[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

DE GEVANGENNEMING.

Raffles was in het telegraafkantoor van zijn eigen huis en Charly Brand bevond zich bij hem.

Het Morse-toestel tikte regelmatig en Raffles las met groote oplettendheid, wat de papierstrook voor nieuws bevatte.

Het waren telegrammen van de Engelsche Bank, welke deze naar een harer filialen zond en wel volgens een nieuw cijfersysteem, dat Raffles nog niet kende.

„De Bank heeft een ander cijferschrift aangenomen,” sprak Raffles tot zijn vriend, „ik had het reeds verwacht, nadat ik inzage had genomen in een geheele [21]serie telegrammen en ik zal er eenige uren aan besteden om dit schrift te leeren ontcijferen.”

Hij seinde, na een vertraging van tien minuten, de opgenomen telegrammen nauwkeurig volgens hun inhoud verder en schakelde daarna zijn toestel weer uit.

Nu begaf hij zich met de papierstrook naar studeerkamer.

Urenlang zat hij aan zijn schrijftafel en probeerde de getallen in woorden of letters om te zetten.

„Ik vergelijk mijzelf,” sprak hij tot Charly Brand, met iemand, die een prijsraadsel zit op te lossen en wel een heel ingewikkeld.

Een interessant werk voor gezonde hersens.”

„Ik zou het niet klaarspelen,” meende Charly. Brand, terwijl hij vol bewondering zijn vriend en meester aanzag, die reeds een tiental velletjes papier met getallen en woorden had volgeschreven.

Tot middernacht zat Raffles over zijn werk gebogen.

Toen sprong hij op en riep:

„Ik heb het gevonden! De telegrammen zijn ontcijferd!”

Bij die woorden keek hij naar den cigarettenrook, die zoo dicht in de kamer hing, dat alles als in een sluier was gehuld.

„Charly,” riep hij uit, „ik geloof, dat ik vijftig cigaretten heb opgerookt om het cijfersysteem van de Engelsche Bank uit te vinden.

De dikke Londensche mist kan niet ondoordringbaarder zijn dan deze damp. Zet het raam open.”

Charly Brand voldeed aan den wensch van zijn vriend, terwijl deze zich gereed maakte om uit te gaan.

„Waar wil je naar toe?” vroeg Charly.

„Ik heb honger gekregen”, antwoordde Raffles, alsof ik in twee dagen niet had gegeten en slootgraverswerk had verricht. Het was geen gemakkelijk zaakje.

Ga met mij mee, wij zullen naar een goed restaurant aan het Strand gaan.”

Samen gingen zij, ondanks het vergevorderde uur, naar een voornaam café. Niet ver van hen zat aan een klein tafeltje een schijnbaar welgesteld heer met een dame in druk gesprek.

Toen Raffles binnentrad, klemde hij zijn monocle vaster in zijn oog en keek hem met groote opmerkzaamheid aan.

Raffles was gewend, opgemerkt te worden door zijn bijzonder knap uiterlijk en bekommerde zich daarom niet om de onbescheiden blikken van den heer.

„Voor den duivel”, mompelde deze binnensmonds, „dat noem ik geluk hebben. Daar zit hij, dien ik zoek, John Raffles.”

Het was Raoul Navazka, die dit tot zichzelf zei. Hij had de vijftig pond sterling gebruikt om een prettigen avond te hebben met een demi-mondaine.

Tot nu toe had hij er nog niet ernstig over gedacht, zich bezig te houden met de opdracht van den inspecteur van politie.

Lichtzinnig als hij was; was hij zeer verheugd, aan de handen der politie ontkomen te zijn; hij leefde slechts voor het oogenblik.

En nu kwam het toeval hem te hulp.

Volgens het signalement, dat hij van inspecteur Baxter had gekregen, moesten de beide heeren, die juist waren binnengekomen, de gezochte individuen zijn.

„Een groote brutaliteit”, vervolgde de oplichter tot zichzelf, „zoiets zou ik nooit durven!

Daar bezoekt die man, die door de geheele Londensche politie wordt gezocht, zulk een bekend restaurant en soupeert met een kalmte, alsof hij de koning van Engeland was.”

John Raffles en Charly Brand namen zoo weinig notitie van den ander, alsof hij een vlieg ware.

Raoul Navazka overlegde, wat hij zou doen.

Langen tijd was hij in tweestrijd, of hij Scotland Yard telefonisch zou meedeelen, wat er gaande was, dan wel of hij de waarschijnlijk meer voordeelige partij zou kiezen, naar Raffles gaan en hem tegen een flinke belooning vertellen, welk gevaar hem boven het hoofd hing.

De gewetenloosheid, welke den meesten avonturiers eigen is, ried hem aan, twee vliegen in één klap te [22]slaan, eerst Scotland Yard bericht te geven, ten einde duizend pond te krijgen en daarna Raffles zooveel mogelijk af te persen.

Het viel Charly Brand eindelijk op, dat de onbekende hen onophoudelijk met zijn oogen volgde en hij maakte hierop zijn vriend opmerkzaam.

John Raffles keek vluchtig naar het tafeltje, waaraan Raoul Navazka zat en sprak:

„Die man is een oplichter, hij interesseert mij niet.”

Toch keek Charly Brand nog telkens naar den heer, die door Raffles een oplichter werd genoemd en hij zag, dat deze opstond en naar de telefoon liep naast het buffet.

Dat verbaasde den ander. Sinds men hem gevangen genomen had, was hij uiterst wantrouwend geworden en zag hij in iedereen, die hem scherp aankeek, een detective.

Hij verontschuldigde zich bij Raffles en stond op. Langzaam slenterde hij naar het buffet, dat hij bereikte op hetzelfde oogenblik, waarin de vreemdeling aansluiting vroeg met het hoofdbureau van politie Scotland Yard.

Deze woorden wekten de belangstelling van Charly in de hoogste mate op.

Hij ging naar het buffet en zocht op zijn gemak eenige merken uit van de sigaren, die daar te koop lagen.

Hierdoor was het hem gemakkelijk, het gesprek van den oplichter met Scotland Yard te hooren.

Hij schrok hevig, toen hij duidelijk verstond, dat de onbekende Scotland Yard mededeelde, dat John Raffles zich in het restaurant bevond.

Raoul Navazka kon hem niet zien en toen hij de telefoon weer ophing, was Charly Brand reeds weer naar Raffles teruggegaan.

„Wij zijn verraden”, fluisterde Charly zijn vriend toe, terwijl hij aan het tafeltje plaats nam. „Laat ons dadelijk weggaan. Er dreigt ons groot gevaar.”

Raffles glimlachte, stak een sigarette aan en antwoordde met de grootste onverschilligheid:

Je ziet spoken, beste vriend. Je bent zenuwachtig geworden.”

„Neen!” sprak Charly opgewonden, „luister, wat ik zooeven aan de telefoon hoorde.”

Gejaagd deelde hij Raffles den inhoud mede van het afgeluisterde gesprek.

De oplichter was ook naar het buffet gegaan en had daar een klein briefje geschreven. Dit gaf hij nu aan den oberkellner, wees hem Raffles aan en verzocht hem, dien heer het briefje te overhandigen.

Een uitdrukking van ergernis kwam op zijn gelaat, want hij zag, dat Raffles en Charly Brand zich juist gereed maakten om het restaurant te verlaten.

Bliksemsnel bedacht hij, dat Raffles misschien zijn telefoongesprek had afgeluisterd. Maar hij begreep toch, dat dit bijna onmogelijk was.

Maar zijn plan zou in duigen vallen, als Raffles het restaurant verliet.

Lord Lister had zijn pelsjas reeds aangetrokken, toen de oberkellner hem het briefje overhandigde.

Verbaasd nam de groote onbekende het aan en las:

„Ik wensch u te spreken, Raffles!

EEN COLLEGA.”

De oplichter zag het vroolijke spotlachje niet, dat bij het lezen dezer woorden over het gelaat van Raffles vloog.

„Zeg tegen den heer”, zoo wendde hij zich tot den oberkellner, „dat bij maar bij mij moet komen.”

Eenige oogenblikken later naderde de zwendelaar Raffles, een beleefde buiging makende, die door den ander zeer uit de hoogte werd beantwoord.

„Graaf Salden”, zoo stelde Navazka zichzelf voor, wat een nieuw spotlachje op Raffles gelaat te voorschijn riep.

„Gij wenscht?” vroeg Lord Lister, terwijl hij zijn handschoenen aantrok.

„Ik moet u dringend spreken”, antwoordde Raoul Navazka.

„Dan moet gij met mij meegaan naar de Club. Ik heb daar een afspraak en kan hier niet langer blijven.”

Raoul Navazka dacht even na. Hij vreesde terecht, dat Raffles hem naar een club zou brengen, die hem geheel onbekend was. Raffles zou hem zeker ontsnappen. [23]

„Als gij het goed vindt, vergezel ik U”, sprak hij, niettegenstaande dat, vastberaden.

„Het zal mij een waar genoegen zijn, u mee te nemen”, antwoordde Raffles.

De zwendelaar maakte een buiging, ging naar zijn tafeltje, betaalde zijn vertering en sprak met de dame een later rendez-vous af.

Vóór alles moest hij nu beproeven, in gezelschap van Raffles te blijven, opdat hij onderweg een betere gelegenheid kreeg hem aan de detectives over te leveren.

Voordat hij Raffles uit het restaurant volgde, sprak hij tot den oberkellner:

„Er zullen hier eenige kennissen voor mij komen.

Zeg tegen de heeren, dat ik telefonisch bericht zal zenden, waar ik mij bevind. Ik had graag, dat de heeren dan bij mij kwamen. Vraag, of zij zoolang op mij willen wachten.”

Nu verliet hij het lokaal en volgde Raffles, die hem reeds buiten wachtte. Deze had een automobiel aangeroepen en Raoul Navazka nam daarin plaats met Lister en Charly Brand.

Raffles had den chauffeur het adres reeds opgegeven.

Er waren nauwelijks vijf minuten verloopen, toen een politieauto voor het restaurant stilhield en Baxter, vergezeld door verscheiden detectives, het lokaal binnensnelde.

Maar tevergeefs zocht hij naar Raffles, totdat de oberkellner hem de boodschap van Raoul Navazka overbracht.

Mistroostig nam de inspecteur met zijn beambten aan een tafeltje plaats, waar hij op het bericht wachtte, dat de zwendelaar hem zou zenden.

Raffles was intusschen voor de Sandwich-club aangekomen en met Charly Brand en Navazka een kleine conversatiezaal binnengegaan.

Nauwelijks hadden zij hun jas en hoed aan den bediende afgegeven, toen Raoul Navazka een voorwendsel zocht, om zich eenige oogenblikken te verwijderen. Hij wilde inspecteur Baxter per telefoon meedeelen, dat hij zich met Raffles in de Sandwich-club bevond.

Maar Raffles sprak glimlachend:

„Gij zult moeten toestaan, dat onze zaak eerst moet worden afgehandeld. Gij weet, dat mijn tijd zeer beperkt is. Deel mij dus mee, wat gij wenscht.”

De oplichter zag, dat Raffles blijkbaar verraad vreesde en goed oppaste.

Hij nam daarom plaats en begon:

„Ik was gisteren nog een gevangene en ben slechts op één voorwaarde uit Scotland Yard vrijgelaten.”

„En die conditie is?” vroeg Raffles, hem met ijskouden blik aanziende.

„Misschien kunt u ze raden?” vroeg Navazka.

Raffles haalde de schouders op en maakte een beweging, alsof hij het niet kon raden.

In werkelijkheid was hij nu echter van de zaak reeds volkomen op de hoogte.

Maar hij vond het prettig, onder sommige omstandigheden niet voor al te snugger te worden aangezien.

„Men beloofde mij duizend pond, als ik zou zorgen dat men u gevangen kan nemen”.

„Duizend pond sterling?” vroeg Raffles lachend, „dat vind ik een belachelijk klein bedrag voor zulk een waardevolle vangst als ik ben. Inspecteur Baxter schijnt slecht bij kas te zijn, sinds ik die heb leeggehaald!”

„Best mogelijk”, antwoordde de avonturier, „dat kan mij ook niet schelen.

Ik weet alleen, dat ik die duizend pond zou kunnen verdienen, als ik nu naar de telefoon ging en Scotland Yard bericht gaf of op een andere wijze de zaak opknapte.”

Raffles stak een cigarette aan, zoodat de ander de spottende uitdrukking op zijn gelaat niet kon zien.

Er ontstond een pauze.

Raffles deed, alsof hij ernstig over de zaak nadacht.

„Gij zult toegeven”, vervolgde de zwendelaar, „dat ik u op het oogenblik ongetwijfeld in mijn macht heb.

Ik zou u gemakkelijk door een der clubbedienden kunnen laten bewaken, totdat de detectives van Scotland Yard hier waren”.

„Ik zie dat volkomen in”, antwoordde Raffles, „maar ik vermoed, dat gij genoeg man van zaken zijt, [24]om dergelijke aangelegenheden van een practisch standpunt te behandelen. Luister eens:

Ik bied u vijfduizend pond sterling, onmiddellijk betaalbaar, als gij mij niet verraadt”.

De oogen van Raoul fonkelden van hebzucht, toen hij het hooge bedrag hoorde, dat Raffles hem bood.

„Sta mij toe, dat ik u voorstel aan een mijner vrienden, graaf Rammler.”

Raffles maakte een handgebaar naar Charly Brand en stelde hem onder dezen vreemden naam voor.

„Ik verzuimde dit tot dusverre”, verontschuldigde Raffles zich, „en antwoord mij nu, of gij op mijn voorstel ingaat”.

„Natuurlijk”, antwoordde Raoul Navazka met een dankbaar lachje.

„In orde”, sprak Raffles, zijn portefeuille te voorschijn halende.

„Ik heb in deze portefeuille ongeveer zevenduizend pond sterling. Daarvan heb ik misschien nog tweeduizend pond noodig, omdat ik in de Club de bank moet houden. Ik ben er op gesteld, den nacht hier ongestoord door te brengen.

Maar het zou mogelijk kunnen zijn, dat gij, zoodra gij de club verlaat, Scotland Yard toch bericht zendt, om de premie van inspecteur Baxter te verdienen.

Daarom verzoek ik u in gezelschap van graaf Rammler in de speelzaal te blijven en de club eerst morgenochtend te verlaten.

Ik betaal u dan, behalve de vijfduizend pond, welke ik u dadelijk geef, nog duizend als extra belooning, neemt gij dit aan?”

„Gaarne”, antwoordde Raoul Navazka, beleefd buigend.

Raffles gaf den man zijn portefeuille, waaruit hij eerst tienduizend pond had genomen en sprak:

„Tel, alstublieft, den inhoud na”.

Navazka deed het en antwoordde:

„Het is in orde; er zijn vijfduizend pond sterling in, ik dank u. De zaak is afgedaan”.

Als goede vrienden ging Raffles met den zwendelaar en Charly Brand, die in de club bekend stond als graaf Rammler, naar de speelzaal, waar op een groene tafel een roulette stond.

Raffles en Charly Brand hadden, toen zij buiten op Raoul Navazka stonden te wachten, hun plan, om den avonturier onschadelijk te maken, voldoende in elkaar gezet.

De oplichter vermoedde niets, en meende volkomen zeker te zijn van zijn zaak.

Af en toe voelde hij in zijn borstzak om zich te overtuigen, dat de portefeuille nog aanwezig was.

Raffles nam de bank over en het spel begon dadelijk met vrij hoogen inzet.

Er was ongeveer een half uur voorbijgegaan, waarin de oplichter had gezien, dat Raffles met veel geluk bankhouder was, toen Charly Brand, de zoogenaamde graaf Rammler, plotseling blijkbaar bijna doodelijk verschrikt in een der zakken van zijn rok zocht, daarop naar de deur snelde en, terwijl hij daarvoor ging staan, een revolver te voorschijn haalde en uitriep:

„Heeren, ik ben bestolen! Niemand verlaat dit lokaal!”

Een pijnlijke stilte volgde, het spel werd niet doorgezet en iedereen keek vol spanning naar graaf Rammler, die de deur bewaakte.

„Wat is er gebeurd?” vroeg Raffles, de speeltafel verlatend.

„Men heeft mij bestolen!” riep graaf Rammler opnieuw, „men heeft mij mijn portefeuille gerold!

Ik verzoek u en een der andere leden van de club, om alle aanwezige heeren te fouilleeren.

Het is een quaestie van vijfduizend pond sterling!”

Een der bestuursleden van de club, een zekere Lord Euston, ging naar graaf Rammler toe en wendde zich daarna tot de andere leden.

„Heeren!” riep hij, „het gebeurde is zeer onaangenaam en moet dadelijk worden opgehelderd. Ik verzoek u daarom, mij toe te staan, dat ik u fouilleer.”

Daarop vroeg hij aan Charly Brand:

„Verdenkt gij iemand, graaf?”

Graaf Rammler fluisterde Lord Euston in het oor:

„Ja, ga met mij mee!” [25]

Raoul Navazka had de geheele zaak met onverschillig uiterlijk bijgewoond.

Hij zat met het veilig gevoel van iemand, die niets te vreezen heeft, in een der fauteuils een sigaar te rooken.

Hij voelde zich zeer voornaam, nu hij dezen keer eens werkelijk niets gestolen had.

Verschrikt sprong hij op, toen Lord Euston en graaf Rammler op hem toetraden.

„Sta mij toe, dat ik uw zakken onderzoek, mijnheer”, sprak Lord Euston.

„Het spijt mij”, antwoordde de oplichter, „ik heb niets in mijn zakken, dat u zou kunnen interesseeren”.

„En toch zou ik graag eens willen kijken”, hield Lord Euston vol.

Voordat Raoul Navazka het kon beletten, haalde Lord Euston uit een der borstzakken van den zwendelaar, behalve eenige brieven, de portefeuille te voorschijn, die Raffles hem had gegeven.

Nauwelijks had Charly Brand deze gezien, of hij riep uit:

„Aha, heeren! Dat is mijn eigendom! Schurk, hoe kom je in het bezit van mijn portefeuille?”

Navazka zette bij deze beschuldiging zulk een verbaasd gezicht, dat Charly Brand moeite had om niet in lachen uit te barsten.

Alle aanwezige heeren omringden den avonturier en overlaadden hem met uitdrukkingen van verontwaardiging.

Eerst nu begon Raoul Navazka te begrijpen, in welke gevaarlijke positie hij zich bevond.

„Wel duivels!” riep hij uit, „wat is dat voor een ongepaste aardigheid! Die portefeuille kreeg ik een half uur geleden van dien heer”,—hij wees naar Raffles, die, terwijl hij een cigarette rookte, spottend naar hem keek.

„Wat?” riep Lord Euston uit, „Lord Gravenshall!”—onder dien naam stond Raffles in de club bekend—„heeft u hem deze portefeuille gegeven?”

Alle heeren lachten.

Raffles naderde Lord Euston en sprak:

„De kerel probeert zich er handig uit te liegen.”

„Wat?” riep Raoul Navazka, „durft gij mij van leugens te beschuldigen? Voor den duivel, ik zal u den nek breken! Gij hebt mij zelf deze portefeuille in tegenwoordigheid van graaf Rammler gegeven, opdat ik u niet aan de politie zou verraden.

Want, heeren, deze man is niet Lord Gravenshall, maar John Raffles, de meesterdief!”

Een nieuw gelach weerklonk van de lippen der aanwezige clubleden.

„Die man is een komiek!” riep Lord Euston uit, „wat moeten wij met hem aanvangen?”

„Aan de politie overleveren!” riepen verscheiden stemmen tegelijk.

„Gij hebt gelijk,” vond Raffles, „laat ons de politie waarschuwen, opdat die hem in veilige bewaring brengt.”

De bediende moest Raoul Navazka in een der vertrekken opsluiten, wat onder luid protest van den zwendelaar gebeurde.

Daarop vertrokken de heeren, want de meeste van hen waren niet gesteld op een ontmoeting met de detectives en eventueele verhooren.

Toen Raffles zijn pelsjas aantrok, kwamen de detectives van het naaste politiebureau juist het gebouw binnen.

Raffles hoorde, hoe Lord Euston hun het geval uitlegde en tot hen sprak:

„Wilt u mij volgen?”

Daarop reed Raffles met Charly Brand in een huurrijtuig naar huis en eenige minuten later zat Raoul Navazka weer in een der cellen van de Londensche gevangenis, waar hij erover kon nadenken, hoe hij de duizend pond van inspecteur Baxter op een andere wijze zou kunnen verdienen.

Zijn bewijs van invrijheidstelling had Raffles hem met andere schrifturen afgenomen.

Den volgenden dag werd de oplichter in Scotland Yard voor inspecteur Baxter gebracht.

„Waar komt gij vandaan?” vroeg deze, terwijl hij den binnentredende, die zwaar geboeid was, verbaasd aankeek.

„Van Raffles”, antwoordde Raoul Navazka met een [26]verdrietige uitdrukking op bet gelaat, „hij heeft mij gevangen laten nemen.”

„Prachtig!” riep detective Marholm, „schitterend! Ik had iets dergelijks reeds vermoed.

In plaats dat deze man Raffles gevangen neemt, stuurt Raffles hem op deze wijze aan ons terug.

Gij zult in uw heele leven de duizend pond niet verdienen.

Gij zijt zoowel voor detective als voor misdadiger te dom!”

„Houd uw opmerkingen voor u en bemoei u met uw werk!” riep Baxter woedend, „ik geef de hoop niet op, dat het Raoul Navazka toch nog zal gelukken om Raffles te vangen. Dat, wat hem is overkomen, kan iedereen gebeuren.”

Hij nam den oplichter mee in een ander vertrek, opdat detective Marholm niet zou hooren, wat zij samen bespraken.

„Ik ben ervan overtuigd”, zoo begon hij, „dat gij er naar verlangt, u op Raffles te wreken!”

„De duivel hale dien kerel!” bromde de avonturier, „het liefst zou ik hem neerschieten, zoodra ik hem weer ontmoet. En ik denk wel, dat ik hem terug zal vinden, want in de portefeuille, die hij mij gaf en die hij mij daarna weer liet afnemen, onder de zware beschuldiging, het ding te hebben gestolen, vond ik een visitekaartje, waarop een adres stond. Ik ben van meening, dat het het adres van Raffles is!”

„Waar is dat visitekaartje?” vroeg inspecteur Baxter, „geef het mij eens. Ik zal het huis van Raffles dadelijk laten omsingelen en hemzelf, als hij er aanwezig is, gevangen nemen.”

„Het spijt mij”, antwoordde Raoul Navazka, „ik bezit het kaartje niet meer. Het bevindt zich in de portefeuille, die Raffles mij weer afnam.”

„Gij zijt inderdaad een ongeluksvogel”, antwoordde inspecteur Baxter, „maar misschien herinnert gij u nog het adres, dat op het kaartje stond.”

„Zoo ongeveer, maar ik geloof, dat ik binnen een paar dagen zal hebben uitgevonden, welk nummer de woning van Raffles aan het Waterlooplein draagt.

Vóór alles heb ik daarvoor geld noodig!”

„Natuurlijk”, sprak de inspecteur van politie, „ik zal u dadelijk honderd pond sterling bezorgen en u tevens een detective meegeven.”

„Dank u”, antwoordde Raoul Navazka, „de honderd pond sterling kan ik wel gebruiken, maar den detective niet, die zou mij maar tot last zijn bij mijn navorschingen.”

Na een kwartier verliet de zwendelaar voor den tweeden keer het hoofdbureau van politie om de jacht op Raffles te vervolgen.

Toen detective Marholm van het geval hoorde, dacht hij:

„De inspecteur is werkelijk ten einde raad. Jammer van de honderd pond en van de leege cel.

Maar zoo is onze vriend Baxter nu eenmaal: als hij eens voor een enkel keertje werkelijk een goede vangst heeft gedaan, dan laat hij die weer loopen!” [27]