„Charly, je moet vanavond je heil alleen zoeken”, sprak lord Lister tot zijn jongen vriend en secretaris.
De beide heeren zaten tegenover elkaar aan den welvoorzienen disch in de eetkamer der mooie villa in het Willemspark.
Deze kamer was op bijzonder kostbare wijze door den Grooten Onbekende ingericht. Echte gobelins van bijna onschatbare waarde bedekten de wanden en het ameublement, dat hij hierheen had laten overbrengen, was vele eeuwen oud.
Oude James, die deze meubelen reeds in het kasteel van Lord Listers grootvader had gekend, behandelde elk stuk steeds met de grootste zorg en soms gleed zijn rimpelige hand niet zonder eenige teederheid langs de sierlijke lijnen van het breede buffet, over de armleuningen der antieke stoelen.
Wanneer de oude, getrouwe bediende in deze kamer vertoefde, waar alles hem herinnerde aan lang vervlogen jaren, zag hij in zijn verbeelding weer terug dat kleine gezin, waar geluk en vrede hadden geheerscht.
Daar, in dien stoel, met het kunstige snijwerk en de mat-blauwe zijden bekleeding, had de jonge vrouw gezeten, de echtgenoote van lord Roland Lister, een der rijkste edellieden van Engeland.
Hoe goed herinnerde James zich nog de slanke gestalte, het fijnbesneden, beeldschoone gelaat en de groote, donkere oogen der jonge vrouw.
En lord Roland zelf, de eenige erfgenaam van de onmetelijke bezittingen zijner voorouders! Nog kwam een uitdrukking van trots op het gelaat van ouden James, als hij terugdacht aan hem, wien hij jarenlang had gediend met de grootste trouw en verknochtheid.
Lord Roland was het toonbeeld geweest van een waren edelman, zoowel wat zijn uiterlijk betrof, als waar het zijn karakter gold.
En zijn bekoorlijke jonge vrouw stond hem in alles steeds ter zijde, zij was niet alleen de gracieuse, beminnelijke gastvrouw, de vertegenwoordigster van een der oudste adellijke geslachten van het Vereenigde Koninkrijk, maar vooral was zij een trouwe gade, een liefdevolle, verstandige moeder geweest voor haar eenigen zoon, den kleinen Edward.
Zooveel mogelijk had zij steeds zelf gezorgd voor de opvoeding van haar kind. Urenlang had zij elken dag met hem gespeeld, met hem gewandeld en gestoeid in het prachtige park, dat bij het zomerverblijf der familie behoorde en later, toen de vlugge, intelligente jongen moest studeeren, had zijn moeder hem met altijd even onuitputtelijk geduld en teedere liefde door menig vervelend studieuur heengeholpen.
Het had den jeugdigen Edward met zijn bijzonder helder brein niet de minste moeite gekost om al zijn examens op schitterende wijze af te leggen.
Doch toen was plotseling een ommekeer gekomen—toen was het geweest, alsof het geluk, dat deze drie menschen tot nu toe op hun levensweg had gevolgd, hun opeens den rug had toegekeerd.
Op een mooien zomerdag—oude James herinnerde het zich, alsof het gisteren was geweest—was lord Roland dood thuisgebracht. Bij een val van zijn paard had hij den nek gebroken en zoo was hij plotseling heengegaan uit het leven, dat zoo mooi en zonnig voor hem was geweest, zonder een enkel woord van afscheid voor zijn vrouw en kind.
Edward had zijn moeder dapper terzijde gestaan in die dagen van zware beproeving, maar de jonge vrouw had zich niet kunnen heenzetten over den dood van hem, dien zij boven alles had liefgehad en twee jaar later was zij haar echtgenoot gevolgd.
Toen ook haar lijk was bijgezet in het familiegraf der Listers, was Edward nog geen achttien jaar.
Een neef van zijn vader was benoemd tot zijn voogd [12]en toen de jonge lord eenige jaren later meerderjarig werd verklaard, bleek het, dat deze neef, een man van een valsch en oneerlijk karakter, zijn pupil op de meest schandelijke wijze had bestolen.
Van de groote rijkdommen zijner voorouders was slechts een vrij onaanzienlijk kapitaal overgebleven, het grootste gedeelte der onroerende goederen was bezwaard met hypotheek en het bleek lord Edward Lister, dat op zóó geraffineerde, geslepen manier te werk moest zijn gegaan, dat het hem misschien nimmer zou gelukken, den schurkachtigen edelman te ontmaskeren.
Een scherpe, vastberaden trek was in die dagen op het gelaat van den jongen man verschenen en een zeldzaam besluit was gerijpt in zijn hersenen.
Hij, die door de slechtheid van anderen zoo schandelijk bedrogen was, hij wilde zich voortaan tot levensdoel stellen om de misdaden der voorname schurken te wreken, te wreken op gansch eigenaardige wijze.
Hij wilde de beschermer der ongelukkigen en verdrukten worden, hij zou den gewetenloozen rijkaards ontnemen, wat zij zich wederrechtelijk hadden toegeëigend om die schatten daarna terug te geven aan hen, aan wien ze eenmaal hadden toebehoord.
En hoe schitterend was hij de gelofte, die hij zichzelf toen had gedaan, nagekomen!
Hoevele misdaden had hij reeds verhinderd, hoevele arme bedrogenen had hij weer in het bezit gesteld van hun rechtmatige eigendommen, maar vooral—hoe ontelbaar vele rijke schurken waren door hem gestraft en ontmaskerd!— —
Oude James wist dit alles en het geheim, dat het leven van zijn jongen meester omhulde, was hem heiliger dan zijn eigen leven.
Charly Brand, die zich vol ijver bezig hield met het ontleden van een gebraden kuiken, keek op van zijn bord.
„Wat bedoel je, Edward? Welke plannen heb je dan voor vanavond, dat je mijn gezelschap zoo goed kunt missen?”
„Niets bijzonders, mijn jongen. Maar ik wil een paar uur naar de Whistclub gaan en omdat ik weet, hoe weinig jij om dat spel geeft, wilde ik je voorstellen, je elders te gaan amuseeren.”
„Uitstekend, Edward! Ja, liever dan den ganschen avond aan het speeltafeltje te zitten, ga ik „Carmen” nog eens horen van de Italiaansche Opera. Ik hoorde gisteren op het tennisveld van freule Van Spalen, dat de bezetting bijzonder goed moet zijn.
„Toevallig bood zij mij voor vanavond een plaats aan in haar loge.”
„Die je natuurlijk gretig hebt aangenomen?”
„Welneen, want ik kende jouw plannen niet en je weet wel, dat ik het gezelschap van mijn vriend en meester boven elk ander prefereer!”
„Ook boven dat van freule Elise van Spalen?” vroeg lord Lister met een guitigen glimlach.
Charly lachte terug zonder te antwoorden.
Het was waar, het mooie, blonde freuletje, dat zoo meesterlijk tenniste en op fietstochtjes onvermoeid en altijd even bekoorlijk was, had het licht ontvlambare hart van den jongen secretaris van bewondering vervuld, maar dergelijke verliefdheden duurden bij hem slechts korten tijd.
Lord Lister wist dit evengoed als Charly zelf en daarom hadden de beide vrienden reeds dikwijls hartelijk gelachen om de ontelbare genegenheden, welke Charly in den loop der jaren voor de vertegenwoordigsters van het schoone geslacht had opgevat.
Onberispelijk gekleed in zijn avondtoilet, met een rozenknop in het knoopsgat, nam Charly een uurtje later afscheid van zijn vriend om zich naar het Paleis voor Volksvlijt te begeven, waar de Italiaansche opera dat seizoen haar voorstellingen gaf.
Eerst tegen negen uur verliet lord Lister, alias Raffles, de Groote Onbekende, zijn villa in het Willemspark, welke hij nu reeds geruimen tijd bewoonde onder den naam van graaf Van Sloten tot Haersveld.
Toen graaf Van Sloten het voorname clublokaal binnentrad, waren hier reeds vele bezoekers bijeen.
Aan een der met groen laken bekleede speeltafeltjes zaten drie heeren. Blijkbaar wachtten zij op het verschijnen van een vierden man, die bij het whistspel als partner van een der medespelenden zou kunnen fungeeren, want nauwelijks naderde graaf Van Sloten tot Haersveld hun tafeltje, of bijna eenstemmig klonk het:
„Speelt u mee, graaf? Wij wachten op een vierden man.”
En reeds was de jongste van het drietal opgestaan om voor den laatst binnengekomene een stoel gereed te zetten.
Met een vriendelijke uitdrukking op het aristocratische gelaat begroette de graaf zijn clubgenooten. Daarna nam hij op den voor hem bestemden stoel plaats. [13]
Enige minuten later waren de vier heeren zwijgend verdiept in het whistspel.
De bejaarde heer, die tegenover graaf Van Sloten tot Haersveld, alias lord Lister, zat, was een schatrijk grondeigenaar.
Jonkheer Van Breukelen bezat uitgestrekte landerijen en bosschen in Overijssel en Gelderland. Bekwame rentmeesters beheerden daar zijn goederen, terwijl hij zelf een groot gedeelte van het jaar in Amsterdam woonde, waar hij een keurig heerenhuis bezat in het oude stadsgedeelte.
Eenige zomermaanden bracht jonkheer Van Breukelen met zijn gezin door in zijn ruime villa in de buurt van Apeldoorn, terwijl hij elk jaar groote buitenlandsche reizen maakte.
Doch steeds weer trok Neerlands hoofdstad hem het meest aan en de rijke landjonker bekende dan ook openhartig, dat geen enkele stad in het buitenland, zelfs niet Parijs, voor hem het aangename en aantrekkelijke had, wat Amsterdam kenmerkte.
De heer, die rechts van lord Lister zat, kon hoogstens vijf-en-dertig jaren tellen. Het was een flink gebouwde jongeman met een echt Germaansch uiterlijk.
Het knappe gelaat had een blanke tint, een kortgeknipt blond snorretje sierde de bovenlip, de helderblauwe oogen hadden een eerlijke, oprechte uitdrukking en de regelmatige, witte tanden verhoogden den prettigen indruk, dien het geheel maakte.
Aan de welgevormde rechterhand prijkte een gladde trouwring en dit was de eenige kostbaarheid, die de jonge man droeg.
Hij was de eenige zoon van een der aanzienlijkste Amsterdamsche industrieelen en juist kort geleden, nadat hij in het huwelijk was getreden, door zijn vader als deelgenoot in de zaak opgenomen. Bij zijn huwelijk met een meisje van voornamen Frieschen adel had de jonge Herman de Breesop van zijn vader een prachtig huis in het Museumkwartier ten geschenke gekregen, dat hij nu met zijn jeugdige echtgenoote en een uitgebreid dienstpersoneel bewoonde.
De vierde medespeler aan het groene whisttafeltje had een meer burgerlijk uiterlijk dan de drie andere heeren.
Klein en gezet van gestalte, met levendige oogen en drukke gebaren, met het ronde gelaat en den steeds tot lachen gereedstaanden mond, maakte hij reeds op den eersten blik een prettigen indruk. En wanneer men den kleinen bankdirecteur, Frits van Egelen, eenmaal had leeren kennen, werd men onwillekeurig aangetrokken door zijn jovialen, hartelijken toon, zijn gullen lach en eerlijke rondborstigheid.
Meer dan een uur lang was het viertal verdiept geweest in de kansen van het spel en Frits van Egelen was bezig, de door hem en zijn partner behaalde winst te noteeren, toen graaf van Sloten op zachten toon sprak:
„Wie is die heer, die hier recht tegenover mij aan dat tafeltje zit? Kent gij hem?”
Hij had de vraag gericht tot Herman de Breesop, die het dichtst bij hem zat.
Deze keek in de hem aangeduide richting en antwoordde toen:
„Ja, ik ken hem. Het is een persoon, die in Amsterdam wel bekend, maar niet bemind is, een zekere Heemberg. Hij is millionnair en woont hier in een van de grootste huizen aan de Heerengracht.”
„De man heeft een hoogst onaangenaam uiterlijk, vindt u ook niet, graaf?” vroeg nu Frits van Egelen, die klaar was met zijn noteering en zich nu in het gesprek mengde.
„Is hij een Nederlander?” vroeg Raffles, nadat hij de vraag van den kleinen, beweeglijken man aan zijn linkerzijde bevestigend had beantwoord.
„Ja, van oud-Amsterdamsche familie,” vertelde de Breesop weer. „En naar men beweert zijn de millioenen die van vader op zoon zijn overgegaan, niet altijd op even nobele manier verkregen.”
Raffles wierp een vragenden blik op den spreker, waarna deze vervolgde:
„Ik heb mijn vader wel eens hooren vertellen, dat in vroeger jaren de voorouders van Jan Heemberg, die daar aan dat tafeltje zit, schatten hebben verdiend door het snoeien van munten.”
„Het snoeien van munten?” vroeg graaf Van Sloten op eenigszins verbaasden toon. „Ik moet eerlijk bekennen, dat ik nooit van dezen tak van nijverheid heb gehoord. Zoudt ge mij eens willen vertellen, wat men daaronder verstaat? U weet, dat ik meer dan mijn halve leven in Engeland heb doorgebracht en ik heb daar nooit over iets dergelijks hooren spreken.”
„Het snoeien van munten werd in vroeger jaren, toen ons geld nog zoo geheel anders was afgewerkt als tegenwoordig, veel gedaan,” vertelde de Breesop. „Men had toen lieden, die er zich speciaal op toelegden, onze gouden en zilveren munten van een smal randje te ontdoen. Zij „snoeiden” ze, zooals men dat noemde.
„De munt kwam weer gewoon in omloop, terwijl de [14]„muntsnoeiers” zich wederrechtelijk verrijkten. Op die manier zijn er veel gewetenlooze kerels rijk, ja schatrijk geworden, zonder dat men hen ooit kon bewijzen, op welke wijze zij hun rijkdommen hadden verkregen.”
„En welk beroep oefent de erfgenaam van die millioenen uit?” informeerde graaf Van Sloten tot Haersveld, alias John C. Raffles, weer.
„Hij zal den bodem van zijn geldkist nog wel te zien krijgen, als hij een beetje tijd van leven heeft,” antwoordde jonkheer Van Breukelen lachend. „Jan Heemberg gooit het geld bij handen vol weg, wanneer het zijn eigen genot betreft. Aan Amor en aan Bacchus offert hij jaarlijks enorme bedragen.”
„En aan den speelduivel!” viel de kleine bankdirecteur in. „Het is bekend, dat in Heembergs huis zoo grof wordt gespeeld als in Monte Carlo.”
„En aan die buitensporige verkwisting paart de man een ongelooflijke gierigheid, wanneer het er op aankomt, iets te geven voor een liefdadig doel. Voor armoede en gebrek houdt hij altijd zijn beurs gesloten. Daarvoor behoeft men bij hem niet aan te kloppen. Zijn stelregel is, dat ieder voor zichzelf moet zorgen.
Ontzettend veel geld schijnt hij echter over te hebben voor schilderijen; ik geloof niet, dat de man eenig gevoel voor kunst heeft, maar het is een feit, dat het verzamelen van schilderijen een ware hartstocht van hem is. Eenige zalen in zijn huis moeten geheel zijn ingericht als een klein museum.
„Maar kom, heeren, laten wij doorgaan met spelen,” viel jonkheer Van Breukelen zichzelf in de rede, „wij verpraten onzen tijd en het onderwerp van ons gesprek is niet waard, dat wij zooveel woorden over hem vuil maken.
„Wie moest geven?”
„Ik geloof, dat het mijn beurt was,” sprak Frits van Engelen, „ja, zeker, ik herinner mij nu, dat ik zooeven met hartenaas uitkwam.”
Zwijgend werd het spel weer voortgezet, slechts een enkele korte opmerking werd nu en dan gemaakt en de vier heeren wijdden hun geheele aandacht aan de kaarten.
De millionnair, die aan het andere tafeltje zat en die zooeven het onderwerp van hun gesprek had uitgemaakt, was weer vergeten.
Alleen graaf Van Sloten wierp af en toe een korten blik op het roodgekleurde, opgezette gelaat, den stompen neus en de kleine oogjes van den man, over wiens levensopvattingen hij zooeven het een en ander had vernomen.
Het was ongeveer half twaalf, toen Raffles het gebouw van de club verliet om zich naar zijn villa in het Willemspark te begeven.
Met de handen diep in de zakken van zijn overjas, wandelde hij in de richting van het stadsgedeelte, waar zich zijn woning bevond.
De koele nachtlucht deed hem aangenaam aan en hij was blij, dat hij geen auto of rijtuig had genomen om zich huiswaarts te begeven.
Van de Weteringschans ging hij de brug over tegenover het Rijksmuseum en toen het reuzengebouw als een donkere massa vóór hem lag en hij onder den gewelfden doorgang liep, tusschen de beide zijvleugels van het museumgebouw, dacht hij als onwillekeurig weer terug aan de gesprekken, aan de whisttafel en over hetgeen hij daar gehoord had omtrent den rijken Heemberg.
Een glimlach gleed over de fijnbesneden lippen van den Grooten Onbekende en een ondeugende uitdrukking verscheen in zijn groote, donkere oogen.
Hij vond Charly reeds thuis.
De jongeman had zijn avondtoilet verwisseld voor een gemakkelijk huisjasje en lag languit op den divan te rooken.
„Je bent vroeg thuis, mijn jongen,” sprak Lord Lister, terwijl hij het zich bij den breeden haard gemakkelijk maakte. „Ben je niet meer gaan soupeeren met freule Van Stralen en hare familie?”
„Neen, Edward, den berooiden staat van onze financiën in aanmerking genomen, kwam het mij verstandiger voor, dezen keer maar eens als een hoogst solide jongmensch regelrecht naar huis te gaan. Apropos, Edward, heb je er al eens over nagedacht, op welke wijze we onze kas weer wat kunnen aanvullen?”
„Heb maar geen zorg daarover, beste jongen,” antwoordde Raffles glimlachend. „Ik geloof, dat ik er al iets op gevonden heb om jou in staat te stellen, een volgenden keer met je kennissen op royale wijze te gaan soupeeren.”
Charly keek zijn vriend met vragenden blik aan, maar lord Lister scheen niet van plan hem iets naders mee te deelen.
Zwijgend rookte de Groote Onbekende een sigarette en liet zich door Charly een kopje koffie inschenken, waarna de beide vrienden zich naar hun slaapvertrekken begaven. [15]