[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

De Museumdiefstal.

„Linksaf, Charly en dan de trap op!”

„Wat ken je hier den weg goed, Edward!”

„Die is toch zoo moeilijk niet te kennen, als men eenige keeren hier is geweest.”

„Waarom heb je me niet vaker meegenomen?”

„Omdat ik hier altijd heen ging, als jij je elders bezighield, met fietsen, roeien, tennissen!”

Lord Lister en Charly Brand waren dien middag naar het Rijksmuseum gegaan. Ze hadden langen tijd doorgebracht in de Nachtwachtzaal en ook had Raffles zich bijzonder geïnteresseerd voor de Lombokschatten, die in een aantal vitrines lagen ten toon gesteld.

„Kom, Edward,” drong Charly aan, „ik ben doodmoe, laat ons in Trianon een kop thee gaan drinken. Of willen we naar huis gaan?”

Maar de Groote Onbekende wilde van geen heengaan weten.

„Neen, Charly, ik blijf nog een beetje ronddolen door al die kleine en groote zalen vol kunstschatten, die zulke onmetelijke sommen vertegenwoordigen. Je kunt gerust heengaan, als het je begint te vervelen.”

„Van vervelen is geen sprake,” antwoordde de jonge secretaris, maar zijn zuur gezicht wees er op, dat hij het liefst zoo gauw mogelijk het Museum had verlaten. „Neen, neen,” voegde hij er haastig aan toe, toen hij het ironische lachje zag, dat speelde om lord Lister’s lippen, „je kunt me gerust gelooven, Edward, ik verveel me heelemaal niet. Maar dat Museum-slenteren maakt mij zoo loom en vermoeid.”

„Zoo’n jonge kerel,” spotte lord Lister, „kom, boy, je moet het dan nog maar een tijdje uithouden, dan eet en slaap je goed.”

En zoo wandelde het tweetal verder door de groote zalen en de kleine kabinetten. Wonderlijk lang bleef de Groote Onbekende toeven in een van die zijkabinetjes, waarvan de oude meesters zulke juweeltjes van schilderkunst hangen.

Zijn monocle in het rechteroog gedrukt, correct in zijn elegante overjas, wandelde John C. Raffles van den eenen muur naar den anderen, bekeek, als een kunstkenner, de prachtige meesterwerken, onderzocht ook de lijsten van de meest beroemde, kleine stukken, vergewiste zich ten slotte van de manier, waarop deze schilderijen aan den muur waren bevestigd.

Tegen vier uur verlieten John C. Raffles, de Groote Onbekende, en zijn secretaris het statige Museumgebouw.

Twee dagen later, op een Donderdagmorgen, werd heel Amsterdam, gansch het land en tevens geheel de beschaafde wereld opgeschrikt door het bericht van een even brutale als geheimzinnige diefstal.

„De Avondschool”, van Gerard Dou was, met lijst en al, uit het Rijksmuseum verdwenen.


Niemand kon eenige oplossing van de geruchtmakende zaak geven.

De kranten, tuk op een schokkend nieuwtje, plozen het geval uit en het was inderdaad grappig, na te gaan, welke veronderstellingen werden geuit.

Doch niet alleen door de dagbladen.

De directeuren van kunstinstellingen verklaarden als hun positieve meening, dat hier slechts door een internationale dievenbende kon zijn opgetreden. De bende moest zeker overal haar vertakkingen hebben en een groot aantal personen tellen.

Men zou dan als volgt te werk zijn gegaan: De leden van de bende waren op dien middag allen het Museum gaan bezoeken; ze hadden zich opgehouden in de nabijheid van het gestolen schilderij om zaalwachters [21]en suppoosten af te leiden. En onderwijl had de dief zijn slag geslagen.

Dat was de meest voor de hand liggende oplossing en de politie, hierop afgaande, had al dienzelfden dag de hand gelegd op een zeer groot aantal personen, waarvan de Museumbeambten meenden, hen op den dag van het gepleegde misdrijf te hebben gezien.

Maar men had al de verdachte personen weer terstond na het verhoor op vrije voeten moeten stellen. Zij allen toch konden bewijzen, dien Woensdag het Museum niet te hebben bezocht.

Dat was wel een groote teleurstelling voor de politiemannen niet alleen, maar ook voor de kunstminnaars, de stedelijke autoriteiten en de krantenmenschen.

De gebeurtenis had echter de stof opgejaagd voor kolommen druks. Levensgeschiedenissen, niet slechts van Gerard Dou, maar ook van diens beroemde tijdgenooten vulden heele pagina’s en al die lectuur werd door het publiek verslonden.

De Staat der Nederlanden was bestolen voor een geweldig bedrag. De waarde van de Avondschool werd getaxeerd. In alle buitenlandsche kranten las men de namen Amsterdam, Rijksmuseum, Gerard Dou, Avondschool. En de Engelschen en Amerikanen, die tijdens hun bezoeken aan Neerlands hoofdstad urenlang in het Museum hadden vertoefd, en die zich het schilderij herinnerden, vertelden in hunne salons en clubs fabelachtige verhalen van dat wonderlijke landje, dat zulke reusachtige schatten borg in het grootsche gebouw aan de Stadhouderskade.

Ansichtkaartenhandelaars maakten geweldige zaken.


„Ik had nooit gedacht,” zei Charly Brand, toen hij de verhalen over den diefstal in de Hollandsche en in de Engelsche bladen uitvoerig had gelezen en nadat hij een groot aantal personen over den ongehoorden Museumdiefstal had gesproken—„ik had nooit gedacht, Edward, dat die koele, gereserveerde Hollanders zich zóó warm konden maken voor een zaak van nationaal belang. Heb je die gesprekken gehoord? Ik ben er eenvoudig paf van, Edward!”

De Groote Onbekende was dien middag thuisgebleven. Hij had, aldus had hij ten minste zijn jongen secretaris verteld, een lichte vermaning van hoofdpijn. Daarom had hij het beter gevonden, na den lunch wat rust te nemen en, na een paar aspirine-poeders te hebben geslikt, had John C. Raffles zich uitgestrekt op den divan om wat te gaan rusten.

Bij Charly’s woorden keek hij op uit het tijdschrift, dat hij zat door te bladeren.

Zijn gelaat was kalm als steeds en zijn bruine oogen keken den jongen Brand vriendelijk aan.

„Maar Charly,” sprak hij, „waarom zouden de Hollanders ook niet eens warm kunnen loopen? Kijk nou eens naar ons eigen volkje. Het Engelsche ras is wel het flegmatieke bij uitnemendheid. En heb je nooit in de Londensche club de heetste woordenwisselingen meegemaakt?”

Toen, met een voor hem zéér ongewone belangstelling, vroeg hij zijn secretaris:

„En, Charly, wat hadden de Hollandsche vrienden zoo al te vertellen over dien zeldzamen diefstal?”

„O, van alles. Je hadt het moeten hooren, Edward, hoe opgewonden ze waren en welke weddenschappen ze zooal hebben aangegaan.”

„Zoo, antwoordde lord Lister, „hebben ze zooveel weddenschappen aangegaan.”

En toen op vroolijken toon voegde hij er aan toe:

„Ik heb zoo’n idee, Charly, dat je huishoudkas wel heel gauw gestijfd zal worden!”

„Zoo?” vroeg de secretaris, „heb je een plannetje, Edward?”

„Ja, ik heb een plannetje, boy, een héél mooi plannetje! En er is alle kans op, dat het zal slagen!”

„Ik mag ’t lijden,” zuchtte Charly, „want ik heb ’t vandaag al met James aan den stok gehad over de betaling van onze laatste bezending champagne.”

„Laat James de quitanties overmorgen maar terug laten komen, Charly!”

Charly zweeg en dacht:

„Edward heeft weer een van z’n overmoedige buien. Ik zal James vooreerst dat bevel nog maar niet overbrengen.” [22]