„’t Is een héél lastig geval, Edward”, zei Charly Brand tot zijn heer en meester, John C. Raffles, „en ik zou er een lief ding voor over hebben, als de zaken anders stonden.”
„Wàt is lastig, Charly?”
„Dat onze kas leeg is—totaal uitgeput.”
Lord Edward Lister glimlachte.
„Lach niet, Edward, doe me een plezier en lach niet! Ik kan dat niet verdragen!”
„Zóó, Charly! My boy, je bent in een prikkelbare stemming.”
„Dat weet ik.”
„En mag ik vragen, wat mijn secretaris in die minder rooskleurige bui heeft gebracht?”
„Dat zei ik je reeds!”
„Dus niets anders dan onze financieele toestand?”
„Vindt je dat nog niet genoeg?”
„Nee—dat vind ik heelemaal niets! Je weet wel, Charly, dat de redding altijd nabij is, als de nood het hoogst is gestegen. Mijn goed gesternte heeft me nog nooit in den steek gelaten en ik ben er trotsch op, te kunnen constateeren, dat geldverlegenheid op mijn humeur niet van den minst-nadeeligen invloed is.”
De Groote Onbekende tipte, nadat hij op z’n gewone, kalme manier deze woorden had geuit, de asch van zijn sigaret, dien hij zoojuist had opgestoken. Toen dronk hij z’n kop thee leeg, zette kop en schotel op een tafeltje met onyx blad en keek zijn jongen vriend en secretaris, Charly Brand, vriendelijk lachend aan.
Maar het blonde, blozende gelaat van Charly trok in geen prettigen plooi en geen lachje deed rimpeltjes verschijnen bij oog- en neushoeken.
Met gefronst voorhoofd stond Charly op en schonk zijn vriend uit den zilveren trekpot een versche kop thee in.
Toen bleef hij vlak voor Raffles staan, die, nog altijd glimlachend, het hoofd ophief en hij sprak:
„Jij lacht, Edward—jij lacht altijd, als ik ernstig ben. Kijk eens! Ik wil héél graag toegeven, dat mijn verstand in veel dingen te kort schiet. Als jij een mooie misdaad (zooals je het afschuwelijkst misdrijf gelieft te noemen) op het spoor bent, kun je mij met alle reden uitlachen, omdat jouw speurhondenneus je dan al heeft gebracht op een plek, waarvan ik zelfs het bestaan niet vermoedde. Maar als ik, als een nuchter [2]feit, constateer, dat onze kas leeg is, zonder dat we het minste vooruitzicht erop hebben, dat die weer gauw gevuld kan worden, dan heb jij niet de minste reden om je over mijn bezorgdheid vroolijk te maken.
„En bovendien!
„Als we in Regent-Park zaten, in het groote Londen, waar zooveel wegen voor je openstaan om je te verrijken binnen enkele dagen, binnen enkele uren soms, dan nog zou ik er vrede mee hebben, dat je mij bespot, als ik om geld vraag.
„Maar hier!
„Hier in Holland, in dat keurige, nette Amsterdam, waar geen duizenden aan de speeltafel worden vergokt; waar alle clubs soliede en alle sociëteiten zoo burgerlijk-netjes zijn. Hier, waar jij je naam als graaf van Sloten tot Haersveld moet hoog houden, kun je mij morgen niet verrassen met een welgevulde portefeuille of een chèque van een half millioen op de Nederlandsche Bank.
„En of je nu al dan niet de droevige, naakte waarheid onder de oogen durft te zien, Edward, een feit is het, dat we er op ’t oogenblik héél leelijk aan toe zijn. Of je zoudt er al toe moeten overgaan de enkele familiejuweelen— —”
„Geen sprake van”, viel Raffles in, „praat geen nonsens, Charly en trek niet zoo’n ongelukkig gezicht. Neem een ijskoude douche, dat zal je goed doen, boy!”
„Ik ben geen zenuwlijder en heb dus geen koudwaterkuur noodig, Edward! Dankje! Ik heb alleen geld noodig om onze huishouding te kunnen voeren en onzen stand op te houden! Geld, Edward!”
En Charly hield zijn vriend de geopende hand voor, alsof hij verwachtte, dat lord Edward Lister, alias graaf Van Sloten tot Haersveld, daarin een kapitaal zou neerleggen.
Nog altijd was de vroolijke trek niet van het knappe gelaat van den Grooten Onbekende verdwenen.
„Je doet me denken aan dien vent uit het volkstheater in East End, die voor koning speelde en in die rol tegen een zijner onderdanen zei, die hem om een aalmoes kwam smeeken: „Ziehier een millioen! Red u voorloopig.”
„Aan een millioen, Charly, zal ik je vooreerst nog niet kunnen helpen, zelfs niet aan de helft van dat belangwekkende sommetje. Maar ik wil je hier toch graag de belofte doen, dat je, laat ons zeggen binnen een week, je „huishoudkas” weer voor een tijdje gevuld zult zien!
„’s Jonge, jonge”, voegde hij er aan toe, en hij stak zijn vriend de hand toe, „wat ben je toch een beste kerel, Charly, dat je je zoo bezorgd maakt over den berooiden staat van onze financiën. Als ik nog eens m’n mémoires schrijf, zal ik heel wat bladzijden wijden aan jouw vriendschappelijke toewijding!”
Verrast keek Charly op.
„Je moest daarmee nu toch eindelijk eens beginnen, Edward! Wat zou je een belangwekkende feiten op papier kunnen zetten!”
„Kerel, dat is zoo’n werk! Ik getroost me nu zoo’n enkelen keer in ’t jaar eens de moeite om al mijn papieren en documenten te rangschikken.”
„Ja—en dat is véél te weinig. Tot schrik van ouden James stapelen zich in Regent Park van maand tot maand je papieren op, tot in iederen hoek van je werkkamer stapels manuscripten worden gevonden, die niet verbrand of weggeborgen mogen worden, behalve door den eigenaar!”
„’t Zijn allemaal paperassen, Charly, waaruit ik uittreksels of korte aanteekeningen maak. Kijk eens, boy, ik heb al heel wat crimineele zaken verzameld, ook hier ben ik, in leege uren, als jij aan het tennissen of aan het flirten waart, al aan den arbeid geweest. Kijk maar!”
Raffles stond op.
Uit een kleine brandkast haalde hij een koffertje met koperen beslag te voorschijn en toen hij het openmaakte zag Charly, dat het al voor een derde deel gevuld was met bundels papieren, die met roode linten tot afzonderlijke pakjes waren gebonden.
„Zijn dat verhalen van je vroegere nasporingen, Edward?” vroeg Charly.
„Ja, mijn jongen! Dat zijn allemaal zaken die, om zoo te zeggen, tot het grijze verleden behooren! Allemaal gebeurd, vóórdat ik het genoegen had, de medewerking te mogen genieten van mijn zorgzamen secretaris-huishoudster.”
Lord Edward Lister nam de pakjes een voor een uit de koffer en bekeek ze met teederen, liefdevollen blik, zooals men een kostbaren schat bekijkt.
„Mijn nasporingen, in deze pakjes vermeld, zijn niet alle met succes bekroond, Charly, maar toch zijn er enkele héél interessante gevallen onder.
„Hier heb je de geschiedenis van Rodrigo en zijn afschuwelijke vrouw, die alle drie haar zwagers langzaam vergiftigde om in het bezit te komen van de twee millioen pond.
„En daar ligt het heele uitgebreide, zonderlinge verhaal van de gouden beugeltasch en het fluweelen kussen. [3]Tusschen de veeren van het kussen zat een testament genaaid, waarnaar door vier geslachten tevergeefs was gezocht en waarover een onmetelijk kapitaal van procedures was opgeslokt.
„En hier is de geruchtmakende zaak van de Ierseton-moorden, toen binnen den tijd van één maand uit een en dezelfde familie vijftien personen op even geheimzinnige als vreeselijke wijze om het leven werden gebracht.
„Dit is de rechtzaak van den ouden koopman in wijnen uit Brighton. Dat was een bijzonder grappig zaakje, Charly. De oude gauwdief bleef tot het laatste oogenblik zijn onschuld verklaren, totdat hij door den mand viel en toen zijn advocaat en de rechters in het gelaat spuwde.
„Dat zaakje heeft me destijds geen windeieren gelegd.
„De man, wien ik er opmerkzaam op maakte, dat de oude Bob Sleeter de schurk was, zond me, onder mijn aangenomen naam, (ik noemde me destijds Dick Windibank) een chèque op de Engelsche Bank van honderdduizend pond. Maar hij zelf streek toen ook, toen hij het proces had gewonnen, een zoet winstje op, dat het honderdvoudige bedroeg van wat hij mij had gestuurd.
„Hier heb ik het avontuur van Alexander Angel. Ik zie hem nog voor mij, Charly, dien Angel! Een man van ongeveer vijftig jaren, lang en vrij gezet, een breed, scherpgeteekend gelaat. Op den dag, toen hij voor het eerst mijn argwaan opwekte, droeg hij een glinsterenden hoogen, zijden hoed, mooie, bruine slobkousen en een broek van parelgrijze kleur.
„Hij, Angel, was de zoon van een Engelsch minister. Hij had zijn geheele familie geruïneerd en hij had het plan opgevat om zijn oude, 88-jarige moeder met een ploertendooder van kant te maken om in het bezit te kunnen komen van een ellendige duizend pond sterling.
„De kerel was door den speelduivel bezeten. Ik wachtte hem op in de lange, donkere gang, waar hij zich had opgesteld om de oude vrouw te overrompelen en neer te slaan, als ze zich naar haar slaapkamer wilde begeven.
„Ik hield hem mijn pistool tegen de slapen, eer hij den slag kon toebrengen en tegelijkertijd leverde ik hem aan de politie over wegens een ander misdrijf.
„Alexander Angel is in de gevangenis gestorven, drie jaren na zijn inhechtenisneming.”
Raffles zweeg.
Het gebeurde zelden, dat hij zóó mededeelzaam was en dat hij zooveel interessante bijzonderheden vertelde uit zijn vroegeren werktijd.
Maar Charly’s hartelijke bezorgdheid had den grooten John C. Raffles er onwillekeurig toe gebracht om een klein tipje van den sluier op te lichten, waarachter zooveel belangwekkends verborgen lag.
En al was het nog maar een vage blik, dien de jeugdige secretaris vermocht te slaan in dezen schat van crimineele geheimzinnigheden, toch begreep Charly Brand, dat eens de tijd zou komen, waarin lord Lister hem geheel tot zijn vertrouwde zou maken.
Een blos van bewondering bedekte Charly’s kaken.
„Zie je”, vervolgde Raffles, „men heeft mij in Engeland, in gansch Europa, den naam van gentleman-dief gegeven, deels als eerenaam, deels als scheldnaam.
„En toch, Charly, zijn de gevallen bij tientallen te noemen, waarbij ik slechts ben opgetreden als de bemiddelaar.
„Er zijn vele geruchtmakende zaken, waaromtrent het groote publiek nooit de volle waarheid had vernomen, als ik niet de aanvankelijk duistere geschiedenissen had opgehelderd. Daardoor heb ik aan den eenen kant de politie vele en soms onschatbare diensten bewezen en aan den anderen kant ben ik persoonlijk, zonder politie of justitie erin te mengen, opgetreden als rechter.”
„Maar Edward”, viel Charly in, „dan had je allang schatrijk moeten zijn, inplaats van— — —”
„Zoo arm als een kerkrat zoo als thans het geval is!” voltooide Raffles.
„Wat zal ik je zeggen, my boy?
„Ik heb nooit veel gegeven om geld en goed. Een ruim en weelderig leven heeft me altijd aangestaan en ik zou dat ook slechts noode kunnen missen. Als het echter moest zijn, zou ik me ook volmaakt gelukkig gevoelen in eenvoudige omgeving. En wat ik over had—wel, Charly, dat heb ik steeds graag aan m’n minder goed bedeelde medemenschen afgestaan, vooral wanneer die duizenden afkomstig waren van woekerwinsten of op andere, ongeoorloofde manier waren verkregen.
„Ik ontmoette eens, het zal nu ongeveer tien jaar geleden zijn, een man, uit Leeds afkomstig.
„Zijn naam was Leo Landerson.
„Hij had zijn millioen verdiend op de diamantvelden van Zuid-Afrika en was naar zijn vaderland, naar [4]Engeland, teruggekeerd om naar welbehagen te gaan genieten van zijn rijkdommen.
„Hij deed dat op een zeer eigenaardige manier, die destijds de ronde deed door de heele Engelsche pers en vooral gretig werd verslonden door de tienduizenden lezers der volksblaadjes.
„De millionnair had zich namelijk een reusachtig groote bezitting laten bouwen. Daar hield hij een heelen stoet van kaffers, die feitelijk niets anders dan zijn slaven waren.
„Hij werd in Londen steeds gezien met reusachtige groote diamanten in zijn overhemd; steenen als knikkers, die ieder een aardig kapitaaltje vertegenwoordigden. In zijn gezelschap werd steeds een geweldig groote kerel gezien, een bokser van beroep.
„Landerson zelf was de grootste woesteling, dien men zich maar met eenige mogelijkheid kan voorstellen. Hij was minstens zes voet lang, had een borst als een biervat, een grooten haviksneus en haar van vuurroode kleur. Hij dronk als een visch en als hij dronken was hield hij een speech, waarom je je slap moest lachen. Het spijt me, Charly, dat jij zooiets nooit hebt gehoord.
„Landerson deed nooit iets anders dan pochen op zijn geluk en zijn rijkdommen. En dan voer hij uit tegen de groote wereld, die wereld, die hem in zich opnam, alleen terwille van zijn geld, en die hem later weer uitstiet uit jaloezie en omdat hij zoo machtig veel bezat.
„En dan wees hij naar een van de groote diamanten in zijn overhemd en dat deed hij met zijn pink, waaraan ook zoo’n reusachtige diamant schitterde.
„Dan vroeg hij, wie van onze omgeblazen, Engelsche prinsjes twee van zulke steenen zou kunnen laten zien?
„Ik moet erkennen, Charly, dat het twee buitengemeen mooie steenen waren, met een eigenaardigen glans, die bepaald schatten waard waren. Landerson beweerde dan ook, dat hij ze niet zou willen missen voor vijftigduizend pond en dat hij wel eens zou willen weten, of er nòg iemand op de wereld zou worden gevonden, die vijf-en-twintigduizend pond in zijn knoopsgat en net zooveel aan zijn vinger droeg!
„Zoo iemand, zei hij, bestond eenvoudig niet. En dan haalde hij, midden onder z’n verhaal, een revolver te voorschijn, Charly en dan wilde hij zijn naam in kogels in den muur gaan schrijven. Dat wenschte hij te doen om ons te laten zien, dat hij helemaal niet bang was voor zijn diamanten.
„Maar Bunny Sutherland, een kerel als een leeuw en worstelaar van beroep, had ondanks dat alles toch zijn zinnen gezet op de diamanten.
„Het is tusschen Bunny en Leo tot een verschrikkelijk gevecht gekomen, op een middag, dat ze samen in hun club alleen waren. Met een verschrikkelijken slag spleet de kampvechter met een bierglas den schedel van den rijkaard, nadat Landerson den ander een mes tusschen de ribben had geboord.
„Een week later stierf ook Sutherland in het hospitaal. Nooit hebben gekroonde hoofden of groote geleerden meer belangstelling bij hun begrafenissen gehad dan dit lugubere tweetal. Landersons millioenen vervielen aan de algemeene armen.”
Wederom hield Raffles op.
„En hier,” vervolgde hij even later en haalde een pakje, in bruin papier gebonden, voor den dag „hier heb je een zeer interessant verhaal, dat ik op schrift stelde.
„Ben je nieuwsgierig om het te lezen?
„Wacht, ik zal ’t je voorlezen, zooals het mijn pen ontvloeide:
„Luister:”
Charly nam een gemakkelijke houding aan en Raffles las:
„Op een Septembermorgen van het jaar 1907 lag op de Theems een groot barkschip voor de afvaart gereed, waarop de oogen van hen, die op den havendam stonden met een mengeling van bewondering en ontzetting gevestigd waren.
Het was de „Victory”, bestemd om onder commando van kapitein John Warthon, een aantal misdadigers naar de kortelings gevestigde kolonie Botanybay in Australië over te brengen.
De admiraalsvlag woei van den gaffel en de „Blauwe Peter” aan den voortop: de bemanning was, onder leiding der officieren, bezig met het schip voor de afvaart gereed te maken.
De zeilen hingen los aan de raas en behoefden alleen nog maar gebrast te worden om op reis te gaan.
Intusschen liep de kapitein, een jonge man, in den uniform der koninklijke marine, ongeduldig op het achterdek heen en weer en bracht herhaaldelijk een kijker aan de oogen. Eindelijk ontdekte hij een bootje, dat, juist van de landingsplaats afstootend, zijn weg naar het schip nam.
„Ik geloof, dat ze daar aankomen,” zeide hij tot een van zijn officieren.
„Het was ook hoog tijd,” antwoordde deze, zijn verrekijker landwaarts richtende, „de heeren van het [5]gerecht hebben ons lang genoeg laten wachten.
„De man, dien zij ons nu nog voor Botanybay meegeven, moet volgens de kranten een doortrapte schurk zijn, wiens voornaamste bezigheid bestond in het overvallen van postwagens.”
„Dat is zoo; de naam van dezen gevaarlijken knaap is Morris. Nu, hier aan boord en onder de handen van den gouverneur der kolonie Sydney zal hij wel mak worden.”
Intusschen was de jol aanmerkelijk dichterbij gekomen; de manschappen van het deportatieschip konden nu duidelijk zien, wie er in zaten.
Bijzondere opmerkzaamheid verleenden zij evenwel aan den in de boot zittenden en met ketenen geboeiden gevangene, die door twee politieagenten bewaakt werd.
Een blik op de krachtige, zij het ook slechts middelmatig lange gestalte van den misdadiger was genoeg om de strenge waakzaamheid der politie als niet overbodig te doen beschouwen.
Zwaar gebouwd en gespierd, kon hij een gevaarlijk tegenstander worden. Zijn gelaat vertoonde op het oogenblik, dat de jol aan de „Victory” aanlegde en hij over de valreep het dek betrad, echter minder een uitdrukking van trots of strijdlust dan wel van een diepe neerslachtigheid.
Het scheen alsof hij in zijn lot berustte.
De kapitein trad op den in geel linnen gekleeden misdadiger toe; de oogen van den zeeman en van den gevangene ontmoetten elkander in wederzijdsche herkenning.
De kapitein huiverde even; er gleed zoo iets als een donkere schaduw over zijn ernstig gezicht en haastig scheurde hij den verzegelden brief open, die hem door een van de politie-agenten ter hand werd gesteld.
Het waren de papieren van den zooeven aangekomen misdadiger.
„Kerry Morris,” las hij halfluid, „schuldig verklaard aan moord en diefstal—veroordeeld tot levenslange deportatie naar Botanybay.”
De kapitein wist voorloopig genoeg; hij haalde als verlicht adem, terwijl de oogen van den misdadiger uitvorschend op hem rustten.
De sergeant van de mariniers, die tevens aan boord dienst deed als cipier, snelde op een wenk van zijn chef met twee man toe.
Tusschen hen in marcheerde de gevangene naar het benedendek, terwijl de politie-agenten weer in hun jol afdaalden en wegroeiden.
„Haal in!” riep de commandant vanaf het achterdek, „alle zeilen los! Brassen!”
Het commando werd snel uitgevoerd, de zeilen vulden zich, de raas vlogen om en de „Victory” zette zich langzaam in beweging met haar levende vracht—zestig gevangenen en over de honderd matrozen en mariniers.
Eenige dagen na de afvaart hield kapitein Warthon inspectie over de hem overgeleverde misdadigers, tot welk doel hij, vergezeld van twee mariniers, van cel tot cel ging.
Sloten en grendels werden teruggeschoven en de kapitein nam aan de deur het „present” van den betreffenden misdadiger in ontvangst.
Alles ging daarbij zeer militair in zijn werk en een strenge, een ijzeren discipline was hier noodig. Er kwamen gestalten te voorschijn, die er uitzagen als de verpersoonlijking van de misdaad; een categorie van gevaarlijke individuen, waarvan de staat zich ontdeed, terwijl hij er Australië langs den weg van strafkolonies mee bevolkte.
Warthon kwam op zijn rondgang ook bij de cel, op welker deur, naast het getraliede kijkgat, het nummer „47” in zwarte verf was aangebracht.
De kapitein aarzelde een oogenblik, maar reeds rukte de geoefende hand van een sergeant de zware deur open en de toonlooze stem van den misdadiger mompelde de vast ingeprente formule van de melding.
Het was Morris.
Hij stond op den achtergrond van het duistere hok, dat verschrikkelijk was in zijn eenvoud.
Geen bank, geen brits.
De naakte en eeuwig vochtige bodem deed dienst als legerstede en alleen des nachts verzachtte een dunne paardendeken de hardheid dezer slaapplaats.
De zijwanden waren niet bekleed en zoo drong door de slecht gekalifaterde voegen een steeds voortdurende vochtigheid heen, daar de cellen zich reeds onder den water spiegel bevonden.
Kapitein Warthon trad binnen, terwijl zijn militair geleide op een teeken van hem achterbleef.
Toen hij de deur achter zich toetrok, bleef de cel nagenoeg geheel duister en slechts een smalle streep licht viel door het kleine kijkgat op den vloer en gleed al spelend over den ketting, die de rechterhand van den gevangene met zijn linkervoet verbond.
„Rampzalige”, zeide de kapitein op zachten toon „wat heeft jou, den zoon van een achtenswaardige [6]familie, gedreven tot die vreeselijke misdaden, die je naam geschandvlekt hebben?”
De misdadiger hield het hoofd gebukt; maar toen hij zijn mager, door een verwilderden baard omlijst gelaat ophief, fonkelden zijn oogen in het duister als die van een tijger.
„De hartstochten en hun gezellen”, kwam het heesch van zijn saamgeknepen lippen—„en ook de liefde. Gij weet, Sir John Warthon, wat ik daarmede bedoel, want gij waart mijn medeminnaar en gij hadt het geluk en het succes aan uw zijde.
„Lichtzinnige jonge man als ik geweest ben, bracht ik er mijn vermogen in een vroolijken kring van gelijkgezinde vrienden door—en terzelfdertijd dat mijn laatste goudstuk uit mijn vingers de vorige narolde, leerde ik de bekoorlijke Florence kennen.”
„Zij is dood”, mompelde de kapitein dof, „dood, verloren, verdwenen! Onnaspeurbare handen hebben zich van de op zekeren dag plotseling verdwenene meester gemaakt. De scherpste nasporingen waren tevergeefsch—en op dit oogenblik, nu ik je als een veroordeeld misdadiger voor mij zie, komt de gedachte bij mij op, dat jij ook hier de hand in het spel hebt gehad.”
„Een stout schot, maar een treffer”, antwoordde de gevangene spottend. „Waarom zou ik het loochenen? Er bleef mij niets anders over dan haar te ontvoeren. De ouders van het meisje zouden er nooit in bewilligd hebben, om den tot over zijn ooren in de schuld stekenden Harry Lee, den woesteling en speler, als schoonzoon aan te nemen. En dan—hoe had Florence mijn aanzoek kunnen aannemen, daar haar hart reeds een ander toebehoorde—den knappen luitenant van de marine, Warthon?”
„Zwijg!” veegde de kapitein den ellendeling toe, „je woorden ontheiligen den naam van dat meisje. Dus is mijn vermoeden toch waar gebleken! Jij hebt Florence Preston geroofd—en misschien viel zij onder je moordend mes!”
De gevangene schudde het hoofd.
„Gij vergist u, kapitein. Maar wat kunt gij ook van een man verwachten, die van edelman tot straatroover is gezonken en nu een verachtelijk gedeporteerde is die onder de tuchtroede van een onverbiddelijk gouverneur zijn bestaan in de eenzaamheid van een ver land zal besluiten—een wild dier onder dieren!—en toch vergist ge u. Ik ben wel een misdadiger en de omstreken van de Clyde kunnen van mijn daden gewagen.
„Menige postwagen viel in mijn handen en in die mijner makkers en menige pachthoeve ging in de vlammen op.
„Doch geen dezer daden had haar oorsprong in de zucht naar geld, in gemeene hebzucht—nimmer waren deze erbarmelijke eigenschappen de drijfveer tot mijn misdaden.
„Neen, slechts jeugdige lichtzinnigheid, waaraan een strenge vader door onterving paal en perk wilde stellen en de onbeteugelde drang naar genot, trok mij op dien weg en deed den zoon van den baronet Lee de straatroover Kerry Morris worden.
„Wij kennen elkander sinds langen tijd, Sir John, en wij hebben beiden de schoone Florence gekend, en beiden beminden wij haar.
„Waarom wees zij mij af?
„Ware het geluk harer liefde mij ten deel gevallen, wellicht zou ik een nieuw, een beter leven begonnen zijn!
„Maar het heeft niet zoo mogen zijn, want het Noodlot trad in uw persoon, kapitein, tusschen mij en het voorwerp mijner liefde.
„En ik—ik vond op een andere wijze een gedeeltelijke genoegdoening.”
De misdadiger had zonder ophouden gesproken, hartstochtelijk, als in koorts. Zijn oogen gloeiden zijn ademloozen toehoorder tegen, als wilde hij hem verbrijzelen.
Kapitein Warthon was bleek van innerlijke ontroering, maar nieuwe hoop doortrilde zijn tot nog toe troosteloos hart.
„Leeft zij?” vroeg hij sidderend.
„Zij leeft en is in goede bewaring”, antwoordde de misdadiger. „Lady Florence werd door mij en met de hulp mijner trouwe bondgenooten geschaakt.
„Zes maanden zijn er sedert verloopen en de politie heeft nog geen spoor van haar kunnen vinden. Twee weken later viel ik in handen van het gerecht, maar ik hield wijselijk mijn mond over dezen besten streek, dien ik ooit in mijn leven heb uitgehaald.”
Zij leeft!
Deze gedachte was schier overweldigend voor Warthon, die de geliefde zijns harten als een doode betreurd had.
Welk een slag was het voor hem geweest, toen hij, van een korte reis naar Spitehead teruggekeerd, het vreeselijke bericht ontving, dat Florence niet teruggekeerd was van een wandeling in het park van Preston-Hall, het verblijf haars vaders, en dat zij waarschijnlijk [7]ontvoerd was geworden door de Hooglandsche Schotten, die gewoonlijk de grenzen onzeker maakten.
Zulke overvallen waren niets zeldzaams en de politie gaf zich in zulke gevallen ook niet erg veel moeite.
Maar hier bleven ook de navorschingen van Warthon en van de talrijke familieleden zijner bruid zonder gevolg.
En thans, nu hij reeds alle hoop had opgegeven, drong plotseling een heldere lichtstraal in zijn in duisternis gehulde ziel.
Den voormaligen edelman, en straatroover was de ontroering des kapiteins niet ontgaan.
Iets als een triomf vloog er over zijn bleek en verwilderd gelaat. Maar met het zich van de zege bewuste geduld van een indiaan wachtte hij op een vraag, die nog komen zou—nog komen moest.
En zij kwam.
„Waar is zij? Waar is Lady Preston?” klonk het van de bevende lippen van den zeeman. „Als je een mensch bent, zal je mij het antwoord niet weigeren. Welk nut zou je er ook van hebben? Je vrijheid is je toch voor altijd ontnomen.”
„Gij handelt al zeer weinig diplomatisch, Sir John”, antwoordde Lee ironisch.
„Gij vergeet, dat ik, die levenslang gedeporteerd ben, ook geen verdere schade van mijn stilzwijgen te wachten heb.”
„De straffen konden je dwingen.—”
„Spaar mij uw bedreigingen, kapitein. Geen macht ter wereld zal mij met geweld een bekentenis ontlokken.”
De vastberaden toon, waarop deze woorden gesproken werden, deed den kapitein inzien, dat hij op die manier zijn doel nooit zou bereiken. Hij moest deze trotsche weerspannigheid anders behandelen.
„Je hardnekkigheid zal je slechts schade doen”, zeide hij streng. „Aan den anderen kant kan ik veel, zeer veel voor je doen. Wijs mij de plaats aan, waar je Lady Preston verborgen hebt, dan zal ik den koning verzoeken, je genade te schenken of althans je straf te bekorten of te verzachten.”
„IJdele beloften, al even belachelijk als uw bedreigingen”, antwoordde de gevangene. „Als ik eenmaal mijn geheim had prijs gegeven, dan zoudt ge mij weldra vergeten. Maar zelfs in het beste geval—denkt gij, dat men in Engeland zoo goedhartig is om een straatroover de vrijheid weer te geven, omdat hij een smachtend minnaar aan zijn geliefde heeft geholpen? Neen, kapitein, op die manier worden wij het nooit eens.”
„Ellendeling!” viel de kapitein woedend uit. „Doe boete voor je misdaden door een goede daad. Heeft je hart dan geen menschelijke gevoelens meer?”
„Gaat gij preeken?” lachte de misdadiger.
„Hoe dom! Waarom zegt ge niet liever: de eene goede daad tegen de andere?”
„Hoe moet ik dat begrijpen?”
„Verschaf mij de vrijheid door de macht, die gij als bevelhebber aan boord geniet en de plaats waar ik Lady Preston verborgen heb, zal geen geheim voor u zijn.”
„Ik moet—?”
„Mij helpen vluchten. Wanneer ge mij eerst in handen van het gerecht uitlevert, dan is alles uit, voor mij en—voor u!”
Deze woorden maakten den kapitein de bedoeling van zijn voormaligen medeminnaar duidelijk.
Hij walgde.
„Dus zou ik de vrijheid van het ontvoerde meisje moeten koopen door een vergrijp tegen mijn plicht!” riep hij uit. „Ik, een officier in koninklijke dienst, zou een gevangene, een tienvoudige roover, laten ontkomen? Ellendeling, ik moest je dadelijk aan den nok van de mast laten bengelen!”
De misdadiger bewaarde zijn kalmte. „Waarom die onnoodige opwinding, kapitein? Gij kunt mij laten ophangen—daar hebt gij het recht toe. Maar wat zal er dan van de schoone Florence worden? Mijn geheim zou ik met mij meenemen. Wij hebben beiden den tijd, denk eens na over mijn voorstel.”
Warthon gevoelde zijn onmacht, maar hij waagde het niet, zijn gedachten verder uit te spinnen.
Zijn hart bonsde en de duffe lucht in deze kleine cel, dreigde hem te zullen doen stikken.
Hij rukte de deur open en verwijderde zich met langzame schreden, terwijl de sergeant de grendels weer dichtschoof.
De dagen werden weken, de weken maanden.
Voor de celbewoners aan boord was het een tijd van vreeselijke eentonigheid, de eenige afwisseling was elken dag twee uur militaire wandeling op het dek, waar de frissche lucht de longen moest verfrisschen.
Met den kapitein had in dien tusschentijd een zonderlinge verandering plaats gehad.
Sedert dien dag van zijn onderhoud met Lee was zijn ernst in droefheid veranderd. [8]
Het maakte den indruk alsof hij door een idee was bevangen, dat hem geheel en al beheerschte.
Intusschen trok de „Victory” haar voren door de zeeën van het zuidelijk halfrond en verder naar het Oosten.
De Tafelberg bleef achter, schemerend in het licht der ondergaande zon.
Eindelijk, na een onafgebroken vaart van honderd en tien dagen, kwam de Australische kust …
Het was vroeg in den morgen, de lucht was koel, de zee hoog. Terwijl de kapitein door zijn kijker het opduikende land beschouwde, naderde hem de sergeant met zijn eene hand aan zijn sjako en met de andere een klein voorwerp vasthoudende.
Het was een zilveren medaillon aan een dun snoer.
Warthon wierp een vragenden blik op den sergeant.
„Nummer 47 droeg het om zijn hals.”
Warthon schrok. „Kerry Morris?”
„Om u te dienen, kapitein, Kerry Morris. Hij wilde het wel niet afgeven, maar natuurlijk nam ik het hem af.”
De kapitein draaide het medaillon in zijn vingers rond, totdat het deksel open sprong.
De inhoud was een lok goudblond haar, met een blauw zijden lint omwikkeld.
„Breng no. 47 in mijn hut”, beval hij met bevende stem.
De sergeant verwijderde zich haastig.
Toen Lee de hut van den kapitein binnentrad, leunde deze nadenkend over zijn kaartentafel heen.
De wachten in de gang bleven voor de deur staan. De binnentredende wilde met het voorgeschreven melden beginnen, maar Warthon sneed hem het woord af.
„Wat heeft dit te beteekenen?”
Lee wierp een blik op het geopende medaillon en antwoordde: „Het is mijn eigendom, dat de heeren van de politie mij hebben laten behouden.”
„Dit haar—”
„Krulde eenmaal op het hoofd van Lady Preston”, zei de misdadiger. „Haar weerstand was vergeefs; mijn schaar was sneller dan hare hand.”
Warthon drukte zijn lippen op den blonden haarlok van het meisje, dat hij zoozeer had lief gehad en nog beminde.
Lee zag zijn doel nabij.
„Kapitein”, zei hij „gij hebt Lady Florence nog lief. Dan is uw aarzelen mij onbegrijpelijk.”
„Mijn aarzelen?”
„Waarom zooveel omslag maken? Wij verstaan elkander immers! Waarom wilt gij van uw levensgeluk afzien? Gij behoeft het slechts te willen en Lady Florence wordt de uwe. Plicht en eer zijn holle frasen. Mijne vrijheid moet de prijs van Lady Florence zijn. Wij zijn in het gezicht der Australische kust. De tijd dringt, besluit dus.”
Het was Warthon alsof deze man een demonischen invloed op hem uitoefende.
En hij kon zich daar niet aan onttrekken, want Lee had slechts herhaald wat hij zichzelf reeds ontelbare malen had voorgehouden.
Hij had nu de keus of Florence te verliezen, of voor een oogenblik zijn eer als officier te vergeten.
En hij besloot tot het laatste.
Hij zag zich weder als den gaarne gezienen gast in het huis der Prestons en de bekoorlijke Florence luisterde naar zijne vurige woorden.
En toen toonde zij hem blozend den jongen man, die het, ofschoon bekend als een woesteling en doordraaier, toch gewaagd had, haar van zijn liefde te spreken.
De oude Preston, een man van strenge grondbeginselen, had den onterfden zoon van den baronet, kortaf de deur gewezen.
Harry Lee was vertrokken, maar woedend en dorstend naar wraak.
Eenige weken van het reinste geluk vervlogen voor de beide gelieven, toen trad de dienst scheidend tusschen beide.
Warthon moest een reis van verscheidene maanden ondernemen.
Toen hij weder te Preston-Hall terugkeerde, ontving hij de vreeselijke tijding, dat men op zekeren avond de bekoorlijke dochter des huizes ontvoerd had.
In die bewogen tijden behoort zoo iets geenszins tot de zeldzaamheden en bij de langzaamheid der Engelsche en Schotsche justitie, zou een bevredigende uitslag der ingestelde nasporingen een merkwaardigheid zijn geweest.
De aan schuilhoeken zoo rijke Schotse bergstreken verzwaarden de vervolging van het spoor.
Warthon liep rond als een vertwijfelde.
En nu had het lot hem de roover van zijn geluk in handen geleverd.
Hij zag de mogelijkheid voor zich, zijn Florence terug te vinden; en deze man verlangde daarvoor als prijs, slechts zijn vrijheid!
De kapitein streed een korten, maar zware strijd; toen zei hij met neergeslagen blik: [9]
Het zij zoo! Je zult je vrijheid hebben!”
Het vale gezicht van den misdadiger werd hooger gekleurd; het blijde gevoel der naderende vrijheid deed hem sidderen van geluk.
„En wanneer zal het zijn—en hoe?” vroeg hij haastig.
„Daar moet ik eens rijpelijk over nadenken, want ik kan je niet zoo maar loslaten zonder meer. Het moet den schijn van een vlucht hebben. Kan je zwemmen?”
„Zeker.”
„Goed. Maar eerst—waar is Lady Preston?”
„Wie staat mij borg dat mijn vlucht zal gelukken, of dat gij werkelijk—”
„Mijn woord. Ik zweer het je!”
„Goed, ik geloof u. Gij zijt een edelman en daarom wil ik u vertrouwen—”
„Dus?” vroeg de kapitein bevend van spanning.
„De sleutel tot het nest van het geroofde vogeltje ligt in uwe hand: het is het medaillon. Luister nu goed: Graafschap Essex, dorp Linghdale en de weduwe Mik, de „oude Mik” genaamd. Geef deze het medaillon met een groet van Kerry Morris en dan zal de oude vrouw u naar de plaats brengen, waar Lady Florence zich bevind.”
„Bedrieg je mij niet?” vroeg Warthon, voor wien zich plotseling een wereld van geluk opende.
Lee hief de rechterhand op tot een eed en zei plechtig:
„Zoo waar er een God boven ons is, ik sprak de waarheid!”
„Hoor dan wat ik je te zeggen heb: nog heden zal ik ergens in een stille bocht binnenloopen om water in te nemen. Ik zal zorgen, dat je aan dek bent en dat de marinier, die de wacht heeft, zijn geweer in je onmiddellijke nabijheid achterlaat, want in de wildernis van Westelijk Australië heb je in elk geval een wapen noodig.
„De jacht zal je in het leven houden, totdat het een of andere schip in zicht komt, dat je als schipbreukeling zal opnemen.
„Hier is een kruithoorn en een zak kogels—bewaar die goed.—
„En ga nu heen. Het verdere komt wel terecht.”
De zak met kogels en de gevulde kruithoorn verdwenen op handige wijze in de wijde beenbekleeding van den gevangene.
Warthon schelde en de mariniers namen den misdadiger in hun midden en voerden hem in zijn cel terug.
Alleen gebleven, liet de kapitein zuchtend het hoofd in zijn handen zinken.
„God vergeve het mij”, mompelde hij, „wanneer ik heb misdreven, maar ik heb het alleen gedaan uit liefde voor jou, mijn Florence! God schenke ons een gelukkig wederzien!”
De maan stond helder en klaar aan den hemel, toen het acht glazen sloeg—middernacht.
Zij bestraalde het idyllische beeld van een kleine, in de diepste rust slapende baai en van het op het zilveren water wiegelende schip—de „Victory”.
Kapitein Warthon had goed vaarwater gevonden en zijn schip tot dicht bij den oever gebracht.
De naar den wal gezonden jol had een kleine, onder langbladerige eucalyptussen voortstroomende beek gevonden, die goed drinkwater opleverde.
De bevelhebber van het schip verkeerde in een nauwelijks te overmeesteren opwinding; zijn ongeduld nam eerst een einde, toen de acht klokslagen door de warme lucht galmden.
Hij liet door den officier van de wacht den sergeant met een marinier bij zich roepen on ving met die twee zijn gewone ronde aan, waarbij hij eenige cellen binnentrad, het laatst die van nummer 47.
Hier bewoog zich niets—geen melding, geen gedruisch.
Het zwarte licht van een buiten aan een balk hangende lantaarn deed evenwel de op den grond liggende bewegenlooze gestalte van den misdadiger herkennen.
„De hond slaapt”, zei de sergeant en stiet den misdadiger met den voet aan.
Maar Lee verroerde zich niet.
„Alle donders, ik geloof, dat de kerel dood is.”
„Hij zal ziek zijn,” waagde de marinier aan te merken.
„Naar het dek met hem!” beval de kapitein, „hij is flauw gevallen in die duffe lucht.
„Help hem oppakken, sergeant, de frissche lucht zal hem opknappen.”
Soldaat en sergeant droegen den bewusteloze gezamenlijk naar het middendek.
Het bleeke licht van de volle maan viel op het gelaat van den misdadiger, die met gesloten oogen op den grond lag.
Lee speelde zijn rol meesterlijk.
Warthon wierp een vorschenden blik om zich heen; [10]er was geen gevaar: op de voorplecht patrouilleerde de boegpost op zijn dooie gemak.
„Je moet hem zijn ketting afnemen”, zeide de kapitein, „ik geloof, dat zijn aderen opzwellen.”
De sergeant deed wat hem bevolen was. De ketenen vielen af.
„Sergeant”, vervolgde de kapitein, „laat je door den officier van de wacht wat salmiak geven, de sleutel van de medicijnkast hangt in mijn hut. En jij, marinier, haal jij gauw een puts water …
„Laat je geweer maar hier, zet het daar maar tegen aan, dan ben je gauwer terug.”
De sergeant en de marinier verwijderden zich met snelle schreden—het verwachte oogenblik was daar!
„Sta op!”
Als een bliksemstraal was Lee op de been; één blik in het rond was hem voldoende: hij bevond zich met Warthon alleen; zijn gespierde hand greep het geweer, waarvan de bajonet in het maanlicht flonkerde.
„Goed gedaan, Sir John Warthon”, fluisterde hij met een duivelschen lach, „ga na haar de aangeduide plaats en zoek uw bruid.
„De oude Mik kan u de plek wijzen—maar dood, begraven!
„Met deze hand bracht ik haar om, toen zij weigerde mijn vrouw te worden.… met dezelfde hand, die nu op u wraak zal nemen.”
De officier versteende schier bij deze woorden; hij greep naar zijn pistool, het was te laat.
De kolf van het geweer flikkerde in de lucht en bonsde toen op zijn hoofd neer.
Met een luiden kreet viel de kapitein op het dek neder, terwijl de pistool hem uit de hand viel en afging.
Een seconde later sprong de vluchteling over boord en in het water.
De knal van het pistoolschot had de geheele bemanning gealarmeerd; het regende kogels om den vluchteling heen die evenwel, met krachtigen slag het water klievend, weldra in den duisternis verdween.
Ook de nasporingen, die den volgenden dag in het bosch naar hem werden gedaan, waren vergeefsch.
Lee was verdwenen en nooit heeft men weder iets van hem gehoord. De bewering van den ellendeling bleek evenwel juist te zijn, zooals kapitein Warthon ervoer, nadat hij van zijn zware verwonding genezen en naar Engeland was teruggekeerd.
Hij begaf zich naar Linghdale naar de weduwe Mik, een oude, dikke, in kwaad gerucht staande vrouw, op wier gelaat haar misdadige aard duidelijk te lezen was, liet haar het medaillon zien, bracht haar een groet van Kerry Morris en verzocht haar, terwijl hij haar eenige goudstukken toestopte, hem naar het graf van de vermoorde Florence te brengen.
De oude vrouw voldeed aan zijn verlangen, en toonde hem onder een dikken beukeboom den grafheuvel, die de geliefde zijns harten bedekte.
Kapitein Warthon en de ongelukkige ouders lieten het stoffelijk overschot van de vermoorde Florence naar Preston Hall overbrengen, waar het in het familiegraf werd bijgezet.
Toen de plechtigheid was afgeloopen, verliet kapitein Warthon Engeland voor altijd.
Hij had van het oude vaderland een afkeer gekregen.
In de jonge, tot zelfstandigheid gekomen Noord-Amerikaansche Republiek heeft hij later een zeer beduidende, tot de geschiedenis behoorende rol gespeeld.”
In ademlooze spanning had Charly geluisterd naar het lugubere verhaal van zijn vriend.
„Toe, Edward”, drong hij aan, „vertel nog meer van die boeiende, tragische geschiedenissen. Ik tref het niet vaak, dat je zoo mededeelzaam bent.
Lord Lister lachte en maakte een ontkennende beweging met het hoofd.
„Wel, Charly, je zoudt me zoo nog uren aan de praat houden. ’t Is voor vandaag mooi geweest! O, ja, wat ik zeggen wou, heb je me straks niet om iets gevraagd?”
Charly moest nu wel lachen.
„Ja, Edward, ik sprak je over onze berooide kas!”
„Juist, dàt was ’t! Ik dacht, dat je onze armoede waart vergeten! ’t Blijft dus afgesproken, boy, dat ik je binnen een week een ronde som zal overhandigen!”
Charly knikte toestemmend.
Hoe zijn vriend in het rustige Amsterdam het zou moeten aanleggen om een kapitaaltje te bemachtigen?
„Ik weet het niet”, peinsde Charly, toen hij zich naar zijn kamer begaf, „ik weet het niet en ik begrijp het niet. Maar ik houd m’n hart vast!” [11]