[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

Het onderzoek duurt voort.

De aanwezigen keken elkander verbluft aan, en eenigen tijd heerschte er stilte in het groote vertrek.

Toen liet de heldere stem van Sullivan zich weder hooren.

—Waverghem—wat kan dat te beteekenen hebben?

Niemand antwoordde.

—Lag dit papiertje dus op de borst van uwen meester? vroeg de detective, terwijl hij zich opnieuw tot den ouden bediende wendde.

—Ja, mijnheer—op de rechterzijde van de borst!

—Merkwaardig! bromde Sullivan voor zich heen. Dat is niet de gewoonte van inbrekers! Nu, wij zullen later wel ontdekken, wat dit zonderlinge woord beteekent!

Hij vouwde het papiertje op, maar bedacht zich, opende het weder, en trad op de schrijftafel toe.

Hij zocht onder de papieren en riep na eenigen tijd zegevierend uit:

—Hier is het vel, waarvan dit stukje papier is afgescheurd! Wij hebben dus in ieder geval te doen met een spontane handelwijze, pas door den moordenaar verzonnen, nadat de daad gepleegd was!

Hij stak het stukje papier nu in zijn zakportefeuille en vroeg Brix:

—Hoe laat zeidet gij ook weer, dat gij gisteravond naar bed zijt gegaan?

—Om elf uur.

—Juist. Is dat de gewone tijd?

—O neen! Het wordt wel eens veel later! Dat hangt er natuurlijk geheel en al van af, tot hoe lang mijnheer ons noodig heeft. Soms werd het wel eens één uur of nog later.

—Waarom was het dan gisteren zoo vroeg?

—Ik zeide u reeds, dat mijnheer met een weinig hoofdpijn uit de opera was thuis gekomen. Toen ik hem van hoed en overjas ontdeed, zeide hij, dat wij wel naar bed konden gaan als wij er lust in hadden, daar hij ons niet meer zou noodig hebben.

—Hoe laat was dat?

—Kwart over tienen ongeveer.

—Zei uw meester, dat hij ook dadelijk naar bed zou gaan?

—Hij zei, dat hij in de rookkamer nog even de bladen zou lezen, en een antipyrinepoeder zou innemen.

—Weet gij, of hij dat inderdaad gedaan heeft?

—Dat kon hij niet doen, want toen kwam de bezoeker.

Sullivan meende niet goed verstaan te hebben.

—De bezoeker? herhaalde hij verbaasd. Welke bezoeker?

—Wel, de heer, die den majoor had willen spreken!

Sullivan zoowel als Dorrit Evans begrepen als bij instinct, dat de zaak een onverwachten keer ging nemen, en dat zij misschien spoedig in staat zouden zijn zich een duidelijke voorstelling te vormen van de toedracht der feiten.

De detective vroeg:

—Wie was die heer?

—Dat weet ik niet. Ik had hem nooit van te voren gezien.

—Noemde hij dan geen naam?

—Hij zeide, dat dat niet noodig was, daar mijnheer hem toch niet kende. [7]

—En liet de majoor dan een onbekenden heer zoo laat op den avond bij zich toe?

—De bezoeker zeide, dat hij den majoor over een zeer gewichtige zaak moest spreken. Daarom is hij ook zeker twee keer geweest!

Sullivan begon in te zien, dat hij met een man te doen had, die zeker niet uit zich zelf een aaneengeschakeld verhaal van het gebeurde zou geven, en telkens met nieuwe, opzienbarende mededeelingen kwam aandragen, waarvan hij blijkbaar zelf de draagkracht niet begreep.

Hij besloot dus geduldig te zijn en den ouden man niet door onderbrekingen van de wijs te brengen.

Rustig hernam hij:

—Die bezoeker was er dus vroeger in den avond ook al geweest?

—Ja, mijnheer.

—Hoe laat ongeveer?

—Het moet omstreeks acht uur zijn geweest, want de majoor was juist naar het operagebouw gereden.

—Hoe laat kwam hij voor de tweede maal?

—Om kwart over tien, zooals ik u zooeven al zeide.

—Dus juist, nadat majoor Wigmore was thuis gekomen?

—Ja, het kan niet veel meer dan vijf minuten later zijn geweest.

—Maakte de majoor in het geheel geen bezwaren, om dien laten bezoeker te ontvangen?

—In het eerst wel. Hij vroeg mij, hoe hij er uitzag, en hoe oud hij zoowat kon zijn, maar toen ik hem had gezegd, dat hij er heel deftig uitzag, en dat ik hem een jaar of vijf-en-twintig gaf, haalde de majoor de schouders op en zeide dat ik den bezoeker dan maar bij hem moest laten.

—Waar waart gij toen?

—Hier, in deze kamer.

—Hoe lang is die bezoeker gebleven?

—Dat weet ik niet, mijnheer.

—Weet gij dat niet? Gij zult hem toch wel hebben moeten uitlaten? kwam Dorrit Evans verbaasd.

—Neen, miss, antwoordde Brix. De majoor belde in het geheel niet om mij, en toen ik om elf uur nog eens langs de kamer liep, was alles stil, en dus dacht ik dat de majoor zelf zijn bezoeker naar de deur had gebracht, en zich daarop dadelijk naar zijn slaapkamer had begeven.

—Dus het kwam niet bij u op, dat uw meester misschien met zijn bezoeker het huis had verlaten?

—Als hij dat gedaan had, dan zou hij mij of den butler zeker gewaarschuwd hebben! Bovendien—toen ik door de vestibule liep, hingen daar alle overkleederen van den majoor—zijn duffel, zijn overjas en zijn pels.

—Hoe stond het met de andere bedienden? Wisten die van dat alles niets af?

De butler had gisteravond vrijaf, en kwam pas om half twaalf thuis. Aan den kamerbediende heb ik niets gezegd. De kok was al lang weg.

—Zoudt gij den bezoeker herkennen als gij hem terug zaagt?

De bediende scheen even te aarzelen en antwoordde toen:

—Ik weet het niet—ik geloof het haast wel. Hij had zijn hoed diep in de oogen gedrukt en nam dien pas af, toen hij de kamer van den majoor zou binnentreden.

—Waar waart gij gedurende den tijd, dien het bezoek volgens u ongeveer moet hebben geduurd?

—In het dienvertrek.

—Is dat ver van deze kamer verwijderd?

—Ja, het is gelijkvloers in het achterhuis.

—Het is dus mogelijk, dat er in deze kamer een schot is gelost, zonder dat de bedienden dat hebben gehoord? vroeg Dorrit.

De oude man haalde de schouders op en antwoordde:

—Ik geloof—een geweerschot zou men toch zeker wel hooren!

—Wij zullen aanstonds wel zien! hernam Sullivan. Ik geloof dat daar de coroner reeds aankomt.

Inderdaad werd de deur geopend en er traden twee heeren binnen, de coroner, vergezeld door een anderen gerechtsgeneesheer.

De eerste liet zich snel door Sullivan op de hoogte brengen, met wien hij reeds herhaaldelijk had samengewerkt, en trad daarop met zijn collega op de divan toe, waar het lichaam van den vermoorde lag.

Een oogenblik later waren de beide heeren in hun onderzoek verdiept, waarbij zij op fluisterenden toon een gesprek voerden, dat door niemand gehoord werd. [8]

Sullivan en Miss Evans hadden hun onderzoekingen zwijgend en zonder gerucht te maken voortgezet.

Eindelijk richtte de coroner zich weder op, en kwam naar Sullivan toe.

Hij had een klein voorwerp in de hand, hetwelk hij met zijn zakdoek scheen af te wrijven.

Het was een kleine revolverkogel, die slechts in geringe mate misvormd was.

Hij legde het op de palm van zijn hand, en liet het Sullivan zien.

—Wat zegt gij daarvan, mijn waarde Sullivan?

De detective nam het kogeltje tusschen duim en wijsvinger en behoefde er slechts een blik op te werpen, om met zekerheid te zeggen:

—Een kogel uit een ordinaire bazarrevolver, een prul van een paar shilling. Geheel van lood, zonder stalen mantel en van gering kaliber. Naar ik schat stak de kogel zes of zeven millimeter in het hart, dokter.

—Voor zoover ik met de sonde kon nagaan, had het projectiel juist den hartwand doorboord! Als de majoor een dikke jas gedragen had, zou de kogel er waarschijnlijk niet doorheen zijn gegaan.

—Diezelfde opmerking heb ik zooeven ook reeds hooren maken, kwam Sullivan glimlachend. Dit doet intusschen niets af aan het afschuwelijke van deze misdaad—ten minste dat zou ik zeggen!

Maar nu trad Dorrit op hen toe en zeide:

—Vindt gij het niet vreemd, dat inbrekers zich bedienen van zulk een minderwaardig wapen?

—Ja, dat is eigenaardig genoeg! gaf Sullivan peinzend te kennen. Want het is natuurlijk buiten twijfel, dat die bezoeker den weg heeft gebaand voor zijn makkers en hen waarschijnlijk later heeft binnen gelaten.

Maar het jonge meisje schudde langzaam het hoofd en zeide:

—Ik weet het niet—ik vind het wel wat zonderling om op deze wijze op te treden. Hebt gij er ooit van gehoord, meester, dat inbrekers een hunner vooruit zenden om het slachtoffer te vermoorden en pas daarop binnendringen?

Sullivan knikte bevestigend.

—Daar weet ik zelfs verscheidene gevallen van, Dorrit! kwam hij. Laat ik er echter dadelijk aan toevoegen, dat het hier inbraken gold in een afgelegen huis op het platte land, dat slechts door een paar oude menschen bewoond werd.

—Het nadere onderzoek zal ons wel wijzer maken! meende het jonge meisje.

Sullivan had zich weder tot den coroner gewend en vroeg nu:

—Waarde dokter, zoudt ge mij ook reeds kunnen zeggen, of hier aan zelfmoord kan worden gedacht?

De gerechtsgeneesheer dacht even na, en gaf toen ten antwoord:

—Geheel onmogelijk is het niet, maar dan zou de doode het wapen op een eigenaardige, geforceerde wijze hebben moeten vasthouden, want het kogelkanaal staat loodrecht op de oppervlakte van de borst. Als de majoor zichzelf van het leven had willen berooven, dan zou dat kanaal zeker veel schuiner hebben geloopen, en er is nog iets—een oud-soldaat zal zich maar hoogstzelden door het hart en in de allermeeste gevallen door het hoofd schieten, waaraan dat is toe te schrijven weet ik niet, maar ik kan u verzekeren dat het zoo is!

—Uit medisch oogpunt kunnen wij dus wel vaststellen, dat zelfmoord zeer onwaarschijnlijk is, merkte Sullivan op. Nu zullen wij eens zien hoe het er mee staat op technisch gebied! Om te beginnen kunnen wij het gerust als vaststaande beschouwen, dat een man als majoor Wigmore geen bazar-prul in zijn zak zal dragen als waarmede dit kogeltje is afgedrukt!

Hij wendde zich tot Brix, die onbewegelijk bij het raam was blijven staan.

—Hebt gij hier een wapen, een revolver of een pistool op den grond gevonden?

—Neen, mijnheer, antwoordde de bediende.

—Hebt gij de kleederen van uw meester onderzocht?

—Wij hebben hem niet aangeraakt, mijnheer, behalve om hem op den divan te leggen.

Sullivan trad op het lichaam van den doode toe, stak de hand in den revolverzak en haalde er een Browning van klein kaliber uit, een voortreffelijk wapen, dat nog op drie honderd pas afstand een stalen kogel door een eiken plank van twee duim dikte joeg.

De detective schoof de sluitplaat van de kolf terug, [9]en zag dat de pistool met zeven kogels geladen was, een in den loop, en zes in het magazijn.

—Het is duidelijk, dat de majoor zelfs geen gelegenheid heeft gehad, naar dit wapen te grijpen en dat hij dus waarschijnlijk bij verrassing overvallen is! mompelde Sullivan voor zich heen.

Hij keerde zich opnieuw tot Brix, en vroeg:

—Hebt gij den indruk gekregen, alsof uw meester den bezoeker kende, toen gij deze bij hem binnen liet?

—Daarop zou ik u geen antwoord kunnen geven, mijnheer—ik heb alleen maar de deur geopend en den bezoeker binnen gelaten.

De majoor stond uit zijn stoel op en trad hem een paar passen tegemoet. Ik heb slechts een seconde zijn gelaat gezien, maar ik geloof niet dat hij den bezoeker herkende—met zekerheid durf ik het echter niet te zeggen.

Sullivan had de browning op de schrijftafel neêrgelegd, en begon nu alle zakken leeg te halen van de kleederen welke de doode droeg. Hij vond daar een portefeuille in, een gouden cigarettenkoker, een klein schildpadden zakmes, een zilveren sigarenaansteker en nog eenige andere voorwerpen, welke hij allen zorgvuldig bij elkander op de tafel legde.

Den sleutelbos had hij reeds vroeger op een der laden van de groote schrijftafel gevonden.

Hij stond nu in gedachten verdiept midden in de kamer met de gebalde vuisten in de zijde gesteund, en liet zijn blikken langzaam in het rond waren.

Toen richtte hij eensklaps het hoofd met een energieke beweging op, en riep:

—Wij zullen nu eens verder zoeken, vrienden! En wij willen mijnheer den coroner hier rustig zijn rapport laten opmaken.

De politiebeambten begaven zich nu naar het aangrenzend vertrek en onderzochten daar zoo nauwkeurig mogelijk de brandkast, in de hoop, ergens een vingerafdruk te zullen zien.

Zij waren bijna een kwartier bezig geweest, maar toen was Dorrit ook zoo gelukkig een zeer duidelijken afdruk te vinden op den bovenkant van de kast, waar blijkbaar iemand met de volle hand op had gerust.

—Dat is werk voor onzen fotograaf en onzen conservator! riep zij tevreden uit. Een scherpe indruk, nietwaar mijnheer Sullivan.

Sullivan knikte voldaan en antwoordde:

—Dit is althans iets waaraan wij houvast hebben! Wat de inbraak betreft, deze kast is met groote bekwaamheid geopend door lieden die blijkbaar over een langjarige ervaring beschikken.

—Gelooft gij niet dat.….. hij het misschien gedaan heeft? vroeg Dorrit op fluisterenden toon.

—Wien meen je? John Raffles? kwam Sullivan even zacht. Neen, dat acht ik volkomen onmogelijk. Er zijn honderd redenen voor één die het tegen spreken.

Ten eerste zou Raffles zijn slachtoffer nimmer om het leven brengen, ten tweede zou hij deze kast op een geheel andere wijze hebben geopend, en ten derde zou hij stellig geen vingerafdrukken nalaten.

Op dit oogenblik kwam Brix, die zich weder had mogen verwijderen, verschrikt aanloopen, en riep uit:

—Ik heb zooeven gelijkvloers een openstaand raam gevonden, mijnheer!

—Waar? vroeg Sullivan haastig.

—Aan de achterzijde van het huis! Er is daar een kleine tuin met een vrij lagen muur, waarover men gemakkelijk kan heen klimmen, als men over vlugheid en moed beschikt.

—Was er iets gebroken?

—Niets mijnheer! het luik was eenvoudig aan de binnenzijde geopend.

—Aan de binnenzijde? riep Sullivan verwonderd uit, breng er ons aanstonds eens heen!

Brix geleidde Sullivan en Miss Evans door een paar gangen en langs een diensttrap naar de achterzijde van het groote huis, en voerde hen naar een met groote tegels geplaveide gang, waarop een raam uitkwam.

—Dat is het, mijnheer, zeide hij.

Sullivan trad haastig op het raam toe en onderzocht het luik.

Hij had aanstonds ontdekt, dat men er eenvoudig den bout had afgenomen en dat er volstrekt niets was verbroken.

Hij wierp een blik naar buiten en zag op eenige passen afstand een regenton aan den voet van den muur staan.

Hij klom door het raam en onderzocht met de grootste zorgvuldigheid den bodem, terwijl hij op de ton toeliep.

De grond bestond voor een deel uit kleine klinkers, [10]verder op was een grintpad en ten slotte kwam een stuk van een bloembed, waarin nu slechts de rulle zwarte aarde te zien was.

Het noodlot wilde echter dat het dien nacht zwaar geregend had en de voetstappen waren grootendeels uitgewischt.

Maar toch meende de detective aan de indrukken te kunnen zien dat er hier niet alleen in een enkele richting, maar dat er heen en weer was geloopen.

Hij wisselde een blik met miss Evans en sprak:

—Het wordt geloof ik al iets duidelijker! De bezoeker heeft denkelijk, nadat hij den majoor had neergeschoten, dit raam voor zijn medeplichtigen geopend, en dezen zijn, na de inbraak te hebben volbracht, weder op dezelfde wijze vertrokken als zij gekomen zijn!

—Ja, dat geloof ik ook, antwoordde de jeugdige detective. Ik kan mij vergissen, maar ik geloof, dat hier minstens drie mannen hebben geloopen. Ondanks den regen kan men dat nog tamelijk goed zien.

—Ja, je hebt gelijk, Dorrit! zeide Sullivan. En laten wij nu maar weder naar binnen gaan. Hier valt niets meer te zoeken!

De beide politiebeambten klommen weder door het openstaande raam naar binnen en daarop vroeg Sullivan aan Brix, die was blijven wachten:

—Alle ramen worden natuurlijk des nachts goed gesloten?

—Ja, daar stond de majoor bijzonder op.

—Zoo, dus hij was steeds een beetje bang voor inbrekers! kwam Sullivan.

—Dat weet ik niet! kwam de oude bediende kortaf.

De detective wilde nog iets vragen, maar hij bedacht zich en ging weder den zelfden weg terug naar het vertrek, waar hij en Dorrit zich zooeven hadden bevonden.

De coroner had juist zijn rapport beëindigd en nam zijn hoed, teneinde zich te verwijderen.

—Ik ben gereed, waarde Sullivan, zeide hij. En ik kan u wel reeds zeggen, dat het schot is gelost op een afstand van ongeveer drie passen uit een ordinaire revolver, waarvan de kogels weinig doorslagskracht hebben. De dood is bijna onmiddellijk ingetreden en wel omstreeks elf uur in den avond van gisteren! Als gij nog meer wilt weten ben ik op Scotland Yard gaarne tot uw dienst!

—Dat is voorloopig meer dan voldoende, dokter! zeide Sullivan, terwijl hij den gerechtsgeneesheer de hand drukte.

Deze maakte een buiging voor Dorrit Evans en had het volgende oogenblik het vertrek verlaten.

Het jonge meisje was weder begonnen half instinctmatig het vertrek opnieuw te onderzoeken, toen zij eensklaps een lichten kreet slaakte en zich bukte, om iets op te rapen van een berenvel, dat midden in de kamer onder een kleine rooktafel lag.

Zij kwam dadelijk naar Sullivan toe, die verrast had omgezien op het hooren van dien kreet, en liet het voorwerp zien, dat zij op de palm van haar hand had gelegd.

Sullivan slaakte op zijn beurt een uitroep van verbazing.

Het ding, zooeven door de jonge detective opgeraapt, was een haarspeld! [11]