Het was omstreeks acht uur in den morgen, toen de telefoon overging in het dienstvertrek van het sombere hoofdbureau van politie in Downing Street, Scotland Yard.
Een der brigadiers, die nachtdienst had gehad, en nu pas wat kon uitrusten, stond slaperig op, en nam het toestel onverschillig in de hand.
Maar hij had nauwelijks eenige woorden gehoord, of zijn gelaat nam een verschrikte uitdrukking aan, en hij trok een kleine bloc-nota naar zich toe, waarop hij haastig eenige woorden neerschreef, terwijl hij mompelde, Ormond Street 312, Majoor Wigmore, dood in zijn kamer, dank u, wij komen onmiddellijk.
De brigadier hing het toestel weder aan den haak en greep zijn pet.
—Iets belangrijks, Houston? vroeg een zijner collega’s lusteloos.
—Majoor Wigmore van het veertiende regiment lanciers is in zijn woning vermoord gevonden, en het heele huis is onderste boven gehaald, antwoordde de brigadier op korten toon.
Zijn collega deinsde verschrikt achteruit en riep:
—Inbraak met moord dus? Alweer? Het wordt vreeselijk in den laatsten tijd.
Houston luisterde reeds niet meer, maar had het dienstvertrek verlaten, waar de agenten zaten te domineeren of te dammen, te lezen of te slapen, en volgde nu een breede, sombere gang, die meestal met gas verlicht moest worden, en klopte toen op een zware eikenhouten deur, die toegang gaf tot het vertrek, waar zich meestal de rechercheurs ophielden.
Op het oogenblik waren er vier aanwezig, die in een gesprek met elkander waren, dat op zachten toon gevoerd werd.
Een der schoonmaaksters had zooeven een kan heete koffie binnengebracht, en zij deden zich thans aan dien verkwikkenden drank te goed, want het was buiten bitter koud, onverwacht had de winter zijn intrede gedaan. [2]
—Wat is er, Houston? vroeg een der detectives, Grim geheeten.
—Er is iets zeer ernstigs, mijnheer, inbraak met moord.
En de detective zeide hetzelfde als zooeven de brigadier:
—Wat? alweder? zal dat dan nimmer ophouden? Waar is het?
—Majoor Wigmore, Ormond Street 312.
—Dat is in het West-End! merkte een der andere rechercheurs op.
—Is het je getelefoneerd? vroeg Grim, die reeds was opgestaan en zijn hoed had gegrepen.
—Ja, de huisknecht was aan de telefoon.
—Wij gaan er aanstonds op af, zeide Grim vastberaden.
Hij raadpleegde zijn horloge en vervolgde:
—Zeg aan den hoofdinspecteur wat wij doen, en zorg voor twee mannen.
Juist op dit oogenblik werd de deur geopend, en trad er een man binnen van middelmatige lichaamslengte, maar stevig gebouwd en met een energiek lichtgebruind gelaat, waarin twee grijsbruine, schrandere oogen schitterden, overwelfd door dichte, fraai geteekende wenkbrauwen, die van stoutmoedigheid en een vasten wil getuigden.
Deze man was James Sullivan, een der beste speurhonden van Scotland Yard, ofschoon hij nog niet lang geleden was aangesteld.
Aan hem was het te danken dat er in den laatsten tijd veel bedrijvers van zware misdaden gevat waren, en gestraft konden worden, en men rekende hem onder een der meest succesvolle detectives van het geheele Londensche politiekorps.
Hij zou dus als politiebeambte volmaakt gelukkig zijn, als dat geluk niet verduisterd werd door een zware wolk, en dat was de omstandigheid, dat hij er nog altijd niet in geslaagd was, zijn grootsten tegenstander John Raffles, meester te worden, en aan de wrekende hand der justitie over te leveren.
Vele maanden geleden was James Sullivan er eens in geslaagd, den Grooten Onbekende in handen te krijgen, maar zijn zegepraal duurde slechts kort, want pas weinige uren later had Raffles op een inderdaad wonderbare manier weder weten te ontsnappen.
En lang daarvoor was het hem nog eens gelukt, de hand te leggen op den gentleman-inbreker, maar met even weinig duurzaam succes.
Sullivan was op dit oogenblik vergezeld van een jong meisje van omstreeks vijfentwintigjarigen leeftijd met een bekoorlijk gelaat, dat echter tevens getuigde van wilskracht en groote schranderheid.
Zij was een leerlinge van Sullivan en haar naam was Dorrit Evans.
Zij had het reeds ver gebracht in de moeilijke kunst van het vangen van misdadigers, en door haar samenwerking met haren leermeester had zij veel van diens methodes overgenomen.
En het was nog altijd haar brandende eerzucht, John Raffles te helpen vatten en het zoo mogelijk geheel alleen te doen.
Op Scotland Yard herinnerde iedereen zich nog hoe bijna anderhalf jaar geleden het jonge meisje, hetwelk toen pas haar aanstelling als detective had gekregen, zich de taak had gesteld als eerste daad van eenig belang John Raffles te vangen!
Men had er wat om gelachen—en toch had het toen maar heel weinig gescheeld of de gentleman-inbreker had het onderspit moeten delven voor de weergalooze slimheid van dit jonge meisje!
Zij was bedreven in alle takken van sport, en hanteerde de revolver met even veel zekerheid als de roeispaan.
Zij reed voortreffelijk paard, zij kon een motorrijwiel evengoed besturen als een renwagen, en ook de behandeling van een sneltrein had voor haar geen geheimen.
Zij had op zwemwedstrijden verscheidene prijzen gewonnen en eens had zij het stoute stukje verricht, geheel gekleed van de Tower Bridge in de Theems te duiken, ten einde een klein meisje te redden, dat uit een sloepje was gevallen.
Zelfs in het boksen had Dorrit Evans het tot een aanzienlijke hoogte gebracht en zij nam steeds trouw les in schermen en de Japansche worstelkunst.
In het kort—deze stoutmoedige jonge dame had desnoods dadelijk kunnen optreden als de heldin in een van die filmdrama’s vol avonturen, waarvan het op sensatie beluste publiek zoo smult.
De andere rechercheurs waren aanstonds opgestaan, ten einde hun chef te begroeten. [3]
—Ik hoorde een paar woorden in de gang, Houston! zeide Sullivan. Weet je niet meer van de zaak?
—Niets mijnheer!
—Ik was juist voornemens er heen te gaan Sullivan! liet Grim zich hooren.
—Dan vergezel ik je! zeide Sullivan.
—Mag ik met u meegaan? vroeg Dorrit Evans.
—Het is een moord, Miss Dorrit! zeide Sullivan op ernstigen toon, en ik weet niet.…..
—Kom, ik zal mij daaraan toch ook moeten gewennen, zeide het jonge meisje vastberaden tot Sullivan. Ik beloof u dat ik sterk zal zijn.
—Welnu, laten wij dan spoedig gaan! hernam Sullivan.
De twee mannen, vergezeld van het jonge meisje, verlieten haastig het vertrek, en staken de groote binnenplaats over, waarop ook de deur uitkwam van de groote garage waar dag en nacht eenige snelle auto’s gereed stonden.
Een paar minuten later snelde een dezer wagens, door een agent bestuurd, door de straten van Londen, en reed naar het huis waar de misdaad had plaats gehad.
De Ormond Street ligt in het hartje van het West End, en is een vrij stille, deftige straat, niet verontrust door het lawaai van de reusachtige omnibussen of electrische trams.
Het huis dat het nummer drie honderd twaalf droeg, was een tamelijk groot gebouw, waarvan de benedenste twee verdiepingen bewoond werden door Majoor Richard Wigmore en zijn bediende.
De majoor was omstreeks vijf en veertig jaar en leefde gescheiden van zijn vrouw, met wie hij ongeveer twee jaren geleden getrouwd was.
Hij stond algemeen als zeer rijk bekend, en bezat een paar renpaarden, een motorjacht en groote landgoederen in Warwickshire.
Ook wist Sullivan, dat hij lid was van de Windsor-club en van de Derbyclub, twee der duurste en deftigste clubs van geheel Londen.
De auto stond stil voor een breede koetspoort, en Sullivan zag dat er reeds een politiepost voor het huis was geplaatst.
De man herkende Sullivan dadelijk, en salueerde.
—Niemand in of uit gegaan, agent? vroeg Sullivan, die reeds uit de auto was gesprongen.
—Niemand sinds de misdaad ontdekt werd, mijnheer!
—Wie heeft je hier op post gezet?
—De commissaris van het bureau in de Keppel Street, mijnheer! Daarheen had de huisknecht het eerst getelefoneerd en de commissaris verwees hem naar Scotland Yard.
—Is er een geneesheer gehaald?
—Wij verwachten hem ieder oogenblik, mijnheer.
Sullivan knikte den man toe en belde aan.
De deur werd geopend door een huisknecht, een man van omstreeks zestigjarigen leeftijd met bleek gelaat en roode oogen.
Zijn mond vertrok zich krampachtig, toen Sullivan zijn naam en kwaliteit noemde, en hij had blijkbaar moeite, niet in snikken uit te barsten.
De rustige, heldere stem van Sullivan scheen hem echter tot kalmte te brengen en hij antwoordde zonder zich lang te bedenken op de weinige vragen welke Sullivan hem stelde.
—Zijt gij reeds lang bij uw meester in dienst?
—Twintig jaren, mijnheer! Ik heb ook bij den vader van den majoor gediend!
—Hoe laat zijt gij gisteren naar bed gegaan?
—Om elf uur, mijnheer!
—Hebt gij iets gemerkt—gerucht gehoord?
—Niets, mijnheer!
—Hoeveel bedienden zijn er behalve u nog?
—Nog drie—de kok, de kamerbediende en de butler.
—Slapen die alle drie hier in huis?
—Alleen de kok slaapt buitenshuis.
—Waar zijn nu de andere bedienden?
—In het dienvertrek!
—Het is goed! Ik zal hen aanstonds ondervragen. Breng mij nu naar de kamer waar het geschied is! Maar zeg mij eerst eens hoe gij heet!
—Brix, mijnheer. Henry Brix.
Sullivan had den naam opgeschreven en nu volgden de politiemannen den ouden bediende, die hen voorging door de groote hal, naar een trap, die met een flauwe bocht omhoog liep, en vervolgens door een breede gang tot voor een deur, die door een agent van politie bewaakt werd. [4]
—Dit is de werkkamer van den majoor, mijnheer! zei de Brix op zachten toon. Achter deze deur is het geschied!
Sullivan knikte en zeide toen:
—Ik wilde wel, dat gij mede naar binnen gingt, want ik zal u nog wel eenige vragen moeten stellen. Gij hebt er immers niets op tegen, Grim?
—Volstrekt niet! gaf de rechercheur te kennen. Als gij mij slechts veroorlooft, nu en dan ook een paar vragen te stellen!
—Dat spreekt van zelf!
De agent had plaats gemaakt, en Sullivan, Grim en miss Dorrit Evans traden het vertrek binnen, terwijl de agenten die hen vergezeld hadden, buiten de deur bleven wachten, tot men hun diensten zou behoeven.
De kamer was zeer groot en met verfijnde weelde gemeubeld.
De meubels, in Queen Anne stijl, waren van palissanderhout vervaardigd, kunstvol ingelegd met rozenhout. Hier en daar stonden gemakkelijke clubfauteuils, en op den vloer lag een zeer kostbaar Perzisch tapijt.
Voor de drie ramen hingen dikke, fluweelen gordijnen, die op dit oogenblik half dicht waren geschoven, en in een der hoeken van het vertrek, stond een divan, belegd met fraaie kussens, overtrokken met zijde en brokaat.
Tegen een der muren was een zware boekenkast geplaatst, en boven den schoorsteenmantel hing een kostbaar wapenrek.
Behalve de deur die op de gang uitkwam, bezat dit vertrek nog twee andere deuren.
Een daarvan kwam uit op de biljartkamer, de tweede op een soort werkkamer, en daar stond tevens de brandkast.
Op de divan lag een beweginglooze gestalte, met een wit laken overdekt.
Sullivan trad er op toe, en lichtte het laken op.
Hij keek even naar het wasbleeke gelaat van den man, die daar lag, en bukte zich toen voorover, ten einde het lichaam te onderzoeken, hetwelk nog niet was ontkleed.
Vest en voorzijde van de smoking waren met bloed bevlekt, en het overhemd was aan de voorzijde eveneens gevlekt.
Toch scheen het, dat de wonde niet sterk gebloed had.
In de linkerborst was een klein, bijna zuiver rond gat te zien, want de kleederen waren opengeknoopt, evenals het ondergoed, van donkerblauw zijde vervaardigd.
Sullivan beschouwde de wonde eenigen tijd en zeide toen op zakelijken toon:
—Een revolverkogel, die waarschijnlijk in het hart is gedrongen en den dood bijna onmiddellijk heeft teweeg gebracht. Vermoedelijk was de kogel van gering kaliber. Het schot moet op dichten afstand zijn afgevuurd, want het overhemd is licht geschroeid.
Hij richtte zich op en zeide tot een der agenten die hem hadden vergezeld:
—Als het nog niet gedaan is, moet er dadelijk om den coroner getelefoneerd worden, opdat hij het lijk zal kunnen schouwen. Een geneesheer zal hier echter niets meer kunnen uitrichten!
Juist op dat oogenblik verscheen er een heer op den drempel, die eenige woorden met de agenten wisselde, die voor de deur stonden, en daarop het vertrek binnen trad.
Hij ging op de kleine groep voor de divan toe, en zeide, terwijl hij zich tot Sullivan wendde:
—Ik ben dokter Hayslop. Men heeft mij hier ontboden in verband met een moordzaak. Gij zijt zeker van de politie?
—Mijn naam is Sullivan, detective, antwoordde deze. Mag ik vragen of gij de huisdokter van majoor Wigmore zijt?
—Zoo kan ik mijzelf bijna niet noemen, mijnheer, antwoordde de geneesheer. Ik behandelde den majoor, als hij ziek was, maar dat gebeurde zoo goed als nooit. Wilt gij mij toestaan, dat ik hem even onderzoek? Ik heb reeds gezien, dat hier geen hulp meer kan baten.
—Ga uw gang, dokter, zeide Sullivan.
De geneesheer klemde een lorgnet op zijn neus en bukte zich over den doode.
Hij bekeek de wonde nauwkeurig, haalde een klein étui uit zijn binnenzak, opende het en nam er een instrument uit, een sonde, welke hij voorzichtig in de wonde bracht en er daarop weder uithaalde.
—De kogel heeft juist het hart kunnen treffen, zeide hij toen. Maar hij is zeker afgevuurd uit een minderwaardig [5]wapen en als majoor Wigmore een dikke jas had aan gehad inplaats van een smoking, dan geloof ik niet, dat de kogel er door zou zijn gegaan!
—De dood is natuurlijk onmiddellijk ingetreden? vroeg Dorrit Evans, die naderbij was getreden, en nauwlettend had toegezien.
—Onmiddellijk, miss! antwoordde Hayslop.
De geneesheer had zich weder opgericht en zeide:
—Ik heb hier niets meer te doen, mijnheer! Ik kan slechts den dood constateeren—het overige zal ik moeten overlaten aan mijn collega van de rechtbank!
Hij maakte een buiging voor de aanwezigen, noteerde onder het loopen iets in zijn zakboekje en verliet het vertrek.
—Nu zullen wij ons onderzoek maar eerst eens voortzetten, zeide Sullivan, toen de deur weder gesloten was.
Hij ging naar de groote schrijftafel die bij een der ramen stond en bekeek het meubel aandachtig.
Verscheidene laden waren geopend, maar het was nergens aan te zien, dat er geweld was gebruikt. Blijkbaar waren zij allen geopend met de sleutels welke er op pasten.
Maar allen waren zij doorzocht, dat was duidelijk te zien aan de verwarring, welke er in alle laden heerschte.
Dat was des te meer het geval in het aangrenzende vertrek, waar de brandkast stond, want daar lag alles overhoop.
De kast zelve, een klein, maar stevig meubel, was eerst van den muur gerold waartegen zij geleund had, en daarop had men de achterzijde, denkelijk met behulp van een zuurstofvlam, welke een vreeselijke hitte kan ontwikkelen, open gesmolten.
De boeken, welke in de kast hadden gelegen, benevens een paar houten en ijzeren kistjes, lagen over den vloer verspreid, na van hun inhoud te zijn ontdaan, voor zoover die eenige waarde had, en de meubelen waren van hun plaats verschoven.
Op het prachtige vloerkleed waren de sporen te zien van modderige laarzen, maar die stonden zoo kris en kras door elkaar, dat men er niet veel aan had.
Uit een wandkastje hadden de inbrekers—want er waren er stellig minstens twee geweest, daar één man alleen onmogelijk de zware kast van haar plaats had kunnen krijgen—een flesch port genomen, er de hals afgeslagen en zich aan den inhoud te goed gedaan.
Sullivan overzag dit alles met een vluchtigen blik, zich voorbehoudend, later een grondiger onderzoek in te stellen, en daarop ging hij weder naar het eerste vertrek terug, waar de oude bediende onbewegelijk op dezelfde plek was blijven staan.
De detective ging op Brix toe, en vroeg:
—Wie heeft majoor Wigmore het eerst gevonden?
—Ik, mijnheer! Ik kom hem iederen morgen roepen, en daar ik op mijn kloppen geen gehoor kreeg, opende ik de deur van de slaapkamer en zag tot mijn verbazing, dat het bed in het geheel niet beslapen was! En toch wist ik, dat mijn meester het huis niet meer verlaten had, nadat hij van de opera was teruggekeerd met een weinig hoofdpijn, zoodat hij het einde niet had afgewacht. Ik ging dus eens kijken of mijnheer misschien ergens anders was—en vond hem hier, midden in de kamer uitgestrekt op den grond liggen—dood!
—Wat deed gij toen?
—Ik schrok hevig, en wilde mij natuurlijk allereerst overtuigen, of er wellicht nog leven in het lichaam school. Toen ik mijn hand op de borst van den majoor legde, raakte ik een klein papiertje aan, dat op zijn lichaam was nedergelegd.
—Wat zegt gij daar? riep Sullivan in de hoogste verbazing uit. Een papiertje? Maar daar hebt gij mij niets van gezegd!
—Mijnheer heeft er mij immers nog niet naar gevraagd, zeide de oude man deemoedig.
—Waar is dat papiertje? vroeg Sullivan haastig.
—Ik heb het in mijn zak gestoken, mijnheer!
—Laat het aanstonds eens zien! kwam de detective.
Brix stak de hand in den zak en haalde er een klein, blijkbaar van een grooter stuk afgescheurd vodje papier uit, hetwelk hij Sullivan overhandigde.
Deze wierp er een blik op en las op halfluiden toon het eenige woord, hetwelk er met groote letters op geschreven stond.
Dat woord luidde: „Waverghem”. [6]