[Inhoud]

HOOFDSTUK VII.

Hoe de Koning van Spanje bestolen werd.

Ofschoon er nog onophoudelijk automobielen kwamen aanrijden in de Rue du Faubourg Saint Honoré, die met een koenen boog de breede koetspoort inzwaaiden en na een tweede bocht te hebben beschreven stil hielden voor het ruime terras van het paleis, hetwelk den President der Republiek tot verblijf strekt, was het reeds tamelijk vol in de prachtige Gobelinzaal, die voor de receptie was ingericht.

Daar bewogen zich in hun schitterende, met goud overladen uniformen, de gezanten van Siam en van [29]Perzië, het ernstige, diep-gebruinde gelaat omringd door een langen, gitzwarten baard, het hoofd gedekt met den tulband, wat Siamees aangaat, en met een wit-cachemiren kolbak, wat den Pers betreft. Daar schreed statig de Engelsche gezant, met zijn onbewogen gelaat, dat nimmer verraden zou, wat er in dien fijnen diplomaat omging, daar liep, het hoofd op de borst gebogen, de gezant van het Hemelsche Rijk, alsof hij op den glad gewreven parketvloer het antwoord zocht op een onuitgesproken vraag; daar glansden de fraaie uniformen van de vreemde militaire atachés van Noorwegen, Italië, Spanje, Mexico, België.

Maar dan was er nog veel meer, dat oogverblindend schitterde—dat waren de juweelen, welke de dames, de echtgenooten en de dochters van die heeren droegen, als om hulde te brengen aan den vorst van Spanje!

Snoeren juweelen om naakte, sneeuwwitte halzen, snoeren parelen, die afhingen op gevulde en schrale boezems, fonkelende diamanten in kleine, rose oortjes—en ook in minder fraaie ooren, smaragden in ringen, turkooizen, amethisten, robijnen, maansteenen, karbonkels, saffieren in broches, oorhangers, armbanden!

En dat alles fonkelde, schitterde, glansde, spatte vonken, zoodat de oogen er welhaast pijn van deden!

Op een kleine verhooging had Koning Alfonso plaats genomen, die zich daar met eenige gasten onderhield.

Hij droeg eenvoudig een zwarten rok, maar zijn borst was versierd met verscheiden ridderorden, waaronder groote sterren, schitterend van juweelen, en die ettelijke duizenden francs waard moesten zijn.

Zijn smal, gebruind gelaat had een peinzenden, eenigszins zorglijken trek, en het was duidelijk te zien, dat zijn bezoek aan Parijs voor den monarch niet bepaald een pleizierreis was, en dat de zaken in Marokko al zijn aandacht in beslag namen.

Dicht bij hem stond President Poincaré, het officieele lint, teeken zijner hooge waardigheid, dwars over de borst, in druk gesprek met den Japanschen gezant, die nu en dan zijn kleine, slimme oogjes naar de zijde van den Amerikaanschen zaakgelastigde liet dwalen.

Door de drie tusschendeuren had men het gezicht op de groote nevenzaal, waar gedanst zou worden, want de Koning van Spanje had den wensch te kennen gegeven, dat de receptie geen officieel karakter zou dragen, maar dat men de jongere aanwezigen in de gelegenheid zou stellen, zich aan het dansvermaak te wijden.

En zoo drongen nu en dan de tonen van een wals—de Tango, Twostep en aller dergelijke dansen waren op het Elysée streng verboden—tot in de receptiezaal door, en zag men de eerste paartjes langs walzen.

Madame Poincaré nam iets verder de honneurs waar, en had eenige vriendelijke woorden voor allen, die aan haar werden voorgesteld, terwijl zij het nog steeds bevallige hoofd neeg, en haar zwarte, zuidelijke oogen van Italiaansche afkomst, liet lachen.

Nu en dan geleidde de ceremoniemeester, Graaf Mollard, een of anderen hoog geplaatsten bezoeker door de gasten heen tot aan den voet van de verhooging, en stelde hem voor aan den vreemden vorst, die dan telkens een correcte buiging maakte, en den ander de hand toestak, een smalle, maar gespierde hand, die getuigde van veel sport.

Maar plotseling vlogen de blikken uit de gitzwarte, intelligente oogen naar den ingang van de zaal, waar zooeven een rijzig man in de kleedij van gezant eener buitenlandsche mogendheid was verschenen.

Op de scherp geteekende trekken was verbazing te lezen en de koning wendde zich tot zijn adjudant del Rio, die zijn oogen dichtkneep en nog niets scheen te zien en daarop een monocle van onwaarschijnlijken omvang in zijn rechter oogholte klemde.

Daarop richtte hij eenige woorden tot zijn souverein, en ten slotte keerde deze zich tot den President, en scheen hem iets te vragen.

De man, wien deze belangstelling gold, was intusschen binnengekomen.

Hij scheen met moeite te loopen en hinkte een weinig.

Die man was John Raffles, die stoutmoedig zijn rol als de Chileensche gezant kwam vervullen!

Naast hem schreed Charly Brand, die zich nog niet al te zeer op zijn gemak scheen te gevoelen, en tamelijk bleek zag.

President Poincaré sprak eenige woorden tot Graaf Mollard, die even rondkeek en toen op den gewaanden gezant afkwam.

Hij bleef verwonderd voor hem stilstaan en zeide toen:

—Het doet mij zeer groot genoegen, dat ik u hier [30]zie, Excellentie! Om u de waarheid te zeggen, geloofden wij niet, dat wij u zouden mogen begroeten, na het betreurenswaardig ongeluk, waardoor gij hedenmiddag zijt getroffen! De zaak schijnt dus gelukkig minder ernstig te zijn dan wij vreesden!

—Een kleine verstuiking, mijn waarde graaf! antwoordde Raffles met een uitstekend nagebootst Spaansch accent. Ik vreesde zelf in den aanvang, dat ik er een paar dagen kamerarrest door zou houden, maar tegen den avond begon de pijn te bedaren—en ik wilde mij het genoegen niet ontzeggen, Zijne Majesteit mijn opwachting te maken!

—Mijnheer de President zond mij naar u toe, ten einde naar uw welzijn te vernemen!

—Dat is zeer vriendelijk van Mijnheer den President! zeide de gewaande gezant.

—Wenscht gij, dat ik u aan Zijne Majesteit voorstel?

—Maar uitsluitend daarvoor ben ik hier gekomen! antwoordde Raffles snel.

—Wees dan zoo goed mij te volgen! hernam de ceremoniemeester.

Hij geleidde den gezant door de gasten, die eerbiedig plaats maakten, en bracht Raffles tot voor de verhevenheid, waar koning Alfonso zich nog altijd bevond.

De gezant had moeilijk geloopen en zijn secretaris moest hem daarbij ondersteunen door hem een arm te geven.

Raffles maakte een hoofsche buiging voor den koning en wachtte toen, zooals de etiquette voorschreef, tot de monarch het woord tot hem zou richten.

De koning had geluisterd naar de officieele voorstelling en stak toen den gezant zijn smalle, aristocratische hand toe.

—Men had mij medegedeeld, dat gij een zwaren val van uw paard hadt gedaan, mijn waarde gezant! zeide de vorst, zich van de Spaansche taal bedienend. Toen ging hij tot het Fransch over en vervolgde:

—Het doet mij groot genoegen, dat men blijkbaar uw toestand overdreven heeft.

—Uw Majesteit doet mij te veel eer aan, zeide de gezant nederig. De voet doet mij ongetwijfeld nog pijn, maar ik ben overtuigd, dat over enkele dagen de gevolgen van mijn onvoorzichtigheid verdwenen zullen zijn!

—Wilt gij mij niet eens mededeelen, hoe het ongeval zich heeft toegedragen? vroeg de koning.

Dat was een lastige vraag, want daar wist Raffles bitter weinig van!

Hij redde er zich zoo goed als het ging uit door te antwoorden:

—Een te jong paard voor een te oud man, Sire! Meer kan ik er niet van zeggen!

Koning Alfonso lachte tot al zijn groote, blinkende witte tanden te zien kwamen en zeide, terwijl hij den gewaanden gezant met den vinger dreigde:

—Moge dit u een les zijn voor een volgenden keer, Excellentie!

Hij wuifde hem vriendelijk met de hand toe, en Raffles begreep, dat het onderhoud als geëindigd werd beschouwd en dat hij zich weder kon verwijderen.

Buigend, en achteruitloopend, trok hij zich terug, moeilijk met zijn been trekkend.

Charly had hem opnieuw onder den arm genomen en geleidde hem naar een stil hoekje, dicht bij de danszaal.

Zoodra zij daar gekomen waren, fluisterde Raffles:

—Heb je op de prachtige diamanten van die oude, leelijke dame gelet, die, als ik mij niet vergis, de echtgenoote is van den gezant van een zéér bevriende natie?

—Jawel! antwoordde Charly. Ik weet welke je bedoelt! Ik taxeer ze op ongeveer dertig duizend franc!

—Meer, mijn jongen, veel meer! antwoordde Raffles. Wel veertig! Wij zullen het trouwens spoedig genoeg zeer nauwkeurig weten!

—Hoe zoo? vroeg Charly verbaasd en ook een weinig verschrikt.

—Omdat ik ze op het oogenblik in mijn zak heb!

Het scheelde niet veel of Charly had een schreeuw van ontsteltenis gegeven.

Raffles had het dus aangedurfd, hier, in deze volle zaal, een der aanwezige dames van haar kostbaar halssnoer te ontdoen, en dat met de wetenschap, dat de diefstal elk oogenblik kon worden ontdekt!

—Bedenk je wel, wat dat zeggen wil? kon hij eindelijk heesch fluisterend uitbrengen.

—Zeker—dat wil de leniging van zeer veel ondraaglijke ellende beteekenen! antwoordde Raffles kortaf.

—Ik bedoel—nu, op dit oogenblik! drong Charly [31]aan. De zaak kan iedere seconde aan het licht komen!

—En wat zou dat dan? vroeg Raffles. Denk je, dat men dat aanstonds in een gezelschap als dit gaat rondbazuinen? Vergeet je, dat daar ginds de koning van Spanje staat? Acht je het geloofwaardig, dat men het dadelijk van de daken gaat schreeuwen, dat hier een zoo brutale roof heeft plaats gehad? Ik wilde je wijzer hebben!

—Maar er kunnen hier detectives aanwezig zijn!

—Die kúnnen niet aanwezig zijn, mijn waarde—ze zijn er inderdáád! Ik heb er reeds twee herkend, en ik wil er heel wat onder verwedden, dat er zeker een half dozijn Spaansche rechercheurs, als gasten vermomd, hier rond loopen—of misschien wel als bedienden!

—En dat zeg je zoo kalm?

—Moet ik mij daarover opwinden? Zouden zij den gezant van Chili wantrouwen? Ik gevoel mij zoo rustig, alsof ik thuis was, en—ik denk mijn zoo goed begonnen operaties voort te zetten! Met mijn voet gaat het nu wat beter, en je kunt mij gerust los laten!

Charly wilde nog iets zeggen, maar reeds was Raffles verdwenen.

De jonge man zag, hoe hij door de zaal gleed, en nu en dan werd aangesproken.

Eensklaps schrok hij op.

Iemand had hem aangesproken.

Dadelijk herkende hij een Parijsch rechercheur, en hij dwong zich aanstonds uit alle macht, om een vragend, eenigszins verstoord gezicht te zetten.

—Neem mij niet kwalijk, dat ik u kom storen, mijnheer, zeide de rechercheur. Ik wilde nog even naar den toestand van Zijne Excellentie informeeren!

—Maar die is zoo goed, als hij in de gegeven omstandigheden maar zijn kan! antwoordde Charly.

—Dat verheugt mij ten zeerste—en tevens verwondert het mij wel eenigszins! Gij moet wetten, dat ik nog geen twee uur geleden mij ten huize van den gezant vervoegde, en toen uit den mond van een der bedienden moest vernemen, dat Zijne Excellentie veel pijn leed, en dus stellig hedenavond niet op het Elysée zou komen! Ik verzocht toen, bij Zijne Excellentie te worden toegelaten, en vond hem op een sofa uitgestrekt, den voet in een koud waterverband. De markies deed mij de eer, mij persoonlijk mede te deelen, dat er geen denken aan was, dat hij zou komen, maar dat hij zich toch niet over zijn toestand ongerust maakte, evenmin als de geneesheer. Gij kunt u dus voorstellen, hoezeer ik verrast en verheugd ben, Zijne Excellentie desniettemin hier aan te treffen!

Charly haalde de schouders op, ofschoon hij in zijn binnenste de onvoorzichtigheid van zijn vriend naar den duivel wenschte.

—De Markies is zeer grillig, zeide hij onverschillig. Even nadat gij waart vertrokken, veranderde hij van besluit, en gaf bevel, alles in gereedheid te brengen voor zijn bezoek aan het Elysée! Zoo is hij nu eenmaal! Dan verbijt hij zijn pijn, en niemand kan hem tegenhouden!

—Dat is zeker merkwaardig voor zulk een bejaard heer! hernam de rechercheur—en of Charly zich vergiste—het was hem alsof er een glimp van wantrouwen in de donkere oogen van den politieman school.

Deze vervolgde:

—En weet gij, wat mij ook bijzonder getroffen heeft?

—Ik ben er benieuwd naar! antwoordde Charly, ofschoon het hem volkomen koud liet.

—Ik heb vanavond duidelijk gezien, dat de rechtervoet van Zijne Excellentie gekneusd was—en de Markies schijnt toch met den linkervoet te trekken!!

Charly kneep de lippen op elkander en had moeite zijn kalmte te bewaren.

Toen zeide hij luchtig:

—Gij zult u wel vergist hebben, mijn waarde heer!

—Toch niet! En ik vind het zeer merkwaardig! Zie maar zelf!

Hij wees in de richting van den gewaanden gezant van Chili, die zich vlak naast den koning bevond en nu langzaam met hem opliep naar een der ramen, welke op het breede terras uitkomen, en daar met hem stilstond, bijna alleen.

Een zonderlinge onrust scheen zich van den rechercheur meester te maken.

—Wat gebeurt daar toch? mompelde hij. Dat is tegen het protocol!

—O, daar stoort Zijne Majesteit zich steeds bitter weinig aan—dat is bekend! zeide Charly, die zijn hart in zijn keel voelde kloppen, daar een voorgevoel ham zeide, dat de comedie haar hoogtepunt ging bereiken. [32]

Langzaam kwamen zij naderbij, de rechercheur en de gewaande Gezantschapssecretaris.

Ook de oogen van vele anderen waren op den koning en op den gezant van Chili gevestigd.

En zij allen zagen, hoe de koning lachend zijn dikke portefeuille uit zijn binnenzak haalde en er een papiertje uithaalde, hetwelk hij den Chileen liet zien.

En toen zagen zij, hoe de ander deze portefeuille met een bliksemsnelle beweging uit de hand van den monarch trok, en in zijn zak liet glijden!

De koning slaakte een kreet van woede, die niet koninklijk, maar wel zeer menschelijk klonk, en wilde den ander vastgrijpen.

Maar de gewaande markies duwde den heerscher over het Spaansche volk tamelijk onzacht achteruit, zoodat hij op een groote rustbank terechtkwam, en met de beenen in de lucht spartelde, rukte een der groote ramen open, sprong naar buiten en was verdwenen!

Maar hij had een zonderlingen doordringenden kreet geslaakt, die door Charly maar al te goed begrepen werd!

Het ging om zijn vrijheid!

Hij slingerde den rechercheur terzijde, die hem wilde vastgrijpen, daar hij nu het gansche bedrog doorzag, en vloog vlug als een haas naar het opengelaten raam, dwars door de gasten, die van schrik letterlijk versteend waren, terwijl enkele stokoude diplomaten stuntelige pogingen aanwendden, hun sierlijke, maar wellicht vastgeroeste degens uit de fluweelen scheden van hun statiegewaad te trekken!

Hij was met een geweldigen sprong over rustbank en koning heen, die nog niet overeind had kunnen komen, en was zijn metgezel gevolgd.

Dit alles had ternauwernood enkele seconden geduurd, en toen men eindelijk Zijne Majesteit te hulp kwam, en hem overeind hielp, toen de detectives in alle richtingen wegsnelden—toen waren Raffles en Charly reeds ver weg!


Toen zij in de auto zaten, welke hen in vliegende vaart naar het vliegveld Issy-les-Moulineaux zou brengen, vroeg Charly, die nog niet van zijn ontroering bekomen was:

—Hoe kwam de koning er toe zijn portefeuille te voorschijn te halen?

—Heel eenvoudig, zeide Raffles kalm. Ik had hem verzocht mij eens een Spaansch bankbiljet te laten zien! De Chileensche regeering wil ze juist zoo laten maken, weet je!