[Inhoud]
LETTER R. 100.

LETTER R. 100.

EERSTE HOOFDSTUK.

TIENDUIZEND POND STERLING.

De directeur van de Bank van Engeland, John Ruster, was juist gereed met de uitgebreide ochtendcorrespondentie, toen zijn secretaris binnentrad, hem nog een brief overhandigde en sprak:

„Mijnheer de directeur, ik heb dit schrijven apart gehouden, omdat het van zooveel gewicht is.”

„Wat behelst het?” vroeg John Ruster.

„Een ongehoorde brutaliteit,” sprak de directeur, toen hij van den inhoud had kennis genomen, „daar schrijft die beroepsmisdadiger, die door alle speurhonden wordt gezocht, die zoogenaamde onbekende, John Raffles, een vriendelijken brief, waarin hij mij meedeelt, dat hij zoo vrij zal zijn om, wegens onzen overvloed aan geld, een bedrag van minstens tienduizend pond sterling te komen weghalen.

Hij stelt ons voor om hem en onszelf alles gemakkelijker te maken door het bedrag aan contanten in een couvert post-restant, onder de letters R. 100 aan het postkantoor van het Victoriahotel te verzenden.

Zoo niet, dan zou hij gedwongen zijn, ons een massa onaangenaamheden te berokkenen. Maar dat is een ongekende schurkenbrutaliteit!”

Mr. Griffin, de secretaris, antwoordde glimlachend:

„Dat is de gewone manier, waarop deze meesterdief met zijn cliënten pleegt om te gaan.

In de meeste gevallen zendt hij hun van te voren bericht en schrijft:

„Hierbij heb ik de eer u mede te deelen, dat ik van plan ben om bij u in te breken—” of:

„Hierbij de mededeeling, dat ik zoo vrij ben geweest om bij u in te breken!”

En in beide gevallen, niettegenstaande politie, pers en publiek, is het hem steeds gelukt. [2]

Het ontbreekt er nog alleen maar aan, dat hij zijn daden met groote aanplakbiljetten aan de huizen bekend maakt, ongeveer zooals een fabrikant van cacao of geconserveerde groenten reclame maakt.

Ik ben ervan overtuigd, dat hij zonder mankeeren zijn plan ten uitvoer zal brengen om, naar hij schrijft, van onzen geldovervloed, tienduizend pond te komen halen.”

„Maar dan moest hij in verbinding staan met den duivel,” sprak de directeur, „als het dezen man bij onze uitstekende veiligheidsmaatregelen en de groote stiptheid van ons personeel zou gelukken, tienduizend pond van ons te stelen.

Dat is eenvoudig onmogelijk. Gij maakt mij zenuwachtig met uw glimlach, mr. Griffin!”

Maar mr. Griffin, een der oudste beambten der Bank, bleef glimlachen, ondanks de woorden van zijn chef en antwoordde:

„Op denzelfden toon als gij, mijnheer de directeur, hebben alle anderen gesproken, met wie John Raffles in verbinding is getreden. Maar steeds heeft Raffles zijn plan volvoerd.”

„Dus gij denkt,” sprak de directeur der Bank, „dat het het verstandigste van mij zou zijn, als ik den wensch van dien man inwilligde?”

„Ongetwijfeld,” antwoordde mr. Griffin, „wij mogen van geluk spreken, als wij dezen heer met zoo weinig kunnen tevreden stellen. Het zou best kunnen gebeuren, dat hij anders met een veel grooter bedrag van ons aan den haal ging.

Als gij de courantenberichten omtrent de daden van Raffles hebt gevolgd, zult gij weten, dat hij zich nooit met kleinigheden tevreden stelt.

Hij is een origineele kerel!

Voor zichzelf heeft hij weinig noodig, niet meer, dan een Engelsch edelman gewoonlijk gebruikt. De millioenen, die hij door zijn daden verkrijgt, besteedt hij voor liefdadige doeleinden en geeft hij op de allermildste wijze uit, alsof hij een keizer ware.

Het geld is goedkoop voor dezen man.”

„Ja,” sprak de directeur, „zeer goedkoop, want het komt uit vreemde brandkasten. Maar ik ben toch niet van plan om tienduizend pond te boeken op de verliesrekening der Bank.

Laat hij zijn kunsten maar eens bij ons beproeven.”

„En ons zooveel gezanik met de politie bezorgen,” viel Griffin uit, „dat wij dagenlang niets anders te doen hebben dan naar Scotland Yard te trekken om allerlei getuigenissen af te leggen.”

„Nu, dat is dan niet anders,” antwoordde de bankdirecteur, „deel den inhoud van dezen brief aan al onze beambten mee en druk hun op het hart, uiterst voorzichtig te zijn.

Vooral de aangeboden chèques moeten nauwkeurig onderzocht worden!”

„Gij vergist u!” sprak Griffin, „voor zoover ik mij herinner, heeft John Raffles nog nooit een chèque vervalscht!

Met die soort van misdaden houdt hij zich in ’t geheel niet op. Zijn manier van werken draagt steeds een geniaal karakter en het is bewonderenswaardig, zooals hij zijn plannen ten uitvoer weet te brengen. Altijd heeft hij een nieuwe manier en hoe hij zijn troeven ook uitspeelt, hij wint altijd het spel, terwijl de bedrogene behalve de schade, ook nog den spot van pers en publiek moet dragen, want John Raffles werkt altijd met een zekeren humor!”

„Gij schijnt goed bekend te zijn met dien man,” vroeg John Ruster verbaasd.

„Omdat ik met de grootste belangstelling zijn lotgevallen tot op den dag van heden, door de pers gepubliceerd, heb gevolgd.”

De directeur der Bank stak een sigaar op en dacht, blauwe rookwolkjes uitblazend, eenige oogenblikken na.

Toen had hij een besluit genomen.

„Wees zoo goed, dien man te schrijven uit mijn naam, dat hij maar moet probeeren, zijn plan uit te voeren. Ik ben zeer nieuwsgierig naar den afloop.

Geef tegelijkertijd Scotland Yard kennis van het geval en tevens van het adres van den post-restant-brief; misschien lukt het, Raffles gevangen te nemen.”

„Ik zal ervoor zorgen, mijnheer,” antwoordde mr. Griffin, „maar ik geloof niet, dat Scotland Yard, na [3]alle vergeefsche pogingen om Raffles in handen te krijgen, veel moeite zal doen om het Victoria-Hotel te bewaken. Ik ben ervan overtuigd, dat, ondanks de aanwezigheid van meerdere politiebeambten, Raffles den brief af zal halen.”

„Zend u een bericht aan de politie, zooals ik u zei!”

De directeur der Bank maakte een handbeweging, waarmee hij mr. Griffin te kennen gaf dat deze het vertrek kon verlaten.