[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE HULP VAN DEN INSPECTEUR.

De Londensche couranten hadden den volgenden dag groote artikels over het verzegelde kistje van de Bank van Engeland. Toen Raffles ze las, ergerde hij zich.

De directeur van de Bank had zich tegen een der verslaggevers erover uitgelaten, dat hij het plan van John Raffles vanaf het begin had doorzien en alleen daarom de zaak had laten loopen, om den Grooten Onbekende in handen der detectives te leveren.

Dat die niet in staat bleken te zijn om den meesterdief te pakken, was niet zijn schuld.

„Prachtig gelogen”, sprak Raffles, „hij werpt de geheele schuld op Scotland Yard en doet precies als de struisvogels, die hun kop in het zand steken.

Die man verdient een nieuwe les te krijgen. Het is eigenaardig, dat de couranten al die nonsens van elkaar overnemen. Ik zal hun een berichtje zenden.”

„Laat dien man loopen”, vond Charly Brand, „ik ben heel blij, dat ik hier zit, inplaats van in Scotland Yard. De schrik zit mij nog in de beenen, het scheelde maar een haartje of zij hadden mij te pakken gehad.

Raffles luisterde niet meer naar deze woorden.

Hij zat in gedachten verdiept in zijn geliefkoosde houding, de voeten opgetrokken, de handen om de knieën gevouwen en het hoofd op de borst.

Hij deed in deze houding denken aan een biddenden fakir of een loerenden vos.

Charly Brand wist, dat een groot plan rijpte in het brein van zijn vriend, als die zoo zat te mijmeren.

Zacht stond hij op, stak een sigaar aan en verliet de kamer.

Op een andere manier als Raffles ergerde inspecteur Baxter zich over het artikel. [19]

De couranten staken den gek met Scotland Yard, tengevolge van de uitlatingen van den bankdirecteur en vooral de persoon van inspecteur Baxter werd danig aangevallen. De „Times” stelde hem voor, voortaan de knoopen van zijn vest te tellen, om te weten of hij den misdadiger zou vangen of niet. Maar hij moest er dan vooral voor zorgen, dat de laatste knoop altijd „neen” zei.

„Ik moet die blaam van mij afwerpen”, sprak Baxter tot detective Roland, den tweeden secretaris van het bureau, „weet gij niet, op welke wijze wij Raffles in handen zouden kunnen krijgen?”

Nadenkend keek de detective naar den rook van zijn pijpje en antwoordde:

„Ik geloof niet, dat wij, die nu reeds een jaar lang jacht maken op Raffles, op eenig gunstig resultaat moeten hopen. Wij hebben zoo ongeveer alles beproefd. Maar ik houd het voor mogelijk, dat wij, als wij de hulp van misdadigers inroepen, succes kunnen hebben.

Gisteren is een buitenlandsche zwendelaar opgepakt, een zekere Raoul Navazka, ook genoemd Tom Smithson, of Werner von Staufen, of Bey van Samascha en de duivel mag weten, welke namen de kerel nog meer bezit.

Deze man, wiens identiteit wij niet kunnen vaststellen, wien wij ook niets anders kunnen bewijzen, dan dat hij in hotels van den eersten rang reusachtige verteringen heeft gemaakt, zou misschien zeer geschikt zijn om Raffles te vinden en in onze handen te leveren.”

Inspecteur Baxter dacht een paar minuten over het voorstel na en antwoordde:

„Breng den man bij mij.”

Eenige oogenblikken later stond de zwendelaar, een man van ongeveer dertig jaar, met een voornaam uiterlijk, voor den inspecteur van politie, dien hij met trotsche blikken aankeek.

Baxter bood den gevangene een stoel aan en vroeg:

„Een sigaar of cigarette?”

De oplichter wierp den inspecteur een blik van verstandhouding toe.

Op het oogenblik, waarin de inspecteur hem een sigaar aanbood, begreep hij, dat hij niets meer te vreezen had, maar dat zijn hulp in het een of andere zaakje gevraagd zou worden.

Hij kende de manieren der politie in dergelijke gevallen zeer goed.

„Met spek vangt men muizen,” dacht hij.

„Als ik zoo vrij mag zijn, een cigarette,” antwoordde hij luid en nam, alsof hij in een café tegenover een goeden kennis zat, op zijn gemak plaats.

Daarop stak hij de cigarette aan en vroeg:

„Wat verlangt gij van mij?”

Baxter koos den rechten weg en sprak:

„Wilt gij duizend pond verdienen? Dat wil zeggen, slechts op die voorwaarde krijgt gij het geld, als gij dat, wat ik van u eisch, stipt ten uitvoer brengt. Eerder, betaal ik u geen pond uit.”

De zwendelaar lachte.

„Ik moest al heel dwaas zijn, als ik geen duizend pond wilde verdienen. Met genoegen wil ik dat. Om wat is het te doen?”

„Om John Raffles,” sprak Baxter met nadruk en zenuwachtig trommelde hij met de vingers op zijn schrijftafel.

De oplichter keek verbaasd naar den inspecteur, daarop sprak hij:

„Gij houdt mij toch niet voor John Raffles?”

„Neen,” antwoordde inspecteur Baxter, „voor zoo handig houd ik u niet.

Maar ik geloof, dat gij wel in staat zijt om uit te vinden, waar die man verblijf houdt en om ons daarvan bericht te geven.

Dat is alles, wat ik van u eisch.

Als u dat gelukt, betaal ik u duizend pond sterling uit.”

De gevangene keek den inspecteur nadenkend aan en antwoordde:

„Ik neem het voorstel aan. De zaak is niet onuitvoerbaar. Ik geloof, dat ik u de verblijfplaats van John Raffles spoedig zal kunnen opgeven en gij zult mij, als ik u het bewijs breng, de duizend pond geven. Wilt gij mij dat zwart op wit verzekeren?”

Baxter aarzelde even om den misdadiger een schriftelijk bewijs van bun gesprek te geven.

Maar ten slotte zei hij tot zichzelf, dat de man met [20]dat geschreven stuk weinig of niets zou kunnen uitrichten.

Hij nam aan de schrijftafel plaats en voldeed aan het verlangen van den zwendelaar. Nauwkeurig las Raoul Navazka, zooals hij zich nu noemde, de verklaring door en stak deze daarop in zijn borstzak.

„Gij zult mij,” sprak hij tot Baxter, hoewel dit uw bedoeling niet was, vijftig pond sterling vooruit moeten geven. Zooals gij weet, bezit ik niets en zonder geld is dat, wat ik moet doen, onuitvoerbaar.”

„Goed,” antwoordde Baxter, „die vijftig pond maken mij niet arm. En als de zaak u gelukt, zal ik u ze niet in rekening brengen. Hier hebt gij het geld en tevens het bewijs van invrijheidstelling.

Bewaar dit laatste zorgvuldig, gij mocht het eens noodig hebben tegenover de beambten van Scotland Yard. Als het u over vier weken nog niet is gelukt, de opdracht uit te voeren, dan moet gij Londen verlaten en naar het vasteland vertrekken; ik zeg u dit onder vier oogen.”

De zwendelaar boog en verliet het bureau als vrij man, met vijftig pond sterling op zak.

„Ik hoop,” sprak Baxter tot detective Roland, „dat ik door dezen man als hulp te nemen niet opnieuw een groote domheid heb begaan, wat trouwens uw schuld zou zijn. Maar het is mogelijk, dat hij John Raffles werkelijk vindt en ons daarmee een grooten dienst bewijst.

Ik ben wel nieuwsgierig, hoe hij het zal aanleggen om Raffles op het spoor te komen.”

„Dat zal dien misdadiger niet moeilijk vallen,” antwoordde Roland, „de eene avonturier ruikt het spoor van den ander, evenals een politiehond dat van den misdadiger. Ik hoop het beste van onze onderneming.”

Toen detective Marholm van het geval hoorde, bedwong hij met moeite zijn lachen en sprak tot inspecteur Baxter:

„Gij zijt zeer vernuftig; ik zou in mijn heele leven niet op dat denkbeeld zijn gekomen.”

„Niet waar? Een gelukkige gedachte,” herhaalde Baxter vol trots. „Denkt gij ook niet, dat wij nu succes zullen hebben?”

Detective Marholm glimlachte, tot groote ergernis van inspecteur Baxter en antwoordde:

„Ja, een koe kan af en toe ook wel eens een haas vangen.”

„Hoe bedoelt gij dat?” vroeg zijn chef, waarop Marholm schouderophalend zei:

„Ik bedoel, dat het best mogelijk is, dat dit zaakje u zal gelukken.”

„Dat doet mij genoegen”, gaf Baxter ten antwoord en voor het eerst sinds zijn terugkomst uit Bremen schudde hij zijn secretaris vriendschappelijk de hand.

Nu geloofde hij zelf ook in het aanstaande succes.