Omstreeks het begin van November bevatte de eerste ochtendeditie van de „Times” een tamelijk lang bericht, hetwelk in de hoogste mate de belangstelling der lezers opwekte.
Zie hier de onverkorte inhoud van dit stuk hetwelk onder de „Gemengde Berichten” was geplaatst:
Het geheim van een Ziekenhuis.
Moordaanslag op een gewonde!
„Het bekende ziekenhuis in de Sloanestreet is, zooals aan onze lezers bekend zal zijn, reeds sedert enkele dagen het tooneel geweest van geheimzinnige voorvallen.
In den afgeloopen nacht zijn deze bekroond door een gebeurtenis, die de gemoederen van alle bewoners van het ziekenhuis, van de directie af tot aan de minste hulpverpleegster en alle zieken, ten zeerste heeft ontroerd.
Eenige dagen geleden werd er in het ziekenhuis een zwaargewond man gebracht, die uit verscheidene messteken bloedde en die gevonden was door twee late voorbijgangers, die opgaven dat zij er getuigen van waren geweest, hoe de gewonde man overvallen werd door een paar kerels, die echter op hun nadering de vlucht hadden genomen.
Aanstonds zal blijken, dat er van deze bewering waarschijnlijk geen woord waar was.
Reeds den volgenden dag werd de zwaargewonde bezocht door een paar geheimzinnige heeren, die voorgaven tot zijn naaste familie te behooren en hem dringend wenschten te spreken.
Gedurende het korte gesprek, dat nu volgde, verzocht de gewonde, die verklaarde Dubois te heeten, aan de hoofdverpleegster der algemeene mannenzaal, waar hij lag, te telefoneeren naar het logement „Het Vergulde Hert” en daar navraag te doen naar een zekere Miss Bispham. De gewonde scheen zeer opgewonden te zijn, het smartte hem [2]blijkbaar zeer, toen hij ten antwoord kreeg, dat deze dame niet meer in het hotel aanwezig was.
De beide bezoekers vertrokken, maar werden in de vestibule, juist toen zij de lift zouden verlaten, gearresteerd door een tweetal particuliere detectives—bedriegers, zooals later blijken zal!
Want reeds in den loop van denzelfden nacht werden de twee geheimzinnige bezoekers van Dubois in hetzelfde ziekenhuis binnen gebracht waar hij ook lag, een hunner zelfs in de groote mannenzaal. De chauffeur, die hen beiden en de zoogenaamde detectives naar een huis in het noorden van de stad had gereden, was nieuwsgierig geworden, en op de loer gaan staan. Hij had er een paar agenten bijgehaald en deze hadden in het huis twee volkomen bewustelooze personen gevonden, die naderhand de beide bezoekers bleken te zijn.
Men stond hier voor een raadselachtig geval en de beste geneesheeren, de directeur van het ziekenhuis dr. Hudson en die geneesheeren Bushgrave en Greenway begrepen niet het minste van de eigenaardige bewusteloosheid, waarin de twee mannen verkeerden.
Men kan dus over hun blijdschap en verwondering oordeelen, toen de befaamde Fransche psychiater Dr. Edouard Dumoulin, zich met het geval bemoeide en dringend verzocht de beide bewusteloozen te mogen onderzoeken.
In een vorige editie hebben wij uitvoerig melding gemaakt van deze zaak en Dr. Dumoulin wist de beide bewusteloozen, die wel schijndood leken onder zijn wil te brengen, gelastte hen op te staan en zich aan te kleeden en voerde hen weg. Ongeveer een uur later bleek pas dat de beroemde Parijsche geneesheer van de geheele zaak niets afwist en verzekerde dat men zijn plaats had ingenomen met een doel dat hij niet begreep.
Maar nog dienzelfden avond kwam er eenig licht in de zaak, want de beide mannen, die in hun toestand van volkomen machteloosheid in een groot restaurant in „Temple Bar” met twee andere heeren dineerden werden op hun aanwijzing gearresteerd en bleken twee hoogstgevaarlijke bandieten; bekend onder de bijnamen „Big Billy” en „Bittere Pil”, naar wie de politie van onze stad reeds geruimen tijd zocht.
Maar toen men wilde omzien naar de beide personen met wie ze waren binnengetreden en die hen hadden laten arresteeren, waren zij spoorloos verdwenen!
Wat de beide bandieten betreft, zij wisten zich volstrekt niet meer te herinneren wat zij gedaan of gezegd hadden van het oogenblik af dat zij door de gewaande detectives in een huurauto van het gasthuis waren weggeleid,—naar zij meenden met de gevangenis als bestemming—en toen ieder een sterke prik in den pols hadden gekregen, waarop bijna aanstonds het bewustzijn uit hun was weggevloden, althans zij herinnerden zich volstrekt niets meer, tot op het tijdstip, dat zij tot hun groote verwondering in de eetzaal van het restaurant in „Temple Bar” weder tot bewustzijn kwamen.
En toch moeten deze mannen hebben kunnen zien en hooren, zij moeten zich hebben kunnen bewegen, maar zij deden dit slechts op bevel van een ander!
De zaak wend intusschen hoe langer hoe geheimzinniger! Wie was de zwaargewonde in de ziekenzaal, die zulke eigenaardige bezoeken had gekregen? Wie was de schoone jonge vrouw met het bleeke gelaat, die voorgaf mevrouw Dubois te heeten, en die hem enkele keeren bezocht, steeds in gezelschap van een grijsaard met spierwit haar, die haar vader moest zijn.
De lezers zullen het spoedig vernemen.
In den afgeloopen nacht had er in het ziekenhuis aan de Sloane Street opnieuw een opzienbarend voorval plaats.
Omstreeks half een kwam zich een jonge verpleegster aanmelden, die zeide, door mevrouw Dubois gezonden te zijn met het doel om haren echtgenoot speciaal op te passen, daar zijn toestand, een overbrenging naar een afzonderlijke kamer, onmogelijk maakte in de eerste dagen.
De hoofdverpleegster stond haar dit verzoek geredelijk toe en het jonge meisje nam haar plaats aan het ziekbed in, en kweet zich, volgens de getuigenis [3]van de oude dame, met groote vaardigheid van haar verpleegsterplichten.
Om één uur werd de groote zaal geheel donker gemaakt, of althans was zij toen slechts verlicht door de kaarslantaarns van twee surveillanten.
Dezen waren onder den invloed van de stilte van de groote zaal ingesluimerd, toen zij plotseling werden opgeschrikt door het op luiden toon gegeven bevel: „Handen op”.
De jonge verpleegster had een der lange linnen gordijnen voor de groote balkonramen terzijde gerukt, een electrische zaklantaarn opgestoken en hield nu een revolver gericht op het voorhoofd van een man die achter het gordijn had gestaan dicht bij het bed van den gewonde Dubois en blijkbaar zooeven door het balkonraam was binnengedrongen.
De koele luchtstroom die door dit open raam naar binnen drong en die ook het gordijn zachtjes deed bewegen, had zijn aanwezigheid verraden.
De man werd door de beide surveillanten met behulp van een stuk van het gordijnkoord gebonden en daarop werden zijn zakken doorzocht.
Deze bleken behalve een revolver en een kleine scherp geslepen dolk, ook een klein houten étui te bevatten, waarin zich een vaccinatienaald bevond, waarvan de punt gedrenkt was in een uiterst giftige stof.
De man werd natuurlijk aanstonds in arrest gesteld, maar toen men nu de verpleegster nader wilde ondervragen, bleek ook zij verdwenen te zijn.
Maar het eigenaardigste komt nog.
Want Big Billy, Bittere Pil, zoowel als de moordenaar achter het gordijn, inziende dat alles voor hen verloren was, en dat hun een gevangenisstraf van tientallen jaren wachtte, brachten onder andere aan het licht, dat de zoogenaamde Dubois niemand anders was dan een Parijsche bandiet, een man van adellijke afkomst en een authentiek markies Raoul Beaupré de la Sardogne geheeten.
Hij was ook niet gewond door een overval, maar in een tweegevecht met een mededinger.
Deze opzienbarende onthulling werd spoedig bevestigd, toen uit Parijs door de Sureté een uitvoerig signalement werd overgeseind, dat in alles overeenstemde met het uiterlijk van den gewonde, behalve wat den baard betreft, dien hij in Engeland waarschijnlijk aanstonds had afgeschoren.
Te Parijs heeft deze markies nog een zestal jaren gevangenisstraf te goed, en daar hij ook hier in Londen daadwerkelijk aandeel heeft genomen aan een paar inbraken, zoo kan men wel zeggen dat het een goede dag is voor onze politie.
Veel werd nu ook opgehelderd. Bijvoorbeeld de identiteit van de zoogenaamde Madame Dubois, die waarschijnlijk niemand anders was dan een Fransche bandiete, een zekere Marthe Debussy.
Waar deze vrouw zich echter thans bevindt is niet uit te maken; zeker logeerde zij niet langer in het „Vergulde Hert”.
En wat het bezoek van de beide naderhand bewusteloos gevonden schurken van den markies betreft, zij kwamen hem slechts dreigen dat zijn minnares zich in handen van hun chef bevond en dat deze haar zou dooden indien Beaupré niet zekere geheimen van zijn eigen bende verried en zich verbond onder eede, hun chef nooit meer te bestrijden.
Het spreekt vanzelf, dat Dubois, alias markies Beaupré nu aanstonds onder zeer strenge bewaking is geplaatst en met groote behoedzaamheid naar een afzonderlijk vertrok is overgebracht, speciaal voor dergelijke gevallen bestemd, met een zwaar getralied venster, een ijzeren deur en dat op de vijfde verdieping van het ziekenhuis gelegen is. Zoodra de bandiet genezen is, zal hij voor zijn rechters moeten verschijnen, en daarna zijn rechtvaardige straf ondergaan.
De man achter het gordijn, eveneens een berucht misdadiger, trachtte zijn straf blijkbaar verminderd te krijgen door te verklaren, dat hij handelde in opdracht van den chef zijner bende, wiens naam hij echter weigerde te noemen, evenals trouwens „Big Billy” en „Bittere Pil”.
Hij was gekomen om Beaupré te vermoorden, en aldus den aanvoerder te beschermen tegen zijn aanval.
En voor de rest wilde hij niets loslaten. [4]
Met dit al moeten er nog vrij wat raadsels door de politie worden opgelost.
Zoo weet zij bijvoorbeeld volstrekt niet, wie de „edele grijsaard” was, die als vader van de zoogenaamde mevrouw Dubois optrad, noch wie de beide detectives waren, noch wie de rol van dr. Dumoulin vervuld heeft, en evenmin wie op zulke geniale wijze de taak van verpleegster heeft vervuld, maar de politie heeft vermoedens. Er wordt een naam gefluisterd, dien wij nu niet zullen herhalen, ten einde het onderzoek van de politie niet te bemoeilijken, maar die waarschijnlijk dezer dagen alom bekend zal zijn gemaakt; doch als Scotland Yard er ook ditmaal niet in slaagt hem gevangen te nemen, dan zal het wel eeuwig een raadsel blijven wat hem er toe bewoog als beschermer op te treden voor een man als Beaupré, daar deze zich in een halsstarrig stilzwijgen hult, en weigert eenige inlichtingen te geven.
In ieder geval is het niet te loochenen, dat de politie, dank zij het ingrijpen van den geheimzinnigen man, wiens naam thans nog niet genoemd wordt, wederom vier zeer gevaarlijke bandieten in handen heeft gekregen.