Inspecteur Baxter was in zeer slechte stemming op zijn bureau in Scotland Yard aangekomen.
Het was tegen acht uur in den avond.
Hij uitte zijn ergernis door luid te vloeken en schold op zijn ondergeschikten over allerlei kleine onregelmatigheden, die gedurende zijn afwezigheid waren gepleegd. Dat wil zeggen, volgens zijn opvatting.
Vooral ergerde hem het vergenoegde gelaat van zijn secretaris, detective Marholm en woedend riep hij dezen toe:
„Lach op straat of waar gij wilt, maar niet op mijn bureau. Ik verkies dat niet!”
Detective Marholm, die met een dikken bundel acten voor zich aan de schrijftafel zat, keek den razenden inspecteur bedaard aan en sprak glimlachend:
„Gij zijt zenuwachtig, inspecteur.”
„Zenuwachtig!” riep Baxter uit, „dat is geen woord voor mijn gemoedsstemming.
„Die man maakt mij gek, die Raffles. Nu meende ik, de beide vogels te hebben gevangen en eindelijk den besten dag van mijn leven te zullen hebben en op het laatste oogenblik ontsnappen zij mij.”
Marholm vervolgde, steeds glimlachend:
„Hadt gij iets anders verwacht, inspecteur? Van John Raffles moest gij reeds aan dergelijke dingen gewend zijn. Nu, zoo erg is het niet. Gij hebt tenminste de tienduizend pond.”
Aan het geld had Baxter niet meer gedachte
Hij had het totaal vergeten.
Haastig greep hij naar zijn borstzak, waarin hij het had opgeborgen.
„Hebt gij het geld inderdaad nog?” vroeg Marholm met een ironisch lachje, „het zou mij in het geheel niet verbazen, als Raffles het u weer listig had ontfutseld.”
Inspecteur Baxter opende zijn portefeuille en nam het papiergeld eruit.
Zorgvuldig telde hij het na en sprak:
„Het geld is nog voorhanden.”
Daarop gaf hij de bankbiljetten aan Marholm met de woorden:
„Daar het te laat is, om het nog heden aan de Engelsche Bank terug te bezorgen, zullen wij het geld tot Maandag in de brandkast bewaren. Sluit het weg.”
Detective Marholm telde de biljetten na en ging naar een groote brandkast, die zich in het zijvertrek bevond.
Nadat hij het bedrag had weggesloten, kwam hij terug.
„Hoe was het mogelijk,” vroeg inspecteur Baxter, „dat gij het telegram niet hebt ontvangen?”
„Heel eenvoudig,” antwoordde Marholm, „een ander heeft het gekregen!”
„Vervloekt! Welke andere? Verklaar u duidelijker!”
„Wel, wie anders dan John Raffles!”
„Maar dat is immers niet mogelijk,” riep Baxter uit, „dat grenst aan tooverij!”
„In ’t geheel niet,” lachte Marholm, „ik heb allang vermoed, dat Raffles zich een geheime aansluiting aan onze telegraaflijn heeft verschaft. Daardoor is hij in staat onze zaken, die wij per telefoon of telegraaf te behandelen hebben, te controleeren.”
„Wij moeten de lijn laten onderzoeken,” meende inspecteur Baxter.
„Dat zal niet gaan,” antwoordde Marholm, „wij kunnen de draden, die door geheel Londen loopen en [15]in verbinding staan met alle politiebureaux, niet zoo maar zonder meer uit den grond laten nemen.
„Het zou een arbeid van vele maanden zijn en dan bleef het nog altijd twijfelachtig, of wij de geheime aansluiting zouden vinden.”
Inspecteur Baxter sloeg met de vuist op tafel en riep:
„Als Raffles zijn werk in Londen niet spoedig staakt, laat ik mij pensionneeren. Dat houden mijn zenuwen niet langer uit. Laat een ander zich in mijn plaats op het krankzinnigengesticht voorbereiden.”
Op dit oogenblik klonk de telefoon. Detective Marholm nam den hoorn op en riep:
„Hier Scotland Yard—wie is daar?”
Na een pauze, waarin een guitig lachje op zijn gelaat verscheen, gaf hij den hoorn aan zijn chef en sprak:
„John Raffles wenscht u te spreken!”
„Wie?” schreeuwde Baxter, opspringend.
„John Raffles!” herhaalde Marholm lachend.
„Voor den duivel, wilt gij mij ook voor den gek houden?”
„No sir,” antwoordde Marholm kort en beslist.
„Ik ben niet te spreken. Laat die kerel iemand anders krankzinnig maken dan mij.”
„All right, sir”, antwoordde Marholm; hij nam de telefoon weer in de hand en sprak:
„Inspecteur Baxter wenscht geen onderhoud met u!”
Daarop ontstond een pauze, gedurende welke detective Marholm met gespannen aandacht aan de telefoon luisterde, terwijl Baxter nerveus met zijn vingers op de schrijftafel trommelde.
Eindelijk was het gesprek afgeloopen.
Met een „goeden avond, Sir!” belde Marholm af.
„Wat wil hij van mij?” vroeg de inspecteur vol belangstelling.
„Hij laat u weten,” sprak Marholm, „dat hij vannacht bij u zal inbreken en hij vraagt u, of gij hem die moeite niet zoudt willen sparen en hem het geld per bode toezenden.”
De inspecteur hijgde letterlijk naar adem.
Daarop riep hij uit:
„Die brutaliteit overtreft alles!
„Maar ik zal hem een ontvangst bereiden, waarop hij niet zal zijn voorbereid.
„Geef bevel aan twee agenten van den nachtdienst om mij naar mijn huis te vergezellen.
„Dezen keer vergist Raffles zich terdege.
„Alles, wat hij zal vinden, is een leege portefeuille en drie detectives van Scotland Yard om hem gevangen te nemen.”
Bij deze woorden verliet hij het bureau en droeg zijn dienst voor dien nacht over aan den binnenkomenden beambte.
Vergezeld door twee detectives begaf hij zich naar huis, om daar de komst van Raffles af te wachten.
— — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — — —
Het was tegen twee uur in den nacht.
Scotland Yard was in diepe duisternis gehuld.
De paar beambten, die nachtdienst hadden, zaten in de wachtkamer, rookten, dronken thee en verdreven de verveling door kaartspel.
De dienstdoende chef was op de leeren rustbank in Baxter’s kamer gaan liggen slapen. Hij sliep zoo vast, dat het bericht van twee moorden hem, volgens zeggen zijner collega’s, eerst kon wekken.
Eén moord was daartoe niet voldoende.
Bij het vernemen van een dergelijke misdaad keerde hij zich om en sliep door.
Scotland Yard, een groot gebouw, grensde aan den achterkant aan een tuin, die bij fabrieksterrein behoorde.
Door dien tuin sloop in het nachtelijk uur John Raffles, gevolgd door Charly Brand.
De laatste droeg in een leeren tasch alle inbrekerswerktuigen, die Raffles noodig had.
„Ik zal je nu eens leeren, op welke wijze men gemakkelijk een brandkast opent”, had Raffles tot zijn vriend gezegd.
„Het moeilijke van het geval is niet, de brandkast open te krijgen, maar om in het vertrek te komen, waar ze staat.
„Voor zoover ik weet, bevindt zich de brandkluis van Scotland Yard in een kamer van de eerste verdieping. [16]
„Wij moeten dus trachten, daar van uit de kelderruimte te komen.”
Het venster van het sousterrain van Scotland Yard, waardoor Raffles zijn weg wilde nemen om het hoofdbureau van politie binnen te dringen, was van dikke tralies voorzien. Raffles nam een ijzeren stang uit zijn tasch en, die tusschen de tralies stekende, boog bij deze van elkaar.
Na eenige minuten waren de traliën zoover van elkaar gebogen, dat er gemakkelijk een mensch tusschen door kon kruipen.
De beide inbrekers bevonden zich nu in den kelder van het gebouw.
Raffles liet het licht van zijn electrische zaklantaarn schijnen en onderzocht nauwkeurig de muren, om te ontdekken, op welke plaats boven hen zich het vertrek met de brandkast zou kunnen bevinden. Tegelijkertijd luisterde hij, of hij ook schreden hoorde.
Daar de vloeren der politiebureaux niet met tapijten bedekt zijn, dreunde elke stap door het gebouw.
Raffles liep in de kelderruimte de middengang door, daar deze evenwijdig liep met de gang boven.
Eindelijk bleef hij staan. Hij nam een kist op, die dicht bij hem stond, klom daarop en kon nu gemakkelijk met zijn hand de zoldering aanraken.
Met een klein hamertje, dat hij uit een zijner zakken haalde, klopte hij zacht op de geplafonneerde zoldering, terwijl hij tot Charly Brand sprak:
„Het is altijd gemakkelijker werken, als men weet waar balken en waar steenen liggen. Dat is te hooren aan den doffen of hollen klank.”
Zonder moeite vond hij de plek, die hij zocht en nu liet hij zich door Charly een draaiboor geven, zette deze tegen zijn borst en had binnen tien minuten een gat van verscheiden centimeters in het plafond gemaakt
Charly moest de naar beneden vallende kalk en puin in een hoed opvangen.
Nu luisterde de groote onbekende eenige seconden, of zijn werk opgemerkt was daarboven. Toen alles rustig bleef, nam hij een breekijzer en maakte in weinig tijd de opening zooveel grooter, dat beide mannen er gemakkelijk door konden.
Hij werkte zich omhoog en was een oogenblik daarna in het vertrek boven den kelder.
Hij liet zich door Charly het leeren valies aangeven en, nadat hij dit naast zich had neergezet, volgde Charly Brand hem.
Het licht van een lantaarn, die buiten brandde, scheen in de kamer, zoodat Raffles zijn electrische zaklantaarn niet behoefde te gebruiken.
Nu ging Raffles naar de tegen den muur staande brandkast en een spottend lachje gleed over zijn gelaat, toen hij de sloten der kast onderzocht.
„Het is zooals ik dacht”, sprak hij tot Charly Brand, „de heeren van de politie waren van meening, dat het niemand ooit in zou vallen om een bezoek aan hun brandkast te brengen.
„Dit is een zeer verouderde constructie, een kast, die elk beginner zonder moeite kan openmaken. Een eenvoudige looper is daartoe voldoende.”
Hij haalde een ketting uit de tasch te voorschijn, waaraan zeldzaam gevormde haken vast zaten. Eenige oogenblikken werkte hij daarmee aan de sloten en plotseling sprong de deur van de brandkast met een zacht geluid open.
Zoo bedaard, alsof hij in zijn eigen huis was, nam Raffles de tienduizend pond uit de kast; daarenboven nog het bedrag, dat in een geldbak lag en dat gebruikt moest worden om de traktementen der beambten uit te betalen.
Daarop onderzocht hij de papieren, die in de kast lagen.
Het waren gewichtige geheime akten. Raffles gunde zich den tijd niet, om ze dadelijk door te lezen en pakte ze daarom in zijn tasch.
Nu scheurde hij een stuk papier uit zijn zakboekje en schreef iets erop.
Glimlachend legde hij het briefje in de brandkast, sloot deze weer en verliet met Charly Brand het vertrek langs denzelfden weg, waarlangs hij gekomen was.
— — — — — — — — — — — — —
Den volgenden morgen om negen uur kwamen inspecteur Baxter en detective Marholm bijna gelijktijdig in dienst.
„Inspecteur”, vroeg Marholm vol belangstelling, [17]„heeft Raffles de tienduizend pond al bij u afgehaald?”
Baxter antwoordde met gefronst voorhoofd:
„Ik heb uw reeds herhaaldelijk verzocht, uw flauwe aardigheden voor u te houden. Ik verdraag ze niet langer. Neen, hij heeft ze niet gehaald, stel u gerust. En ga nu het geld uit de brandkast halen en breng het naar den directeur van de Engelsche Bank. Laat hij er u een quitantie voor geven. Hij verwacht u.”
„Goed, inspecteur”, sprak Marholm en hij ging, zonder zijn overjas uit te trekken, naar de kamer, waar de brandkast stond.
Plotseling hoorde inspecteur Baxter een kreet, waarop een hartelijk lachen volgde.
Nog voordat Baxter naar detective Marholm kon snellen, vloog deze binnen en riep:
„Inspecteur, inspecteur!”
Meer kon hij niet zeggen van lachen.
„Gij zijt krankzinnig”, riep Baxter, zijn secretaris bij den arm beetpakkende.
„Neen”, antwoordde deze, proestend van lachen, „maar dit is de geestigste mop, die ik ooit heb beleefd!”
„Wat voor een mop?” vroeg Baxter met een somber voorgevoel, „het is hier de plaats niet voor moppen.”
„Gij zoudt gelijk hebben”, antwoordde Marholm, „als John Raffles zijn grap niet was komen uithalen in Scotland Yard.”
„Wat heeft Raffles uitgevoerd?” vroeg Baxter, terwijl de aderen op zijn voorhoofd opzwollen.
Marholm haalde diep adem en antwoordde:
„Raffles heeft de tienduizend pond van u teruggehaald uit de brandkast van Scotland Yard.”
Baxter keek zijn secretaris aan met oogen, alsof hij aan diens verstand twijfelde.
„Maar zijt gij dan werkelijk gek geworden?” vroeg hij na eenige oogenblikken.
Detective Marholm was, opnieuw lachend, in een stoel neergevallen en riep uit:
„Volstrekt niet. Maar ik bekijk de zaak van de grappigste zijde en ben niet zoo zenuwachtig als gij. Maar”—hij stond op—„kom mee, inspecteur en overtuig uzelf!”
Baxter volgde Marholm in de andere kamer.
Met zijn hand wees de secretaris naar de geopende brandkast.
„Kijk, inspecteur, waar de tienduizend pond zijn gebleven. Ik geloof niet, dat Raffles ze heeft laten liggen”.
Inspecteur Baxter, wiens knieën sidderden, ging langzaam naar de brandkast, keek die nauwkeurig door en vond slechts kale wanden.
Marholm was naast hem gaan staan.
Hij zag eerst nu het briefje, dat Raffles had achtergelaten.
„Een spoor van den dief!” riep hij uit. Daarop las hij:
„Inspecteur van politie Baxter! Laat als het u belieft, het gat in het plafond, dat ik heb gemaakt, op uw kosten weer dichtmetselen.
Met vriendelijken groet:
Uw
JOHN RAFFLES.”
De kamer draaide met Baxter rond, terwijl Marholm weer een onbedaarlijke lachbui kreeg.
Eindelijk was Baxter weer tot zichzelf gekomen.
Van woede zag hij purperrood.
„Vervloekt!” barstte hij los, „als gij nog meer lacht, ontsla ik u uit uw betrekking in Scotland Yard en wel op staanden voet. Zwijg nu, Marholm, en onderzoek waar het gat is”.
Marholm had dit reeds ontdekt en wees naar een opening in den hoek der kamer.
„Die is groot genoeg, om geheel Scotland Yard leeg te stelen. Jammer, dat Raffles den waarnemenden inspecteur ook niet heeft meegenomen.
„Als hij had geweten, hoe vast deze collega sliep, dan zou hij stellig die grap hebben uitgehaald.”
Inspecteur Baxter keek vol woede naar het gat; in den vloer, dat hij, zooals Raffles hem verzocht, op zijn kosten zou laten herstellen.
„Ik zal onderzoeken, langs welken weg hij is gekomen”, sprak Marholm, door de opening in den kelder verdwijnend.
Na een korten tijd kwam hij terug. [18]
„Hebt gij wat gevonden?” riep inspecteur Baxter tot den detective, die onder het gat stond.
„Ja!” klonk het antwoord, „eenige cigaretten van het merk, dat Raffles bij voorkeur rookt. Hier zijn ze; misschien wilt gij ze aan het politiemuseum ten geschenke geven.”
Hij stak zijn hand door de opening en liet vier stompjes cigarette zien. Daarna klom hij weer naar boven.
„Dit zal de laatste poets zijn, die Raffles mij heeft gespeeld!” riep Baxter toornig uit. „Of ik pak hem binnen vier-en-twintig uur, of ik neem mijn ontslag!”
Bij die woorden keerde hij Marholm den rug toe en ging heen.
Hij hoorde niet, hoe Marholm zacht tot zichzelf sprak:
„Hij zal hem niet vangen en evenmin zijn ontslag nemen. Het zou ook eeuwig jammer zijn, als deze interessante strijd tusschen Baxter en Raffles ophield.
„Sinds die man ons bezig houdt, lees ik geen anecdoten of geestige tijdschriften meer.
„Raffles werkt door middel van inspecteur Baxter veel beter op mijn lachspieren!”
Baxter echter riep alle beambten bij elkaar en overlegde met hen, hoe hij Raffles zou kunnen te pakken krijgen.
Alleen Marholm bemoeide er zich niet mee.
Hij was op de leeren rustbank gaan liggen en rookte.