel; hij ontving de ambtenaren met een mismoedig gelaat.
„U is dr. Braddon?” vroeg detective Marholm en keek den voor hem zittende bij die woorden zeer scherp aan.
„Juist,” antwoordde deze en nam den detective zeer uit de hoogte op, „spreek als ’t u belieft op een beleefden toon tot mij. Ik ben niet uw ondergeschikte!”
„Maar mijn gevangene!” riep detective Marholm
Voordat dr. Braddon nog iets kon antwoorden, werd hij bij zijn armen beetgepakt en geboeid.
„Help!” riep hij ontsteld uit en de portier, die dezen kreet om hulp hoorde, snelde het studeervertrek binnen.
„Handen op!” beval Marholm en hield den man zijn revolver voor.
„Ik verklaar u mijn gevangene, wegens vermoedelijke medeplichtigheid aan de misdaden van dr. Braddon. Wij zijn ambtenaren van Scotland Yard!”
Sidderend van vrees bleef de portier midden in de kamer staan en waagde het niet, zich te verroeren.
Marholm liet zijn collega’s als wacht bij dr. Braddon achter. Hijzelf begaf zich op onderzoek naar het verblijf van den inspecteur van politie.
In de administratiekamer der inrichting, daar waar de brandkast stond, hadden zich de beambten van het krankzinnigengesticht verzameld; zij stonden schuw om den hoofdportier geschaard, toen Marholm binnentrad.
„Wie van u,” vroeg de detective, „bezit de sleutels van alle vertrekken der inrichting?”
Met knikkende knieën stapte de hoofdportier naar Marholm toe en antwoordde:
„Ik ben de hoofdportier, wat wenscht gij?”
„Volg mij!” beval Marholm.
Hij begaf zich daarna, zooals Raffles hem had aangeduid, naar den kelder en nam verscheiden van zijn beambten mee daarheen.
„Maak de deur open!” sprak hij, toen zij beneden waren gekomen.
Tegelijkertijd wees hij op een ingang, die naar het verblijf voerde, waarin de inspecteur van politie en zijn vier ongelukkige lotgenooten lagen.
De hoofdportier draaide het electrische licht op en opende de deur.
In het volgende oogenblik trad Marholm de kelderruimte [30]binnen, doch deinsde met een kreet van ontzetting terug bij den aanblik dien de ongelukkigen boden.
Daarop snelde hij naar inspecteur Baxter toe, dien hij dadelijk had herkend.
„Marholm!” riep deze verheugd uit, „zijt gij het werkelijk?”
„Ja,” antwoordde de trouwe detective met bleeke lippen, „John Raffles zendt mij tot u.”
„Een edel mensch is hij, bij God een nobele kerel!” antwoordde inspecteur Baxter met ontroerde stem.
„Ontdoe die ongelukkigen van hun boeien!” beval Marholm den hoofdverpleger.
Deze gehoorzaamde aan zijn bevel, terwijl de beambten van Scotland Yard hem behulpzaam waren.
Baxter was zóó zwak, dat hij op den arm van Marholm moest steunen, toen deze hem naar boven bracht, terwijl de andere ongelukkigen gedragen moesten worden.
Dr. Braddon staarde den inspecteur van politie aan alsof hij een spookverschijning zag, toen deze met detective Marholm de kamer van den geneesheer binnentrad.
„Kent gij dezen man?” vroeg Marholm den dokter, die met vaalbleek gelaat in zijn stoel was gezonken.
„Jawel,” fluisterde hij met trillende stem, „het is een ongeneeslijke patiënt, die wegens razernij in een aparte cel gebracht moest worden.”
„Schoft”, viel Baxter hem in de rede. „Erbarmelijke schoft. Ik ben de Londensche inspecteur van politie en evenmin krankzinnig als de ongelukkigen, die het hol met mij deelden.”
„Nu hoort ge het zelf,” sprak dr. Braddon. „Die man verbeeldt zich, dat hij de inspecteur van politie van Londen is.”
„Neen”, antwoordde detective Marholm, „dezen keer zijt ge aan het verkeerde adres gekomen. Deze zoogenaamde patiënt beeldt zich niets in; hij is inderdaad de inspecteur van politie van Scotland Yard.
„Raffles—John Raffles—de Groote Onbekende—de meesterdief van Londen, heeft, vermomd en onder den naam van professor Stanhope, den inspecteur van politie in uwe inrichting gebracht, opdat hij zich persoonlijk zou kunnen overtuigen van de ontzettende toestanden die hier heerschen en van de schandelijke misdaden, die gij tot heden ongestraft op de ongelukkige patiënten hebt kunnen plegen.”
„Raffles!” riepen bijna tegelijkertijd dr. Braddon en de inspecteur van politie uit.
„Jawel, Raffles!” herhaalde Marholm en keerde zich tot Baxter.
„Hij heeft u hier binnengebracht en u ook weer uit uw weinig benijdenswaardige positie bevrijd. Zijn bedoeling was het, dat gij door eigen aanschouwing de misdaden van dr. Braddon zoudt leeren kennen.”
„En dat was, bij God, meer dan tijd,” sprak de inspecteur van politie Baxter. „Deze mensch daar”—hij wees op den verpletterden geneesheer-directeur—„is erger dan de gevreesde Jack the Ripper.”
Hij trad op den in zijn stoel sidderenden dr. Braddon toe, liet zijn hand zwaar op diens schouder vallen, en sprak:
„In naam van de Engelsche wet neem ik u gevangen, dr. Braddon! en beschuldig u van moord en zeer veel andere misdaden, waarmede ik het gerecht in kennis zal stellen.”
Allereerst werd dr. Braddon zwaar geboeid uit de inrichting geleid, daarop volgde de hoofdverpleger en eindelijk het geheele personeel.
De gevangenwagens boden niet voldoende plaats voor alle gevangenen.
Spoedig daarop traden doktoren uit de ziekenhuizen het krankzinnigengesticht binnen, om de verpleging der patiënten over te nemen.
Afschuwelijke vertrekken werden gevonden, waarin zich de ongelukkigen jarenlang moesten ophouden.
„Deze misdaden zijn zwaarder en verdienen grootere [31]straf,” sprak de inspecteur van politie Baxter tot Marholm, „dan die van dieven en moordenaars.”
Het Londensche publiek geraakte in koortsachtige opgewondenheid, toen de couranten de eerste berichten brachten over den inval der detectives in het krankzinnigengesticht en de gevangenneming van den gekkendokter.
Duizenden vloeken werden uitgebraakt tegen dr. Braddon, maar ook werd er hartelijk gelachen, toen het publiek uit de nieuwsbladen vernam, hoe het nieuwste meesterstuk van John Raffles ook nu weer schitterend was gelukt.
Lord Guildhall was gevlucht en had zijn onrechtmatig verkregen vermogen, overeenkomstig den wensch van Raffles, aan de stad Londen vermaakt.
Bijna iedere dag van onderzoek bracht nieuwe misdaden uit het krankzinnigengesticht aan het licht en steeds weer was het die eene naam, waarvan de geheele pers met lof gewaagde—de naam van den genialen meesterdief John Raffles!