[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

Bij den erfgenaam der geldsnoeiers.

Dien volgenden dag liet Raffles zich in de club formeel voorstellen aan den millionnair Heemberg.

De kleine bankdirecteur Van Egelen had den graaf met Heemberg in kennis gebracht en ook Charly Brand die zijn vriend op diens verzoek naar de club had vergezeld, was onder den naam van jonkheer Beekbergen aan dezen voorgesteld.

Nadat de heeren een poos lang over de nieuwtjes van den dag en de politiek hadden zitten praten, sprak Heemberg, terwijl hij zijn grof, onsympathiek gelaat in een vriendelijken plooi trachtte te brengen:

„Ik moet tot mijn spijt vanavond tijdig de club verlaten. Een afspraakje, ziet u?”

En hij knipoogde tegen graaf van Sloten, terwijl een breede grijns om zijn mond verscheen.

„Daar ik het echter heel aangenaam vind, kennis te hebben gemaakt met de heeren,” vervolgde hij, eerst Raffles en daarna Charly Brand aankijkend, „zou het mij aangenaam zijn, als u, graaf van Sloten en ook u, Jonker Beekbergen, mij het genoegen wildet doen mij morgenavond te komen bezoeken. Ik heb verschillende andere kennissen uitgenoodigd en ik twijfel er niet aan, of de heeren zullen zich wel amuseeren.”

Charly wierp een zijdelingschen blik op zijn vriend, niet anders verwachtende of deze zou voor deze plotselinge uitnoodiging van den nieuwbakken kennis bedanken, maar tot zijn verbazing hoorde hij, hoe Raffles antwoordde:

„Mijn vriend en ik zullen gaarne gebruik maken van uw vriendelijke uitnoodiging, mijnheer Heemberg. Of had je soms andere plannen, Beekbergen?” wendde hij zich tot Charly, wien de ondeugende flikkering in lord Listers oogen niet ontging.

„Welneen,” antwoordde Charly en op hoffelijken toon sprak hij tot den millionnair:

„Met heel veel genoegen zal ik morgenavond uw gast zijn. U woont immers aan de Heerengracht, niet waar?”

Heemberg gaf hun zijn volledig adres op en nam haastig afscheid van de heeren, waarna hij het clubgebouw verliet.

Inwendig was hij innig verheugd over deze beide nieuwe bekenden en het streelde zijn eergevoel, dat de voorname, aristocratische heeren zoo zonder slag of stoot zijn uitnoodiging hadden aangenomen.

„Beiden van adel,” mompelde hij, terwijl hij de breede marmeren trappen van het clubgebouw afging, „en de oudste is een graaf! Dat zal de lui toch imponeeren, als ik ze morgenavond aan hen voorstel! En Betty, wat zal mijn kleine Betty er van op hooren, als ik het haar straks vertel! Enfin, Betty zegt altijd dat ze meer geeft om een millioen dan om een adellijken titel en dat is nog zoo dom niet van haar geredeneerd!”

Hij had in zijn prachtige auto plaats genomen en de chauffeur bracht hem vliegensvlug naar het aardige heerenhuis aan den Amstel, waar zijn hartsvriendin, de mooie Betty, woonde.


„Edward, ik begrijp er weer niets van!” mopperde Charly Brand dien avond, toen de beide vrienden samen naar huis wandelden.

„Hoe kwam je er in ’s hemelsnaam toe, om de uitnoodiging van dien plebejer aan te nemen?

„En waarom niet, Charly?”

„Maar vindt je dan niet, dat de man een allerongunstigst uiterlijk heeft en ook door zijn manieren verraadt, dat hij maar absoluut geen beschaving heeft?”

„Jawel, mijn beste jongen, die zelfde opmerkingen heb ook ik gemaakt.”

„Dus je bent het met mij eens?”

„Volkomen!” [16]

„En toch.…..”

„En toch heb ik die invitatie met beide handen aangenomen. Och ja, Charly, er zijn van die raadselen in het leven, die voor jou altijd eerst geruimen tijd onoplosbaar blijven en die later, soms al heel gauw zelfs, doodeenvoudig blijken te zijn.”

„Heb je dan een bepaalde bedoeling met je bezoek aan dien man?

„Misschien, Charly, misschien! Maar vertel me nu eens, is de Italiaansche ster—hoe heet ze ook weer?—die gisteravond voor Carmen speelde, werkelijk zoo uitstekend?”

Charly mompelde eerst iets onverstaanbaars tusschen zijn stevige witte tanden. Hij was eigenlijk een beetje uit zijn humeur, omdat Edward hem al weer als een kwajongen behandelde, over wiens vragen men, als men ze niet verder wenscht te beantwoorden, losjes heen praat.

Maar toen lord Lister hem vriendelijk glimlachend aankeek en Charly den blik opving uit die guitige bruine oogen, verhelderde het gelaat van den jongen secretaris als door tooverslag en antwoordde hij:

„Neen, die Carmen was niet schitterend. Ik had er meer van verwacht. Signora Dellonza is een mooie verschijning, haar stem is glashelder, maar het was lang niet het meesterlijke spel, dat wij vroeger in die zelfde rol zagen van Gemma Bellincioni. Herinner je je haar nog, Edward?”

„Natuurlijk herinner ik mij haar! Ja, dat was onvergetelijk mooi! Hoorden wij haar niet in de Groote Opera in Parijs?”

Charly raakte geheel in vervoering, als hij, die zooveel voelde voor muziek, weer kon spreken over de genotvolle avonden, die hij had doorgebracht in de Parijsche Opera. Ook had hij met zijn vriend te zamen eenige keeren de Wagner-opvoeringen in Bayreuth bijgewoond en deze herinneringen behoorden tot de liefste uit Charly’s leven.


„Ziezoo, oude jongen, laten wij ons nu gaan kleeden voor den soirée bij onzen nieuwen vriend,” sprak lord Lister den volgenden avond, nadat hij met Charly copieus had gedineerd en zij op hun gemak een after-dinner hadden gerookt.

Beide heeren stonden op uit de gemakkelijke fauteuils aan weerszijden van den haard en begaven zich naar hun kamers.

Het was ongeveer negen uur, toen de donkerblauwe auto van lord Lister stil hield voor het breede heerenhuis, dat bewoond was door den heer Jan Heemberg.

Een bediende in keurige livrei bracht hen naar een ruime kleedkamer en nadat zij hun pelsjassen en cylinders hadden afgegeven, bracht een even deftig gekleede huisknecht hen naar de feestzalen.

Langs een prachtig gebeeldhouwde trap op welker breede treden een kostbare Perzische looper lag, bereikten zij de eerste verdieping van het huis.

Alles baadde in een zee van licht en Raffles merkte vol bewondering op, hoe kunstig het trappenhuis was bewerkt, hoe artistiek de beschildering van deuren en gangen was.

Een reusachtige suite was daar op de eerste étage herschapen in een feestzaal, waar een zee van electrisch licht werd weerkaatst in spiegels en kristal, zoodat het geheel een schitterenden aanblik bood.

Toen de livreibediende met luide stem bij den ingang de namen der beide heeren aankondigde, maakte de gastheer zich onmiddellijk los uit een groepje om, een glans van genoegen op het breede gelaat, zijn bezoekers te verwelkomen.

Luid sprekend en met drukke gebaren geleidde hij hen daarna door de zalen, hen telkens voorstellende aan andere gasten, steeds met zichtbare voldoening de goedklinkende namen van zijn nieuwe vrienden noemende.

„Graaf van Sloten tot Haersveld en jonkheer Beekbergen!” sprak hij steeds weer opnieuw en dan hoorden Raffles en Charly Brand de namen van dames en heeren noemen, die zij zich niet herinnerden, ooit gehoord te hebben.

Maar onberispelijk was de buiging, die lord Lister maakte voor de gasten van den millionnair en Charly volgde trouw het voorbeeld van zijn vriend.

Het was een eigenaardig gezelschap, waarin zij zich bevonden.

Op breede divans, die met kostbare Perzische kleeden waren bedekt en in gemakkelijke causeuses of zachte fauteuils, zat een deel der gasten, meestal in nonchalante houding. Anderen weer hadden plaats genomen in gezellig ingerichte hoekjes, waar onder groote palmen zetels waren aangebracht van allerlei vorm.

Raffles had, toen hij met zijn gastheer door de zalen wandelde onmiddellijk gezien, dat zij, die hier waren samengekomen, niet behoorden tot de betere kringen der maatschappij.

Van de heeren waren er misschien enkele, die zich mochten beroemen op een goed klinkenden naam, maar [17]de dames, waarmede zij zich hier vertoonden, behoorden zeer zeker niet tot het soort, waarmede zij hun zusters in aanraking zouden brengen.

Daar op den divan zat in bevallige houding, de mooie Betty, de koningin van het feest.

Zij was ontegenzeggelijk een buitengewoon bekoorlijke verschijning. Het mooie gezichtje met de groote blauwe oogen en het pikante wipneusje was omgeven door weelderig roodblond haar, dat volgens de laatste mode gekapt was en waarin diamanten versierselen schitterden.

De zeer ver gedecolleteerde avondjapon van soepele zijde omsloot haar welgevormde, slanke gestalte; de blanke, gevulde hals en de ronde armen waren getooid met kostbare diamanten sieraden, terwijl de kleine voetjes in gouden schoentjes staken.

Zij babbelde druk met twee jongelui, aan wie zij een verhaal deed over een autotocht, die zij onlangs had gemaakt met „Bobby”, op welken tocht zij bijna in botsing waren gekomen met een tramwagen.

Met „Bobby” bedoelde zij blijkbaar den gastheer, want Raffles hoorde, hoe zij vertelde:

„Het was voor den eersten keer, dat Bobby zelf stuurde, wij hadden dus geen chauffeur meegenomen. Het is een kleine landaulette, die hij me pas cadeau heeft gegeven en waarmee we even naar den Haag zouden tuffen.

Nou, even achter Haarlem, daar hadt je ’t, hoor! Bij een bocht van den weg, de tram van den eenen kant, wij van den anderen en jawel, Bobby stuurt natuurlijk precies verkeerd. Het scheelde geen haar of we hadden den heelen tram onderste boven gereden, nietwaar Bobby?”

En luid lachend greep zij de hand van den gastheer, die op eenige schreden afstand met graaf van Sloten tot Haersveld stond te praten.

„Bobby” gaf de gelukkige bezitster van de landaulette een knipoogje en drukte even het kleine, blanke handje, dat prijkte met kostbare ringen. Toen wendde hij zich weer tot zijn adellijken bezoeker, wien hij juist een pikante brunette, die op een der divans zat, had aangewezen.

„Mooi is ze, vindt u niet, graaf van Sloten? Ja, ik voor mij, ik houd meer van blond, maar ze is voor een brunette heel blank en dan—zij is buitengewoon lief. Tot verleden jaar heeft zij in Parijs gewoond, met een van onze bekende schilders, voor wie zij als model poseerde.

Nu is zij de vriendin van den kleinen Van Balen, die daar naast haar zit. U zult straks wel nader kennis met haar maken.

Van Balen is al een oud vriend van mij. Zijn vader is schatrijk, maar er zijn vijf zoons, dus hij zal niet zoo heel veel van de ouwe erven en Adile is een duur paardje op stal!”

„Ja, ja,” antwoordde graaf van Sloten. „Het zijn interessante geschiedenissen, die u mij daar vertelt, mijnheer Heemberg, ik vind het hoogst belangwekkend, al die verhalen te hooren.”

„O, als het u genoegen doet, zou ik u nog veel meer grappigs kunnen vertellen!” vervolgde de millionnair op zachten toon.

„Ziet u die dame daar naast dien bejaarden heer met zijn monocle?

„U bedoelt die in het lichtblauw?”

„Juist, graaf! Van haar verleden zou men een roman van twee deelen kunnen schrijven. Ik zal u een paar bijzonderheden er uit vertellen. Maar wacht, laten we hier even plaats nemen, u kunt dan meteen iets gebruiken.”

Een der bedienden naderde juist met een zilveren blad waarop ververschingen werden aangeboden, maar lord Lister bedankte.

„Maar steek dan tenminste een sigaar op, graaf Van Sloten!” riep de gastheer uit. „Of rookt u ook niet?”

„Dolgraag zelfs,” klonk het antwoord, „en daar ik zie, dat de meeste dames zelf van een sigaret genieten, zal ik zoo vrij zijn.”

„Nu wil ik u eerst het beloofde verhaal doen wat betreft die dame in het lichtblauw,” sprak Jan Heemberg weer.

En op bijna fluisterende toon vertelde hij:

„Zij wordt nu weer overal ontvangen en geeft zelfs den toon aan op onze feestjes en bals, maar haar verleden is.…..”

En een veelzeggend hoofdgebaar volgde.

„Reeds als heel jong meisje was zij de goede vriendin van een onzer voornaamste staatslieden. In een vlaag van jaloerschheid heeft zij hem willen dooden; de aanval mislukte echter en zij bracht hem alleen maar een ongevaarlijke wond toe.

Zij heeft een paar jaar gevangenisstraf achter den rug, is daarna in Amsterdam komen wonen en heeft hier alweer menig hoofd op hol gebracht. Het is een kleine heks, u moet die oogen maar eens zien.

Nu woont zij tijdelijk in een van de groote hotels hier. Over een paar weken gaat zij met mijn vriend [18]naar de Riviera en of we haar dan ooit hier terug zullen zien, betwijfel ik zeer.”

„Waarom?”

„Wel, als ze daar in de buurt van Monte Carlo een nog rijkeren minnaar aan de haak kan slaan, zal zij het niet laten, daar ken ik haar wel voor. Ik heb mijn vriend herhaaldelijk gewaarschuwd maar hij wil niet luisteren!”

„Laat ik u nu niet langer aan het gezelschap van uw andere gasten onttrekken,” sprak graaf van Sloten, terwijl hij opstond en den gastheer volgde naar het druk pratende groepje, waarvan Betty en twee harer vriendinnen het middelpunt uit maakten.

Terwijl lord Lister, schijnbaar niet zonder eenige belangstelling deelnam aan de gesprekken, die rondom hem werden gevoerd, liet hij zijn blikken onophoudelijk door de ruime salons gaan.

Hij zag, dat Charly in druk gesprek was met een heer en dame, welke laatste een zeer opvallend uiterlijk had. In het vrij knappe gelaat waren de groote, blauwe oogen overschaduwd door zwarte wenkbrauwen, die eigenaardig afstaken bij het weelderige goudblonde haar. Als zij lachte, vertoonden zich tusschen de kersroode lippen twee rijen parelwitte tanden. Zij was niet groot, maar de witte avondjapon omsloot het sierlijkste figuurtje, dat men zich kan denken.

Charly lachte af en toe hartelijk, waaruit Raffles begreep, dat de jonge man zich nogal vermaakte met zijn nieuwe kennissen.

Lord Lister had op eenigen afstand van Betty plaats genomen bij een klein tafeltje.

Tegenover hem zaten twee heeren, die het druk hadden over de laatste wedrennen, die zij hadden bijgewoond.

Raffles sprak af en toe een woordje mee, maar geen woord ontging den Grooten Onbekende van hetgeen Jan Heemberg en Betty samen spraken. En terwijl hij schijnbaar vol belangstelling luisterde naar de verhalen der beide heeren tegenover hem, hoorde hij Betty tot den gastheer zeggen:

„Kijk eens, Bob, hoe druk blonde Ka het heeft met je nieuwen vriend. Wat ziet ze er vanavond simpeltjes uit, hè? Wil je wel gelooven, dat ze die japon nou al voor den derden keer op een avondje draagt?”

„Zou Jansen haar niet genoeg kleedgeld geven, denk je?” informeerde Heemberg. „Ja, ja, iedereen wordt niet zoo verwend als mijn kleine koningin!”

„Och kom, Bob, ze krijgt genoeg van hem, dat zegt ze zelf. Maar weet je, ze stuurt tegenwoordig geregeld geld aan een zuster van ’r, die verleden jaar geopereerd is en nou nog altijd buiten woont. Jansen weet daar natuurlijk niks van, maar, zie je, haar zuster had natuurlijk geen rooje cent, toen ze uit het ziekenhuis kwam en nou ondersteunt Kaatje haar nog tijdelijk.”

„Is dat die zuster, die hier vroeger kellnerin was in de Warmoesstraat?”

„Ja, een knappe meid, veel mooier dan Ka, want als die d’r haar niet zoo mooi blond verfde, zou je eens wat zien!”

Het gesprek werd nu afgebroken door de komst van een der livreibedienden, die op fluisterenden toon zijn meester iets vroeg.

Heemberg gaf een bevestigend antwoord, waarop eenige oogenblikken later de zachte tonen van een wals door de zalen klonken en reeds zweefden danslustige paren over den spiegelgladden parketvloer.

„Zijt gij een liefhebber van dansen, graaf?” vroeg Heemberg, die zich weer bij Raffles had gevoegd, nadat Betty aan den arm van een zijner vrienden tusschen de dansenden was verdwenen.

„Neen, ik dans niet,” antwoordde lord Lister, „maar ik kijk er met genoegen naar.”

„Och, aan zoo’n enkel walsje bezondig ik mij wel eens,” sprak de gastheer weer, „maar die moderne dansen zijn mij te geleerd en ik ben te oud om nog van die malle bokkesprongen te leeren maken. Mag ik misschien, terwijl de anderen zich hier amuseeren, het genoegen hebben, u mijn schilderijenverzameling eens te laten zien?”

„Als het niet te veel moeite is, dan heel graag!” antwoordde Raffles. „Ik interesseer mij bijzonder voor schilderijen en men vertelde mij reeds, dat uw collectie zeer kostbaar en interessant is.”

„Dan zal ik ook jonkheer Beekbergen en twee anderen van mijn gasten, die mijn schilderijen nog niet kennen, vragen of zij lust hebben om mee te gaan. De wals is juist geëindigd.”

De heeren volgden den gastheer naar de hooger gelegen étage, waar een drietal ineenloopende zalen tot een klein schilderijenmuseum waren ingericht.

Heemberg had geld noch moeite gespaard om de zalenbouw door bekende architecten zóó te doen inrichten, dat het binnenvallende licht op de meest gunstige wijze de schilderijen bescheen.

Het was inderdaad niet alleen een kostbare, maar ook een belangwekkende verzameling van de moderne Nederlandsche meesters.

Er waren er van Israëls, Mesdag, van Thérèse [19]Schwarze en van Theophile de Bock, watergezichten van Poggenbeek en interieurtjes van Blommers.

Ook hingen er werken van Bisschop, van Maris en veel andere meesters.

„Ik ben voortdurend bezig, mijn verzameling aan te vullen,” sprak de gastheer en op blufferigen toon liet hij er op volgen:

„U ziet, heeren, dat ik hier al voor een heelen duit bij elkaar heb, maar dat kan me niet bommen. Een schilderijenverzameling staat altijd gekleed en de dingen houden hun waarde.”

„Bent u niet bang voor diefstal?” informeerde lord Lister en hij keek den parvenu met zijn groote oogen aan.

„Inbraak? Welneen. Mijn huis is goed verzegeld en wordt uitstekend bewaakt.”

„Oho, dat is geen bezwaar!” mengde Charly Brand zich in het gesprek.

„Het Louvre-Museum heette ook goed bewaakt en toch heeft een halfgekke Italiaan op een goeien dag de Mona Lisa weggekaapt.”

Allen lachten, toen Charly deze opmerking maakte en de gastheer voegde den jongen spreker toe:

„Zoo’n wereldberoemd stukje zou ik ook nog wel in mijn verzameling willen hebben. Als u eens zooiets tegenkomt, jonker, hou ik me aanbevolen. Ik zal u reëel behandelen.”

Op dit oogenblik kwam een der gasten, die tot nog toe zich met dansen en converseeren had vermaakt, de trap op en naar den gastheer toe, wien hij een hand op den schouder legde.

„Heemberg,” sprak hij, „nu je niet in het geroezemoes van de feestzaal bent, kom ik je even een verzoek doen. Ik wou je vragen, of je voor een flink bedrag wilt inteekenen voor het nieuwe kinderhuis. Ik sprak je er reeds over. Het is voor de verwaarloosde stakkers, die zonder vader of moeder het leven door moeten en geen cent bezitten. Jij zult zeker de lijst der inteekenaren met een groot bedrag willen openen.”

Heemberg’s gelaat had een gansch andere uitdrukking aangenomen.

„Geen cent geef ik je voor die schreeuwleelijkerds,” sprak hij op bijtenden toon. „En doe me nou een pleizier, Plankenga, en maal me niet meer aan mijn ooren met je kinderhuis. Je weet wel, dat ik me met liefdadigheid en al dien onzin niet ophoud. Veel pleizier, kerel!”

Hij draaide zich op zijn hielen een halven slag om, wees met een luchtig gebaar naar een schilderij, dat een Weesmeisje voorstelde, dat van een oud-Hollandsche kast een aarden schotel tilde en sprak tot zijn gasten:

„Dat heb ik verleden week voor mijn verzameling aangekocht. Niet duur, heeren! Acht mille! Een koopje, wat?”

Raffles zag hoe teleurgesteld de heer met de inteekenlijst zich afwendde.

„Een oogenblik, mijnheer Plankenga,” sprak hij, terwijl hij toetrad op den philanthroop.

„Mag ik misschien met een klein bedrag de rij der inteekenaren openen?”

Plankenga boog.

„Met genoegen, graaf.”

Raffles nam het papier, haalde zijn gouden vulpenhouder te voorschijn, zette den naam: Van Sloten tot Haersveld en vulde daarachter het bedrag van vijfduizend gulden in.

Een blos van genoegen trok over het gelaat van Plankenga.

„Vijfduizend gulden!” riep hij uit, „maar dat is enorm, graaf! Ik dank u uit naam van de arme toekomstige verpleegden voor die koninklijke gift!”

Allen betuigden thans om strijd hun bewondering voor deze daad, Heemberg alleen lachte ironisch en noemde de daad van den graaf belachelijk.

En Charly, in wiens groote blauwe oogen een ongeveinsde verbazing weerspiegelde, floot zachtjes voor zich heen het wijsje van het liedje, dat hij op Koninginnedag een troepje thuiskomende feestgangers had hooren zingen:

„Wie zal dat betalen

Zoete, lieve Gerretje?”

Het antwoord op deze onuitgesproken vraag zou de naaste toekomst brengen. [20]