[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

De schuilplaats van de „Avondschool”.

Tot de personen, die het meest onder den indruk waren van den diefstal in het Rijksmuseum behoorde zeker wel Jan Heemberg, die het prachtige huis bewoonde aan de Heerengracht te Amsterdam.

Hij was den vorigen avond zeer laat thuis gekomen van een souper bij een zijner vrienden en had ’s morgens een gat in den dag geslapen.

Toen hij eindelijk in de eetkamer was verschenen om te ontbijten en, zooals hij gewoonlijk deed, daarbij zijn ochtendkrant ontvouwde, was zijn oog al aanstonds gevallen op het belangrijke bericht en hij had aanvankelijk zijn oogen nauwelijks durven gelooven.

„Een schilderij van zoo groote waarde gestolen! Een van onze meest beroemde meesterwerken uit het Rijksmuseum ontvreemd!”

Telkens herhaalde hij het weer tot zichzelf en nogmaals las hij, wat de krant ervan wist te vertellen.

Haastiger dan anders gebruikte hij zijn ontbijt; toen kleedde hij zich om uit te gaan.

Waarheen, wist hij eigenlijk zelf niet.

Maar hij wilde de straat op om te hooren, of er reeds iets naders bekend was omtrent dezen ongehoorden diefstal.

Voor de sigarenwinkels verdrongen zich de voorbijgangers om de bulletins te lezen, welke daar voor de ramen hingen.

Vol ongeduld werkte Heemberg zich naar voren, maar teleurgesteld wandelde hij weer naar huis terug, toen hij had gezien, dat het dezelfde berichten waren, die hij reeds thuis in zijn krant had gelezen.

Hij brandde van verlangen om vrienden of kennissen te ontmoeten en met hen over het nieuws te spreken.

Zou hij naar de club gaan?

Het was nog erg vroeg, misschien vond hij er nog niemand, maar komaan, het was te probeeren.

Een zijner bedienden gaf hij bevel, onmiddellijk de auto te laten voorkomen en eenige minuten later liet Heemberg zich naar het clubgebouw rijden.

Hij verscheen daar anders nooit op dit gedeelte van den dag en verbaasd keek hij op, toen hij in de leeszaal reeds verscheiden plaatsen bezet vond.

Hij liep deze zaal door en kwam door de zich geruischloos openende donkergroene deur in de daaraan grenzende speel- en conversatiezaal.

Verscheiden leden van de Club zaten hier bijeen en Heemberg zag onmiddellijk, dat er weinig werd gespeeld en daarentegen druk gepraat.

Heemberg kende de aanwezigen allen persoonlijk en begaf zich naar een vrij groote, ronde tafel, waaraan een vijftal heeren had plaats genomen.

„Goeden morgen, goeden morgen!” sprak hij op luidruchtiger toon dan noodig was. „Is deze stoel nog vrij?”

„Zeker, neem plaats, kerel!” sprak Frits van Egelen. „Hoe ben je zoo vroeg op ’t pad? Ook eruit gelokt door het reuzennieuwtje van den schilderijendiefstal?”

„Om je de waarheid te zeggen, ja!” antwoordde Heemberg. „Zijn er al meer bijzonderheden bekend? Alles wat ik weet, is het bericht uit de ochtendbladen.”

„Meer weten wij ook niet”, vertelde Van Egelen weer!

Hij haalde het kopje koffie, dat de kellner juist voor hem had gebracht, naar zich toe en vermengde het donkere vocht met de suiker en den room.

„Een brutaal stukje, weergaloos brutaal!” riep een oudachtig heertje uit, dat naast van Egelen zat. „Ik veronderstel, dat deze diefstal verband houdt met andere Museumdiefstallen die in de laatste jaren zijn gepleegd.”

„Ons land is er in dat opzicht tot dusverre nog vrij goed afgekomen”, beweerde de beweeglijke bankdirecteur [23]weer. „Maar ik ben het met u eens, professor, dat het vermoeden voor de hand ligt om aan een complot te denken.”

„Hoe bedoel je?” vroeg Heemberg met groote belangstelling.

„Wel, men zal hier te doen hebben met een internationale bende van museumdieven, die nu eens hun slag slaan in Italië, dan in Frankrijk of Engeland en eindelijk ook ons landje een bezoek waardig hebben gekeurd.”

„Ik zie de groote waarschijnlijkheid van die veronderstelling niet in”, mengde zich nu graaf Van Sloten tot Haersveld in het gesprek.

De jonge edelman had tot dusverre bijna voortdurend gezwegen en slechts af en toe een kleine opmerking ten beste gegeven.

Juist haalde hij zijn kostbaren gouden sigarettenkoker te voorschijn en terwijl hij deze opende om er een sigaret uit te nemen, vervolgde hij:

„Mijns inziens is de mogelijkheid volstrekt niet buitengesloten, dat een enkel persoon, zonder handlangers of medeplichtigen, het kostbare doek heeft gestolen.

De bewaking in de meeste musea is onvoldoende, tenminste …”—hij wachtte een bijna ondeelbaar oogenblik,—„tenminste waar het een handigen dief betreft.”

„Maar hier, in het Rijksmuseum krioelt het immers van suppoosten!” riep Heemberg uit. „Mij lijkt het een verduivelde kunst om dáár iets te gappen!”

„En toch ziet u, dat het mogelijk is geweest”, lachte graaf Van Sloten een beetje ironisch.

„Ik betwijfel het, of wel ooit uit zal komen, in welke handen de „Avondschool” is beland!” sprak de lange, magere heer naast den professor en die aan Raffles was voorgesteld als een bekend letterkundige.

„Het is overbekend, dat er, vooral in Amerika, door rijke verzamelaars schatten worden betaald voor kunstwerken en antiquiteiten, die uit de museums der geheele wereld afkomstig zijn.”

„Zeker!” riep Heemberg uit, „ik heb vroeger eens gelezen van een Amerikaansch millionnair die er in de onderaardsche gewelven van zijn woning een groote verzameling op nahield van voorwerpen, die hij op dergelijke wijze had verkregen.

Een half menschenleven had hij eraan besteed om van her- en derwaarts de kostbaarheden bijeen te zamelen en het eenige genot, dat bij ervan had, was, dat hij urenlang in het diepste geheim kon ronddwalen door de rij onderaardsche vertrekken, die als ’t ware een klein museum vormden.

Niemand heeft hij ooit deelgenoot gemaakt van zijn misdadige liefhebberij.”

„En op welke wijze is zijn geheim dan ten slotte wereldkundig geworden?” vroeg de magere letterkundige.

„Door een bekend Amerikaansch detective, wiens naam ik me op het oogenblik niet herinner. Deze was naar aanleiding van een brutale antiquiteitendiefstal het wild op het spoor gekomen. Er waren verscheiden handlangers bij betrokken, maar het eind van de geschiedenis was toch, dat de schatrijke vent ontmaskerd is. Herinneren de heeren zich deze zaak niet? Het is jaren geleden, maar op mij heeft ze toen een geweldigen indruk gemaakt.”

Een bijna onmerkbare glimlach gleed over het gelaat van graaf Van Sloten tot Haersveld en terwijl hij den rijken Amsterdammer aankeek, sprak hij:

„Het ware te wenschen, dat ook in dit geval, waar het den diefstal betreft van een zoo kostbaar eigendom der Nederlandsche regeering, van zulk een wereldberoemd meesterstuk, dat ook nu een bijzonder schrandere detective de schuilplaats van het gestolen schilderij ontdekte!”

„Ja, hadden wij hier maar een Sherlock Holmes!” riep de kleine bankdirecteur op levendigen toon uit.

„Of een Raffles!” voegde de letterkundige eraan toe. „Voor de scherpe oogen van dergelijke mannen blijft niet veel verborgen. Maar in ons landje vindt men huns gelijken helaas niet. Daarvoor moet je in Engeland of in Amerika komen!”

„Wie weet!” sprak graaf Van Sloten, terwijl hij Frits van Egelen met een hoffelijk gebaar zijn gouden sigarettenkoker voorhield.

„Echte Egyptische, ik kan ze u aanbevelen,” vervolgde hij tot den sympathieken bankdirecteur.

En toen deze een sigaret uit het étui had genomen, stond graaf Van Sloten op.

„Het wordt mijn tijd, heeren, ik heb wat hoofdpijn!” sprak hij en groette beleefd.

Toen wendde hij zich nogmaals tot Frits van Egelen, die eveneens was opgestaan, en vroeg met een beminnelijken glimlach:

„Heb ik het genoegen, dat u in mijn auto meerijdt?”

Een oogenblik later verlieten de beide heeren samen het gebouw van de club.


Dien middag gebruikte Jan Heemberg den lunch met [24]een paar vrienden in Trianon, het moderestaurant op het Leidscheplein.

Toen hij thuiskwam, was de schemering van den vroegen winteravond reeds gevallen en de gaslantaarns langs de stille, deftige Heerengracht wierpen hun schijnsel over het plaveisel.

De zware huisdeur viel dicht achter den millionnair en nadat hij hoed en pels aan een der bedienden had afgegeven, liep hij de breede witmarmeren gang door en opende de deur van zijn studeerkamer.

Gestudeerd had Heemberg in deze kamer echter niet veel. Wel stonden breede boekenkasten, gevuld met kostbare werken, langs de wanden, wel strekte de gemakkelijke stoel voor het prachtige schrijfbureau zijn armen uit, als om tot studie uit te noodigen daar in dat rustige vertrek, maar de arbeid, die Heemberg hier verrichtte, bestond bijna uitsluitend in het doorbladeren van geïllustreerde tijdschriften, het lezen en beantwoorden van menig billet-doux.

Ook nu lagen eenige brieven, die in den loop van den dag waren aangekomen, op de schrijftafel. Achteloos bekeek Heemberg de adressen en legde met een onverschillig gebaar een sterk geparfumeerd briefje in rosen omslag terzijde.

„Daar heb ik geen haast mee,” mompelde hij, „Lora verveelt mij met haar eeuwige verwijten. Ik heb haar meer dan eens duidelijk te verstaan gegeven, dat ik genoeg van haar heb en daar dient ze eindelijk in te berusten. Ze is jong en mooi en zal waarachtig wel een anderen aanbidder kunnen krijgen.”

Toen nam hij een met zilver gemonteerde papiersnijder op en opende het eenvoudige vierkante couvert, waarop met flinke, duidelijke letters zijn naam en adres geschreven stond.

„Kranige hand!” sprak hij tot zichzelf, terwijl hij den brief uit het enveloppe haalde.

Zooals dat steeds zijn gewoonte was, zocht hij eerst naar de onderteekening van den brief, maar hij zag dat deze ontbrak.

Nu begon hij den inhoud van het schrijven te lezen en steeds spannender werd de uitdrukking van zijn gelaat, steeds grooter zijn verbazing, toen hij het volgende las:

„Het is mij bekend, dat het sinds lang een hartewensch van u is geweest, om uw schilderijen verzameling te kunnen aanvullen met een der kostbare werken van onze oude meesters.

Daarom is het mij een bijzonder genoegen u heden te mogen gelukwenschen met het feit, dat uw wensch eindelijk in vervulling is gekomen.

Immers, wie zou het bezit van de „Avondschool” van onzen onsterfelijken Gerard Dou meer op prijs kunnen stellen dan gij, die de kunst zoozeer naar waarde weet te schatten?

Ik hoop, dat het schilderij de plaats, welke het in uw collectie heeft gekregen, nog lang zal mogen innemen.”

Tot driemaal toe herlas Jan Heemberg den inhoud van het korte briefje. Toen stak hij het met een zenuwachtig lachje in den zak van zijn jas en verliet het vertrek om zich haastig naar boven te spoeden.

Nauwelijks gunde hij zich den tijd om het electrische licht in de kamers, waar zijn schilderijenverzameling zich bevond, op te draaien en toen het heldere schijnsel der lampen de reeks vertrekken als in zonlicht baadde, vloog zijn blik langs de hooge, breede wanden, waaraan tallooze doeken in zwaar vergulde lijsten hingen.

Reeds was hij twee der ruime zalen, die één groot geheel vormden, doorgeloopen, zonder dat iets buitengewoons zijn oog trok en nu trad hij het vertrek binnen, waar eerst kort geleden het „Weesmeisje” dat hij voor acht mille had gekocht, aan een der muren was neergehangen naast een doek van Breitner.

Plotseling bleef Heemberg als door den bliksem getroffen staan. Hij had zich omgewend naar den wand, waar het nieuw aangekochte stuk een plaatsje had gekregen en met uitpuilende oogen staarde hij nu naar een veel kleiner schilderij in zwarte omlijsting, dat precies onder het „Weesmeisje” was opgehangen.

Het was hem alsof zijn hart ophield te kloppen, hij snakte naar adem en zijn knieën knikten.

Dáár, vlak vóór hem, te midden van zijn eigen schilderijen, onberispelijk aan den muur bevestigd, hing het wereldberoemde werk van Gerard Dou, de uit het Rijksmuseum gestolen „Avondschool”!

Een oogenblik bleef hij onbeweeglijk staan, toen kneep hij zichzelf in den arm, als om zich ervan te overtuigen, dat het geen benauwde droom was.

Maar neen, het was geen hallucinatie, het was ruwe werkelijkheid: het gestolen doek, het waardevolle eigendom van den Staat was op onverklaarbare wijze in zijn huis, in zijn schilderijenverzameling terecht gekomen.

Een oogenblik dacht hij, dat hij krankzinnig was geworden. Hij viel in een der zetels, die hier en daar waren aangebracht, neer en trachtte zijn gedachten te verzamelen. [25]

Hoe ter wereld was dat schilderij hier gekomen? Wie had den brutalen moed gehad, het uit het goed bewaakte Museum te stelen om het daarna op onverklaarbare wijze hierheen te brengen?

En wie was de geheimzinnige schrijver van den brief dien hij zooeven had ontvangen?

Als versuft bleef Heemberg een poosje voor zich uit zitten staren, toen stond hij op, sloot alle deuren, die toegang gaven tot de reeks van vertrekken, waarin zijn schilderijencollectie zich bevond, zorgvuldig af en begaf zich terug naar de plek, waar de „Avondschool” hing.

Deze was op eenvoudige wijze aan den muur bevestigd, zoodat het Heemberg niet de minste moeite kostte, het schilderij af te nemen.

Nogmaals bekeek hij met aandachtige blikken het kostbare stuk. Toen haalde hij uit een kast in den muur een zwarten doek te voorschijn, die weleens had gediend om een schilderij in te wikkelen, hulde de „Avondschool” daarin en begaf zich met het noodlottige schilderij naar de deur, die toegang gaf tot de breede, ruime gang.

Als een dief sloop hij op zijn teenen naar het rijk gebeeldhouwde trappenhuis en, voorzichtig om zich heen kijkende, alsof hij bang was, op heeterdaad betrapt te worden bij het plegen van een misdaad, liep hij snel over de dikke loopers naar beneden, waar hij weer in zijn studeerkamer verdween.

Ook hier sloot hij de kamerdeur achter zich dicht en opende toen met een klein, kunstig bewerkt sleuteltje een zware ijzeren brandkast, die in een der hoeken stond.

De zachte druk op een geheime veer opende een tweede deur en in de ruimte, die nu verscheen, borg hij voorzichtig het schilderij weg.

Toen hij de brandkast weer had gesloten, haalde hij eenige malen diep adem, alsof hij voor het oogenblik van een zwaren last bevrijd was.

Hij ging bij de schrijftafel zitten, haalde nogmaals het anonieme briefje te voorschijn en scheurde dit in duizend stukken.

Ontelbare kleine zweetdroppels bedekten zijn voorhoofd en als werktuigelijk wreef hij er eenige malen met zijn zakdoek overheen. Daarna keek hij op de antieke klok, hoe laat het was.

„Ik mag mij wel haasten om bij Betty te komen,” mompelde hij. „Zij rekent erop, dat ik vroeg bij haar ben en ik moet mij eerst nog kleeden voor het diner!”

Hij stond op, wierp nog eens een blik op de massieve brandkast en ging toen naar zijn slaapkamer om zich te kleeden voor het diner, dat hij bij Betty zou gaan gebruiken.

Een half uur later reed zijn auto voor om den millionnair naar zijn vriendin te brengen.

Blonde Betty vond, dat „Bobby” dien avond erg verstrooid was. [26]