[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

HET GEDEPONEERDE KISTJE.

„Ik heb hier een massa waardevolle stukken,” sprak Raffles tot zijn vriend Charly Brand, „welke ik bij de Engelsche Bank zou willen deponeeren.

Ik ben van plan, gedurende de feestdagen naar Brighton te gaan.

Daar ik nog nooit zaken heb gedaan met de Engelsche Bank, maar jij wel, verzoek ik je, dit kistje bij den kassier in bewaring te willen geven.

Let er vooral op, dat het touw goed door den beambte wordt verzegeld.

Ik ben er zeer op gesteld, dat de zegels van de Bank ongeschonden op het kistje zitten, als je dit weer afhaalt!”

„Wat ben je van plan?” vroeg Charly Brand, terwijl hij vol nieuwsgierigheid zijn vriend en meester aankeek.

„Ik heb gemerkt,” sprak Raffles lachend, „dat de toestand van mijn kas treurig is en men heeft geld noodig om te leven.”

„Zeer zeker,” antwoordde Charly Brand, „hoogst noodig! Wil je door middel van dit kistje het geld, dat je noodig hebt, van de Engelsche Bank halen?”

„Juist,” sprak Raffles. „Ik hoop stellig, het bagatel van tienduizend pond op deze wijze te verkrijgen. Doe nu, wat ik je zeg!”

Eenige uren later bevond Charly Brand zich tegenover den hem bekenden kassier der Bank, zette het twee voet lange en één voet hooge kistje op tafel en sprak:

„Ik wensch gedurende de feestdagen dit kistje bij u in bewaring te geven.”

Allright!” antwoordde de beambte der Bank. „Wat is de waarde van den inhoud?”

„Er bevinden zich gewichtige documenten in,” sprak Charly Brand, „en ik kan geen juist bedrag opgeven.

Ik verzoek u alleen, het kistje goed te verzegelen, opdat geen onbevoegde gedurende den tijd, dat het zich hier bevindt, inzage van mijn papieren kan nemen.”

„Ik zal het zoodanig verzegelen, dat het zelfs, den duivel niet zou gelukken, er een blik in te werpen,” antwoordde de kassier.

Hij nam het kistje in ontvangst en verzegelde het op 18 plaatsen. Daarop gaf hij Charly Brand een ontvangbewijs. Deze betaalde een bedrag van twee pond en keerde naar Raffles terug.

Met een onverschillig gelaat stak deze de quitantie in zijn borstzak.

Daarop vertrok hij met zijn vriend naar Brighton, een uitstapje, dat de Londenaars gaarne maken.

Na drie dagen kwam hij met Charly terug en gaf hem het bevel, het kistje van de Bank terug te halen. Hij drukte hem nogmaals op het hart, er op te letten, dat geen der zegels geschonden was!

Toen Charly Brand met het kistje van de Bank terugkeerde, onderzocht Raffles het nauwkeurig; [6]daarop nam hij een grooten leeren koffer en zette het kistje daarin.

Het verdere van den koffer vulde hij met waschgoed, dat tevens moest dienen om de lakken van het kistje te beschermen.

Charly Brand keek naar dit alles met het gelaat van iemand, die niet weet wat hij ervan denken moet.

Raffles sloot den koffer, gaf den sleutel aan Charly Brand en sprak tot hem:

„Ga nu eens zitten en luister aandachtig naar hetgeen ik je zal vertellen.

Je moet van hier naar Southampton reizen en van daar morgenochtend met de van New-York komende stoomboot „Keizer Wilhelm de Groote” naar Bremen varen.

Den koffer met het kistje erin moet je daar mee naar toe nemen als bagage.

Volgens alle waarschijnlijkheid zal je voor Bremerhaven bezoek krijgen van eenige heeren, die je zullen dreigen met in hechtenisneming en tegen wie je moet doen, alsof je hen en jezelf wilt doodschieten.

Een van deze heeren zal een zekere bankier Brackbush zijn, en hem moet je later op je knieën vergiffenis vragen voor je daad. Hij zal je geld geven en daarmee kom je bij mij terug.”

„Dat alles moge de duivel begrijpen!” riep Charly Brand uit, „wat ben je van plan? Ik moet naar Bremen varen, ik zal gevangen genomen worden, ik moet doen alsof ik mijzelf wil doodschieten, alsof ik anderen wil vermoorden, eindelijk moet ik genade smeeken, ik moet een misdaad hebben begaan, ik zal geld krijgen en ik weet niet waarvoor.

Dat draait allemaal als een molenrad in mijn hersens rond!”

„Dat hindert niet”, lachte Raffles, „maar ik zal je een beetje op de hoogte brengen, opdat je niet blindelings mijn bevelen behoeft op te volgen.

Welnu! Veronderstel dat het kistje, dat zich in den koffer bevindt, ongeveer twee millioen pond sterling bevatte en dat jij een kassier waart van de Bank van Engeland, die er van door is met dat kistje.

In Bremen wil men je gevangen nemen, je grijpt naar je revolver en krijgt als belooning voor je daad tienduizend pond sterling, welk bedrag je als borg had gedeponeerd bij de Engelsche Bank.”

„Maar dat is immers klinkklare onzin!” riep Charly, Brand verbaasd uit, „men geeft een voortvluchtigen kassier toch geen geld toe! Dat zou een prachtig lokmiddel zijn voor ontrouwe ambtenaren!”

„Neen”, antwoordde Raffles, met een vroolijk lachje, „de zaak is ook wel een beetje anders.

Bankier Brackbush is chef van het filiaal der Engelsche Bank daar ter stede. De Bank wenscht, evenals elke groote instelling, geen openbare ruchtbaarheid te geven aan het feit, dat zij zulk een schandelijk individu als jij bent, tot kassier heeft aangesteld. Denk wel, een dergelijke zaak kan den goeden naam van een financieel inrichting groote afbreuk doen.

De tienduizend pond worden jou dus gegeven om je den mond te snoeren en je zult het kistje teruggeven en doen alsof je met je verkregen borgtocht naar Amerika gingt.”

„Dat is alles heel mooi,” merkte Charly Brand op, „maar begrijpen doe ik de zaak nog niet.”

„Het is voldoende, als je alles doet, wat ik je zeg. Het overige in deze kwestie verzorg ik vanuit Londen.”

Den volgenden dag vergezelde Raffles Charly Brand persoonlijk naar Southampton, waar hij hem aan boord bracht van de stoomboot „Keizer Wilhelm de Groote”, die van New-York naar Bremen voer.

„Het is zeer lief van je”, sprak Charly Brand tot Raffles, „dat je mij aan boord hebt gebracht.”

„O neen”, lachte Raffles, „ik ben niet om jou meegegaan, maar om het nummer te weten van de hut, die je betrekt.

Het is nummer 211.”

Een heer, die een donkeren bril droeg, passeerde hen op dit oogenblik en keek vol belangstelling door een verrekijker naar de Engelsche haven en de daar stationneerende oorlogsschepen.

Raffles noch Charly Brand hoorden, hoe de vreemde heer in het voorbijgaan mompelde:

„Dus nummer 211. Ik had niet gedacht, dat ik zoo’n uitstekende vangst hier aan boord zou doen.

Een schitterend zaakje, waarop ik straks aan tafel,” [7]het was tegen vijf uur in den namiddag, „een fijne flesch zal drinken.”

Het was inspecteur van politie Baxter van Scotland Yard, die op deze stoomboot van New-York naar Bremen reisde, om een internationalen meisjeshandel te vervolgen, waarvan de hoofdzetel in Londen was gevestigd.

Baxter was veertien dagen geleden naar New-York vertrokken, omdat een bekend detective-bureau aldaar hem mededeelde, dat de gezochte misdadiger blijkbaar aan het hoofd stond van een groote bende handelaren in vrouwen en meisjes en dat hij zich naar Bremen zou begeven, om daar op zijn gewonen weg via Engeland een aantal ongelukkige schepsels naar Zuid-Amerika te voeren.

Onder den naam van een zekeren Mr. Lobeck bevond zich de handelaar in blanke slavinnen als kajuitspassagier eerste klasse aan boord van het schip.

Inspecteur Baxter, die zich goed had vermomd, zoo dat zelfs Raffles, die hij rakelings was voorbijgegaan, hem niet herkende, had den grooten meesterdief en diens gezel dadelijk ontdekt, toen zij aan boord kwamen.

Het hart van den inspecteur barstte bijna van vreugde en opgewondenheid, als hij eraan dacht, welke groote vangst hij nu zou doen!

Hij wist weliswaar niet, wat Charly Brand in Bremen wilde doen.

„Maar,” zoo berekende hij, „hij gaat niet voor niets naar Bremen. Raffles zal zeker een van zijn plannen in Bremen inplaats van in Londen, willen uitvoeren.”

Terwijl de stoomboot langzaam, zooals de scheepswetten dat voorschrijven, door het Kanaal voer, zat Raffles in het telegraafkantoor, dat in zijn huis was aangelegd, met het horloge in de hand om te berekenen, waar het stoomschip zich nu kon bevinden.

Hij had een zeekaart van het Kanaal en de Noordzee voor zich liggen en telkens stak hij een speld met een rood knopje op die plek van de kaart, waar de boot moest zijn.

Dit telegraafkantoor was door hem op vernuftige wijze met den kabel verbonden, welke onder het gebouw van de Engelsche Bank liep en stelde hem elk oogenblik in staat, de gesprekken en telegrammen der Bank op te vangen of te beluisteren.

En hier lag de sleutel tot zijn plan.

Tegen zeven uur des morgens, toen de speld op de zeekaart tot vlak bij Bremerhaven was genaderd, begaf Raffles zich naar het toestel en verbond zich met de telefoon van het Londensche telegraafkantoor. Hij sprak:

„Hier Engelsche Bank—geef mij verbinding met het vaste land!”

„Alstublieft!” luidde het korte antwoord van den ambtenaar.

Raffles had zich gedurende de laatste weken voldoende op de hoogte gesteld omtrent de verhouding van de Bank met het hoofdtelegraafkantoor.

Nu legde hij zijn vingers op den sleutel van het Morse-toestel en begon de cijfers over te seinen van een met getallen volgeschreven papier.

Niemand, behalve Raffles en de Bank, kende de beteekenis van deze getallen.

Alleen de Engelsche Bank en de chefs van haar filialen in verschillende plaatsen der wereld bezaten behalve Raffles, den sleutel tot dit geheime cijferschrift.

Elk dezer getallen beduidde een woord of een zin.

Het was ongeveer een half uur later, toen bankier Brackbush, de directeur van het Bremer filiaal de Engelsche Bank, een cijfertelegram van het hoofdbureau der Bank ontving en, nadat hij het met behulp van het door de Bank uitgegeven boek had ontcijferd, sprong hij op en begaf zich, zonder zijn ontbijt verder aan te roeren, naar de kade, om met zijn motorboot dadelijk naar Bremerhaven te varen.

Eerst echter spoedde hij zich opgewonden naar het naastbijgelegen detectivebureau van Klinger, waarmee hij sinds jaren werkte.

„Geef mij dadelijk een beambte mee, snel! Ik moet den „Keizer Wilhelm” nog vóór Bremerhaven bereiken!” riep hij tot den chef.

Een corpulent man van rijperen leeftijd stond bij de woorden van den bankier op, nam zwijgend zijn hoed en stok, trok zijn overjas aan, nam uit een la van de schrijftafel een revolver en volgde den bankier. [8]

Het was een van de beste geheime agenten, waarmee Brackbush op zijn motorboot naar Bremerhaven voer.

Onderweg gaf de bankier hem eenige inlichtingen.

„Ik wil de zaak,” sprak Brackbush, „zonder inhechtenisneming behandelen. Alleen in geval van nood maak ik daarvan gebruik.

De hoofdzaak is, dat wij Bremerhaven nog bereiken, voordat de passagiers zijn aangekomen en voordat deze aan land zijn!”.…..

Een dikke nevel omgaf de reede van Bremerhaven en slechts langzaam kon de reuzenstoomboot „Keizer Wilhelm de Groote” zich een weg in de haven banen.

Onophoudelijk weerklonken de misthoorns en stoomfluiten, om aanvaringen met andere schepen te voorkomen.

Volgens berekening der loodsen was de stoomboot hoogstens een halve mijl van de haven verwijderd, toen plotseling de wacht riep:

„Motorboot aan stuurboord!”

„Werpt touwen uit!” riep de dekofficier tot de wacht, en met behulp der matrozen werd de motorboot, die naast het stoomschip was gekomen, vastgemaakt.

Na eenige minuten klommen langs een touwladder, welke men neer had gelaten, bankier Brackbush en de geheime detective op het dek.

Een kort gesprek met den kapitein volgde, waarna de nieuw aangekomenen zich, door dezen vergezeld, naar hut 211 begaven.

Deze was gesloten en de bewoner scheen bezig te zijn, zijn zaken te regelen.

Na herhaald kloppen vroeg Charly Brand:

„Wie is daar?”

„Doe open!” beval de kapitein. „Ik ben het zelf, de kapitein van het schip. Ik wensch u te spreken.”

„Een oogenblik!” klonk het terug.

„Doe dadelijk open!” riep de kapitein, „het is een zeer dringende zaak!”

In het volgende oogenblik opende Charly de deur van zijn hut.

De geheime detective, die door den kapitein en Brackbush het eerst werd binnengelaten, snelde dadelijk naar Charly Brand toe, greep hem bij den arm en riep hem toe:

„Tracht niet, u te verzetten, het zou tevergeefs zijn en in uw eigen nadeel!”

„Wat wilt gij van mij?” vroeg Charly Brand verschrikt, en bevende ging bij een stap achteruit.

„Dat zal deze heer u mededeelen”, sprak de geheime detective, terwijl hij op den bankier wees.

„Ja,” viel deze in, een stap nader komende. „Onderzoek eerst dezen heer, of hij een wapen bij zich heeft, want ik moet hem alleen spreken en dan verzoek ik u, gedurende ons gesprek voor de deur der hut wacht te houden.

Als ik u noodig heb, zal ik u roepen.”

„Als gij mijn hulp mocht willen inroepen, wilt gij mij zeker wel door een matroos laten roepen,” sprak de kapitein. Hij verliet de hut en begaf zich weer naar de commandobrug.

De detective haalde uit een der broekzakken van Charly Brand een browningpistool en stak deze bij zich.

„Geef mij het wapen terug,” verzocht Charly den beambte.

„Na ons onderhoud,” sprak de bankier, terwijl hij den detective een wenk gaf, om zich uit de hut te verwijderen.

„Wat wenscht gij van mij?” vroeg Charly Brand opnieuw. „Hoe komt gij er toe, mijn hut binnen te dringen en mij hier vast te houden?”

„Dat zult gij dadelijk vernemen,” antwoordde bankier Brackbush, het cijfertelegram uit zijn zak te voorschijn halende.

„Gij zijt gisteravond van Southampton afgereisd en gij zijt de kassier van depot no. 10 der Engelsche bank.

Uw naam is Harry Smith.”

Schijnbaar radeloos van schrik en angst leunde Charly Brand tegen den muur der hut en stamelde:

„Dat is niet waar. Mijn naam is niet Harry Smith.

Ik kan u met papieren bewijzen, dat gij u vergist.”

„Laat die papieren zitten,” antwoordde de bankier, „uw ontkennen helpt u niet. De beschrijving omtrent uw persoon, welke ik ontving, klopt merkwaardig goed. Gij moest u schamen, het vertrouwen uwer chefs op zoo schandelijke wijze misbruikt te hebben.” [9]

De bankier keek de hut rond en ontdekte den koffer.

„Aha! Daar staat waarempel ook de mij omschreven leeren koffer!” riep hij uit, „wilt gij loochenen, dat gij daarin een kistje hebt verborgen? Een kistje met achttien zegels. En dat zich daarin twee millioen pond sterling aan geldswaardige stukken bevindt?”

„Ik heb geen dergelijk kistje,” stotterde Charly Brand, terwijl hij alle moeite deed om er zoo ontdaan mogelijk uit te zien.

„Maak den koffer open!” beval bankier Brackbush, „ik maak er u opmerkzaam op, dat gij door te ontkennen uw zaak erger maakt, terwijl gij, als wij kalm over de zaak spreken en het eens kunnen worden, er goed af zult komen.

Maak den koffer dus open!”

Charly Brand haalde een bos sleutels te voorschijn en deed, wat hem bevolen werd.

Met een kreet van vreugde ontdekte de bankier tusschen het waschgoed het verzegelde kistje.

Dadelijk onderzocht hij de zegels en met een zucht van verlichting zag hij, dat zij ongeschonden waren, zoodat dus niets van den inhoud vervreemd kon zijn.

In het telegram, dat hij had ontvangen, was hem nadrukkelijk bevolen, de zegels goed te onderzoeken.

„Schaam u!” herhaalde de bankier nog eens tot den verpletterden Charly Brand, „als ik u nu aan de politie overleverde, zoudt gij verscheiden jaren gevangenisstraf krijgen. Opdat gij echter zult inzien, hoe goed uwe chefs het met u voor hebben, ben ik aangewezen, om u uwe borgstelling, waarop gij door uw misbruik maken van vertrouwen geen recht meer hebt, uit te betalen.

Maar slechts op voorwaarde, dat gij met dat geld naar Amerika gaat en over dit voorval tot niemand spreekt. Doet gij dat toch, dan hebt gij de gevolgen aan u zelf te wijten.

Maak u nu gereed en volg mij aan land.”

Inspecteur van politie Baxter had de komst van de motorboot met gespannen aandacht gevolgd en in den geheimen detective dadelijk een collega herkend.

Hij maakte zich tegenover hem bekend en trachtte te weten te komen welke zaak hem aan boord en naar hut 211 had gebracht.

Maar de Duitsche detective beantwoordde alle vragen slechts met een schouderophalen en het gelukte Baxter niet, iets van hem te vernemen.

Hij zag, hoe de bankier met het verzegelde kistje onder den arm en vergezeld door Charly Brand, die zich reisvaardig had gemaakt, uit de hut trad en tot den beambte sprak:

„Wij varen terug naar Bremen. De zaak is in orde.”

Baxter moest het aanzien, dat de bankier met Charly Brand en den detective naar de meegesleepte motorboot terug ging, dat die na eenige minuten in den mist verdween en naar Bremen terug voer.

De zaak had zijn belangstelling zoodanig opgewekt, dat hij in gedachten verzonken, in het geheel niet lette op den handelaar in blanke slavinnen. Hij merkte dezen eerst op, toen de man zich, zoodra de boot was aangekomen, aan land begaf.

Haastig volgde hij hem en hij hoopte, hem in het douanestation terug te zullen vinden.

Maar hij had buiten den waard gerekend. De achtervolgde had alleen handbagage bij zich en was daarmee op een electrische tram gesprongen.

Onaangenaam gestemd begaf de inspecteur van politie zich naar Bremen, Raffles in stilte vervloekend, want aan hem had hij het te danken, dat de visch uit het net was ontsnapt.

Terzelfdertijd stond Charly Brand in het telegraafkantoor, waar hij een telegram aan Raffles verzond, dat als volgt luidde:

Aan professor Stanhop, Victoria station. Geld is uitbetaald. Ik kom via Vlissingen terug.

Een half uur later ontving de Engelsche bank een raadselachtig cijfertelegram:

Bank van Engeland, Londen. Kassier gepakt. Kistje onbeschadigd in mijn bezit. Borgstelling, zooals bedoeld, uitbetaald.

Bankier Brackbush.

Raffles, die op het telegram had gewacht, dat onder het adres Stanhop zou aankomen, begreep tot zijn genoegen uit den korten inhoud, dat zijn plan gelukt was en dat Charly Brand zijn zoogenaamde borgstelling had uitbetaald gekregen. [10]

De Engelsche Bank daarentegen wist niet, wat met het ontvangen telegram bedoeld werd.

Zij begreep niets van een voortvluchtigen kassier, noch van een kistje en telegrafeerde daarom terug:

Telegram onbegrijpelijk. Open dadelijk het kistje en meld ons den inhoud.

Een half uur daarna kwam reeds het antwoord uit Bremen.

Wij zijn bedrogen. Kistje was met couranten gevuld. Bovenop lag een papier, waarop stond: Met vriendelijken groet John Raffles.

Toen de beambten der Bank, die zich in het particuliere bureau van den directeur bevonden, dit hoorden, konden zij, ondanks de spanning van het oogenblik, een glimlach niet onderdrukken.

„Vervloekt!” riep de bankdirecteur uit, „wat is die bankier Brackbush toch een groote ezel!

Hoe kon hij zich zoo laten beetnemen!”

„Ik geloof toch,” antwoordde mr. Griffin, „dat wij eerst nadere berichten moeten afwachten, voordat gij, mijnheer de directeur, dien heer van iets dergelijks moogt betichten.

Ik houd hem voor een zeer nauwgezet koopman. Wie weet, op welke geniale wijze Raffles hem bij den neus heeft gehad, zoodat een ander evengoed als Mr. Brackbush het slachtoffer van den grooten onbekende zou zijn geworden.”

„Zend dadelijk een onzer ambtenaren naar Bremen, opdat het geval kan worden opgehelderd,” beval Mr. Ruster, de directeur.

„Geef bovendien kennis van het geval aan den inspecteur van politie en zorg er voor, dat, als het eenigszins mogelijk is, de pers buiten de geheele zaak blijft.”

Hij nam afscheid van zijn beambten en Mr. Griffin ging persoonlijk naar Scotland Yard, om daar het gebeurde mede te deelen.

Detective Marholm had een schik, alsof hij een geestige mop hoorde, toen hij het verhaal vernam van de nieuwste en uitstekend geslaagde truc van Raffles.

„Uitstekend! Prachtig!”, mompelde hij, „ik ontving zooeven een telegram uit Bremen, dat inspecteur Baxter, mijn chef, daar in een hotel logeert. Hij kan dus dadelijk het spoor van Raffles volgen. Ik zal hem onmiddellijk een telegram zenden.”

Baxter wilde juist zijn hotel te Bremen verlaten, toen een besteller hem het telegram overhandigde.

Hij opende het en sprak zacht:

„Te laat! Ik had den kerel dadelijk aan boord moeten gevangen nemen, maar— —” hij wachtte een oogenblik, „ik had er geen aanleiding voor. De gevangenneming zou wederrechtelijk zijn geweest.

Die tienduizend pond zijn voor de Engelsche Bank of voor bankier Brackbush verloren.

Die zijn naar de maan!”

Slecht gehumeurd kwam hij te Vlissingen aan, waar hij plaats nam op de boot, die hem via het Kanaal naar Londen terug zou brengen.

Hij bracht zijn bagage naar het salon en nam daarna in de eetzaal aan een tafeltje plaats om te gaan dineeren.

Plotseling keek hij verbaasd op.

Op korten afstand van hem zat aan een tafeltje, waarop een dozijn oesters en een flesch champagne, de vriend van John Raffles, de man met de tienduizend pond sterling, Charly Brand.

Hij had den inspecteur van politie, die als een der laatste passagiers was aangekomen, nog niet opgemerkt en slurpte behaaglijk zijn oesters, want Charly Brand was een lekkerbek.

Zijn voorliefde voor een goeden maaltijd had Raffles reed dikwijls aanleiding gegeven om te zeggen:

„Als jij zit te smullen, verkeer je in groot gevaar voor je-zelf.

Dan hoor of zie je niets. Je bent zoodanig verdiept in het genot van de spijzen, dat men je zou kunnen ophangen en je het eerst zoudt merken, als je dood was!

Je hartstocht voor een lekker, maal zal je nog eens in de grootste moeilijkheden brengen.”

En nu gebeurde dat, wat Raffles hem zoo dikwijls had voorspeld.

Charly Brand had juist de achtste oester opgenomen, om die met gesloten oogen te verzwelgen, toen hij van twee kanten werd beetgepakt en, nog voordat hij de oester naar binnen had gewerkt, had men hem geboeid.

„Hallo! Dat noem ik eerst een goede vangst doen op [11]het Kanaal, mijnheer! Ik had niet gedacht, u zoo gauw terug te zullen zien!” riep Baxter vergenoegd uit.

Charly Brand beefde, toen hij zag, dat hij in de macht was van den inspecteur van politie.

Nu was hij verloren!

Baxter trok hem, toen hij geboeid was, de portefeuille uit den borstzak, nam het papiergeld, dat bankier Brackbush Charly had gegeven, telde het na en sprak met voldoening:

„Er ontbreekt niets aan het geld.

Volg mij nu naar de hut, waar ik u, totdat wij in Londen zullen zijn, gevangen moet houden.”

Charly Brand werd naar een klein vertrek gebracht en een matroos werd als wacht voor de deur geplaatst.

Te vergeefs martelde hij zijn hersens met de vraag, hoe hij aan de macht van den inspecteur zou kunnen ontsnappen.

Baxter had zich naar het aan boord zijnde station der draadlooze telegraphie begeven en daar een telegram voor Scotland Yard verzonden:

Meld de Engelsche Bank, dat misdadiger met tienduizend pond sterling gevangen genomen. Zend tegen aankomst der boot twee beambten naar Queenborough.

Queenborough is de naam van de havenplaats, waar de booten van Vlissingen, voor Engeland bestemd, binnen komen.

Dit telegram bereikte echter Scotland Yard niet.

Raffles, die in zijn huis een geheime aansluiting had met de telegraaflijn van Scotland Yard, nam het telegram op zijn toestel op.

Nadat hij het had gelezen, zond hij het telegram verder en wel met den volgenden inhoud:

Vertrek van Bremen. Inspecteur Baxter.

Daarop seinde hij naar Queenborough een bericht, dat vandaar doorgezonden moest worden per draadlooze telegrafie naar de stoomboot, die zich op het Kanaal bevond:

Inspecteur van Politie Baxter. Verwacht u, telegram ontvangen.

Een half uur later reisde hij, als agent van politie vermomd, van Londen naar Queenborough, waar hij de aankomst der stoomboot afwachtte.

Zoodra het schip binnen was gekomen, naderde hij den inspecteur van politie, die aan het eind van den steiger stond en meldde, op militaire wijze groetend:

„Ik kom op bevel van detective Marholm, die zelf verhinderd is te verschijnen.”

Inspecteur Baxter keek den agent van politie verbaasd aan.

Dat was niet de manier van optreden, in Scotland Yard gebruikelijk.

De agenten in uniform werden nooit voor dergelijke zaken uitgezonden.

Hij vermoedde de een of andere geheimzinnigheid, die hij op het oogenblik nog niet begreep.

Hij was in den loop der tijden voorzichtig geworden.

Maar hij kon de aanwezigheid van den agent niet verklaren. Zijn telegram moest Scotland Yard bereikt hebben, want hij had een antwoord erop ontvangen.

Het zaakje moest dus in orde zijn, ondanks het ongewone dat in de verschijning van den agent in uniform was gelegen. Hij besloot echter, uiterst voorzichtig te zijn en goed op te passen.

„Volg mij,” sprak hij tot den agent, „ga mee naar de hut, waar de misdadiger is opgesloten. Hebt gij boeien bij u?”

„Jawel,” antwoordde Raffles, „als het noodig is, zijn zij toereikend voor twee.”

„Hoe komt het, dat men u heeft gezonden?” vroeg Baxter.

„Dat weet ik niet,” antwoordde de agent, „ik kreeg het bevel van mijn chef.”

Weer schudde Baxter het hoofd.

Hij kon het vermoeden niet van zich afzetten, dat de zaak niet in orde was.

Daarom sprak hij tot den agent:

„Ik ga even met Scotland Yard telefoneeren. Wacht een oogenblik.”

Nauwelijks was hij weg, of de agent opende de deur der hut.

Hij moest een geheimen sleutel daarvan bezitten of gebruik maken van een looper.

Op het volgende oogenblik trad hij de hut binnen en sprak tot Charly Brand, die neerslachtig op zijn bed zat: [12]

„Volg mij zoo snel mogelijk, wij hebben maar een minuut tijd!

Aan wal kunnen wij niet komen, wij moeten dus trachten, naar den zeekant te vluchten.”

Dichtbij de stoomboot lagen verscheiden koopvaardijschepen, waarnaast, aan touwen bevestigd, kleine bootjes op het water dansten.

Raffles had de boeien van Charly Brand losgemaakt. Reeds had hij den achtersteven van het stoomschip bereikt, toen eenige matrozen hem in den weg traden.

„Gij vergist u, Sir, langs die zijde kunt gij niet aan wal komen.”

Meer konden de matrozen zich niet herinneren.

Raffles had hun bliksemsnel een paar verbazende vuistslagen gegeven en hen neergeworpen. Op dat oogenblik weerklonk de stem van Baxter.

„Vooruit jongens!” riep de inspecteur, „ieder van u krijgt honderd pond, wij moeten die twee hebben!”

Charly Brand had reeds een der bootjes bereikt, terwijl Raffles nog met zijn aanvallers bezig was.

Eindelijk gelukte het ook hem, over boord te springen. Revolverschoten werden over de verschansing den vluchtelingen nagezonden, echter zonder te treffen. (Zie titelblad.)

Raffles bereikte behouden de boot.

Charly had roeispanen in het kleine vaartuigje gevonden en sprak, terwijl hij ze ter hand nam:

„Laat ons nu toonen, dat wij niet tevergeefs twee jaar lid zijn geweest van de groote roeivereeniging „De Theems”. Vooruit!”

Als een pijl gleed het bootje, door geoefende hand bestuurd, door het water.

Verscheiden schoten knalden en vlak langs hen heen ploften de kogels in het water.

Raffles stuurde het bootje, dat reeds op honderden meters afstands van het schip was, naar een donkere pier en klauterde met Charly langs den hoogen steenen muur naar boven.

Elke minuut was geld waard.

Zij snelden langs de pier en bereikten een havenstraat, waar op den hoek een kleine lantaarn in den wind schommelde. Deze toonde aan, dat zich hier een matrozenherberg bevond.

Door een zijdeur gingen Raffles en Charly Brand de herberg binnen.

Op den tast liepen zij een pikdonkere gang door, klommen een trap op en bereikten langs een even donker portaal een logeerkamer, waar de matrozen sliepen, als zij aan wal waren.

Een slecht brandende petroleumlamp verlichtte deze ruimte, die eigenlijk den zolder van het huis uitmaakte.

Een rij eenvoudige veldbedden stond langs de muren.

Geen enkele van de logeergasten was nog aanwezig. Een breede, groote schoorsteen bevond zich aan een der wanden; Raffles ontdekte daaraan een ijzeren klep. Hij opende deze.

Daarop sprak hij tot Charly Brand:

„Er helpt niets aan, mijn jongen, wij moeten eenige uren lang ons in dezen schoorsteen verbergen.

Men zal ons spoor in elk geval tot hier volgen en dit is de eenige plaats, waar men ons vermoedelijk niet zal ontdekken.”

Zij hadden nauwelijks tijd gehad om met behulp van ijzeren staven, die zich binnen in den schoorsteen bevonden, een veilig plaatsje te zoeken, toen zij door de opening van den schoorsteen, die in de gelagkamer gelijkvloers uitmondde, duidelijk de stemmen van hun vervolgers hoorden.

„Hallo, Patt Jim”, riepen de binnenstormende matrozen, „heb je twee kerels samen voorbij zien komen?”

„Wel vervloekt!” weerklonk de basstem van den waard, „ik heb wel wat anders te doen dan op straat te gaan staan en te kijken of er iemand langs komt.

Ik ben blij als de politie mij met rust laat. Komt binnen en drinkt een borrel.”

De gelagkamer vulde zich steeds meer met de matrozen zen, die de vluchtelingen achtervolgden en eindelijk verscheen ook inspecteur Baxter.

De zeelieden hadden het opgegeven. Zij hadden gretig de gelegenheid aangegrepen om een poosje vrij te komen van hun zwaren dienst aan boord, nu stonden voor de toonbank brandewijn te drinken. [13]

Inspecteur Baxter overzag dadelijk den toestand en begreep, dat hij alleen het spoor der vluchtelingen zou moeten volgen met behulp van den havenmeester, dien hij ter assistentie had meegenomen.

Mismoedig verliet hij het lokaal en Raffles herademde, toen het gevaar was geweken en de matrozen beneden vroolijke liedjes zongen.

„Ik heb het gevaar overschat”, sprak hij tot Charly Brand, „het was niet eens noodig geweest, dat wij hier in dezen zwarten schoorsteen kropen. Maar voorzichtigheid kan geen kwaad. Ik heb zooeven in de „logeerkamer” linnengoed en kleeren zien liggen, eigendom van de matrozen, die hier overnachten.

Laat ons nu uit den schoorsteen klauteren en ons verkleeden.”

Met de grootste kalmte, alsof hij thuis ware, kleedde bij zich in het vertrek uit en zocht onder de matrozenbroeken en blouses, die aan den muur hingen, stukken, die hem voor zichzelf en Charly geschikt voorkwamen.

Tien minuten later verliet hij met zijn vriend door de zijdeur het huis.

Toen zij op straat waren gekomen, sprak hij tot Charly Brand:

„Onze handen en ons gezicht zitten zóó vol roet, dat men ons onmogelijk zal herkennen.

Ieder zal ons voor echte matrozen houden, die van een schip komen, waarop kolen werden geladen. Laat ons nu naar het station gaan en met den eersten trein, dien wij kunnen halen, naar Londen vertrekken.”

Charly moest hem een arm geven en terwijl Raffles een bekend matrozenlied zong en den wankelenden gang van een beschonkene nabootste, gingen zij naar het station, vlak langs den agent van politie, die daar dienst deed en reisden naar Londen terug.

Eenige uren later zaten zij weer, als voorname Engelsche heeren gekleed, in het behaaglijk verwarmde, studeervertrek van John Raffles.

Deze sprak tot zijn vriend:

„Vertel mij nu eens, mijn jongen, hoe het mogelijk was, dat die man, die inspecteur Baxter, dien ik tot dusverre voor een volslagen idioot hield, je heeft kunnen pakken.”

Charly Brand bloosde van schaamte, toen hij moest bekennen, dat de oesters dat op hun geweten hadden.

Raffles sprak lachend:

„Ik heb je altijd gewaarschuwd voor je hartstocht, wat betreft lekker eten.

Laat je dit een les zijn, beste kerel.

Maar nu ben ik van plan om de tienduizend pond sterling, die Baxter je heeft afgenomen, nog dezen nacht terug te halen.

Ik zou graag den Zondag in Brighton willen doorbrengen en daarvoor is geld noodig.”

Charly Brand keek Raffles met open mond aan.

„Wat zeg je?” vroeg hij, „je wilt nog dezen nacht de tienduizend pond van inspecteur Baxter terug gaan halen?”

„Ja, zeker!” lachte Raffles, „en wel uit de brandkast van Scotland Yard.

Ik was al eerder van plan om eens poolshoogte te nemen van den geldvoorraad op het hoofdbureau van politie, maar ik meende altijd, dat het vrij doelloos zou zijn, zich veel moeite te geven voor de brandkast der politie en dat ik het werk, dat daartoe vereischt wordt, beter aan een andere brandkast kan besteden.

Maar vannacht is het de moeite waard, want nu wordt daar het geld opgeborgen, dat mij van rechtswege toekomt.

En tevens zal het voor jou een interessante zaak zijn, daar je een voorbeeld kunt nemen aan mijn werk en leeren, hoe men een goed gesloten en met ijzeren tralies omgeven brandkast opent.

Het is nu negen uur in den avond.

Over een uur gaan wij op weg.”

„Ik geloof, dat het onmogelijk is om het plan, dat je koestert, tot een goed resultaat te brengen”, sprak Charly weifelend.

„Mijn lieve jongen”, antwoordde Raffles glimlachend, terwijl hij zijn vriend op den schouder klopte, „wat ik wil gaan doen is niet zoo moeilijk als dat, wat wij met bankier Brackbush en de Bank van Engeland hebben gedaan.

Ik wed honderd pond, de laatste die, ik nog bezit, tegen een pruimepit, dat wij morgen vroeg, ondanks inspecteur Baxter, hier zitten en dat dan de tienduizend pond sterling zich in mijn borstzak bevinden.” [14]