Sullivan en miss Evans keken elkander een oogenblik verstomd aan, en daarop wendde de eerste zich dadelijk tot Brix met de vraag:
—Is hier gisteravond ook een dame gekomen?
—Een dame? Neen, mijnheer! antwoordde de oude bediende verbaasd.
—In den loop van den dag dan?
—Ook niet!
—Ontving de majoor nooit damesbezoek?
—Enkele keeren! antwoordde de bediende stug.
—Hoelang is de laatste keer geleden?
—Ongeveer een maand!
—Kan er hier gisteren een dame geweest zijn, zonder dat gij het zoudt hebben gemerkt?
Brix dacht even na en antwoordde toen:
—Onmogelijk is het niet—maar wel zeer onwaarschijnlijk! De majoor geneerde zich volstrekt niet voor ons—een oud-militair! Maar als die dame wellicht gehuwd was—dan—misschien heeft hij haar zelf binnen gelaten door de zijdeur. Ik ben echter den geheelen dag thuis geweest en ik durf wel verzekeren, dat ik dat gemerkt moest hebben.
—Hoezoo?
—De gang, die naar die zijdeur loopt, gaat langs het dienvertrek, en men zou het daar dus wel hebben opgemerkt!
—Maar voor den drommel—die haarspeld kan daar toch niet vanzelf zijn gekomen! riep Sullivan ongeduldig uit. Gij hebt mij immers gezegd, dat hier alleen mannelijk dienstpersoneel in huis is?
—Ja, dat is zoo!
—Nu, dan moet er hier een vrouw geweest zijn, dat is duidelijk!
—Kan de majoor die haarspeld misschien niet van buiten hebben meegebracht? vroeg miss Evans.
—Dat klinkt niet erg waarschijnlijk, Dorrit! antwoordde Sullivan. Men kan een haar van een vrouw mede naar huis nemen—maar een haarspeld—neen, dat komt mij ongeloofwaardig voor! En toch—er is bijna geen andere oplossing mogelijk, als deze man het bij het goede einde heeft!
Op dit oogenblik trad Grim het vertrek binnen, die zijn tijd nuttig had besteed met een ondervraging van de andere bedienden, den butler en den kamerbediende.
—Hebt gij iets naders kunnen ontdekken? vroeg hij, nadat hij de deur achter zich gesloten had.
—Een haarspeld! antwoordde Sullivan lakoniek.
—Wat? Hier? riep Grim verwonderd uit. Er is dus een vrouw hier geweest?
—Dat zou men er tenminste uit afleiden, maar volgens de verklaringen van dezen man is daar geen sprake van!
—Dan moet hij haar zelf in zijn kleederen hebben medegebracht! hernam Grim.
—Dat zeide ik ook al, Grim! riep Dorrit uit. Maar mijnheer Sullivan meent, dat zooiets onmogelijk is!
—Onmogelijk of tenminste zeer onwaarschijnlijk! gaf Sullivan te kennen.
—Dan moet er hier een vrouw zijn geweest, sprak Grim kortaf. Een tusschenweg is er niet.
Hij keek Brix strak aan, en zeide toen op strengen toon: [12]
—Gij spreekt toch de waarheid? Bedenk, dat gij voor de rechtbank onder eede zult worden gehoord!
—Dat weet ik, mijnheer! antwoordde de oude bediende eenvoudig. En voor de heeren rechters zal ik juist hetzelfde zeggen wat ik zooeven aan mijnheer daarginds heb gezegd!
De drie detectives zwegen en schenen ieder in hun eigen gedachten verdiept te zijn.
Toen vroeg Sullivan, terwijl hij zich tot Grim wendde:
—Heeft de ondervraging van de bedienden u iets nieuws opgeleverd?
—Niet veel, waarde collega! Zooals je weet, is de butler gisteravond uit geweest, want hij had een uitgaansavond. Hij keerde pas om twaalf uur terug, na met zijn meisje een variété te hebben bezocht en ging regelrecht naar zijn slaapkamer, daar hij wel wist, dat zijn meester tehuis was en zich reeds ter ruste had begeven. Diens kleederen hingen in de vestibule aan de haken en alles was donker in huis.
—En de kamerbediende?
—Die is al om half elf gaan slapen, nadat Brix—dat zal deze man hier wel zijn—hem gezegd had, dat zijn meester hoofdpijn had, en zich aanstonds te bed zou begeven.
—Is dat zoo? zoo wendde Sullivan zich tot den ouden man, die zwijgend had toegeluisterd.
Brix knikte bevestigend.
—Hebt gij soms gevraagd, of iemand van de twee andere bedienden den laten bezoeker in het gezicht hebben gezien? aldus wendde Sullivan zich opnieuw tot zijn collega.
—Ja. De butler, Farrington geheeten, had het huis reeds verlaten, toen de bezoeker zich voor de eerste maal aanmeldde, en de kamerbediende Clifford zegt, dat hij hem noch den eersten, noch den tweeden keer gezien heeft.
—Dat is ook de waarheid, mijnheer, liet de vlakke stem van Brix zich hooren. Ik zelf heb den bezoeker beide malen open gedaan.
—Brix zeide mij zooeven, dat de bezoeker de tweede maal aanschelde, juist even nadat Wigmore van de opera was thuis gekomen, zeide Sullivan. Ik vermoed dus, dat hij ergens in de buurt is blijven wachten en het huis in het oog heeft gehouden, om dadelijk bij de hand te zijn, zoodra hij den heer des huizes zag terugkeeren.
—Dat klinkt niet onwaarschijnlijk, collega! zeide Grim.
—Dan zouden wij eens kunnen onderzoeken, of men hier in de buurt iemand op wacht heeft zien staan, hernam de detective. Wellicht is hier een café of een wijnhuis aan de overzijde, vanwaar de moordenaar het huis in het oog heeft kunnen houden.
Hij trad naar het venster, sloeg de gordijnen geheel ter zijde, en wierp een blik op straat.
Aanstonds liet hij een kreet van voldoening hooren en riep:
—Juist, aan den overkant is een wijnhuis, of een bar! Laat een der agenten eens dadelijk gaan vragen, of daar gisteravond een bezoeker is geweest, die van ongeveer acht uur tot kwart over tienen onafgebroken voor een der ramen heeft gezeten!
Grim opende dadelijk de deur en wisselde eenige woorden met een der agenten die salueerde, en toen vlug heen liep, om het ontvangen bevel ten uitvoer te gaan brengen.
Intusschen had Sullivan de telefoon ter hand genomen en zich in verbinding gesteld met Scotland Yard, teneinde het hoofdbureau van politie op de hoogte te stellen van hetgeen hij had ontdekt.
Hij liet een fotograaf komen met al het noodige om een afdruk van de vingervlek op het glimmend metaal van de brandkast te nemen, on daarop wachtten allen met ongeduld de terugkomst van den agent af.
Ongeveer tien minuten nadat hij was heengegaan, keerde de agent weder terug en ging in de houding voor Sullivan staan.
—Welnu? vroeg deze haastig.
—De patroon van de zaak zegt, dat er gisteravond inderdaad iemand in zijn lokaal is geweest, die daar een paar uur gezeten heeft voor een van de ramen, en die om even over tien uur eensklaps is opgestaan, een goudstuk op de tafel heeft geworpen en toen overhaast is heengegaan.
Sullivan had met gebogen hoofd staan luisteren, en liet nu een kreet van zegepraal hooren.
—Dat brengt ons reeds heel wat verder! zeide hij tevreden. Heb je misschien gevraagd, hoe die man er uitzag? vroeg hij, zich weder tot den agent wendende. [13]
—Ja, mijnheer! Hij was nog heel jong, een jaar of twee-en-twintig, met zwart haar en een bleek gezicht. Het was wat men noemt „een knappe jongen”, met een glad geschoren gezicht, en keurig gekleed. De kellners dachten dat hij op iemand zat te wachten, met wien hij zeker aanstonds dacht te vertrekken, want hij had den geheelen avond zijn jas en hoed aangehouden en scheen zeer zenuwachtig te zijn.
—Dat is onze man! riep Grim uit, terwijl zijn oogen schitterden. Nu zal het niet zoo lang meer duren, of wij hebben hem! De kellners zullen wel een nauwkeurig signalement van hem kunnen geven, en daar hij wel niet te voet zal zijn hier gekomen, hebben wij ook nog houvast aan den chauffeur, die hem heeft gereden.
Een oogenblik was het stil in het vertrek waar de doode lag.
Toen richtte Sullivan zich tot Brix met de vraag:
—Had uw meester veel geld in huis?
—Dat geloof ik haast wel, wamt hij betaalde dikwijls groote rekeningen en dan kwam het geld altijd uit de brandkast, die nu is opengebroken.
—Was dat nog al bekend hier in huis?
—Wel, ik denk wel, dat alle bedienden dat wisten! zeide Brix zacht, terwijl zijn stem eenigszins beefde.
—Wie was de bankier van den majoor?
—Caruthers.
—Dan zullen die wellicht de nummers weten van de bankbiljetten in de kast, meende Dorrit.
—Wij kunnen er in ieder geval naar vragen, hernam Grim. En nu geloof ik niet, dat wij hier nog veel te doen hebben, collega’s! Of hebt gij soms nog iets ontdekt in den tijd dien ik in het dienstvertrek doorbracht?
—Een openstaand raam gelijkvloersch en voetstappen, mijn waarde Grim! antwoordde Sullivan.
En nu deelde hij den detective mede wat hij zooeven ontdekt had.
—Wij kunnen niets anders doen dan op de komst van den fotograaf wachten, maar ik wil u niet weerhouden, als gij soms elders het onderzoek wilt voortzetten, waarde Grim! zeide Sullivan.
—Dat wilde ik u juist voorstellen! Ik ga eens naar het wijnhuis—wellicht weet men mij daar wel iets meer mede te deelen omtrent den jongen man, die daar als een kat voor het muizenhol op de loer heeft gezeten!
En daarop nam Grim afscheid en ging zijns weegs.
Ongeveer twintig minuten later verscheen de gerechtsfotograaf, die eenige opnamen maakte van de kamer en van den doode, zooals men hem volgens de getuigenis van den bediende had gevonden, liggende midden in het vertrek met uitgespreide armen.
Vervolgens nam hij den vingerafdruk op de brandkast zeer zorgvuldig over door middel van een met roet gesmeerd stuk papier, waarop de nerven van de vingerhuid zeer duidelijk uitkwamen en nam van dit papier eenige opnamen, om deze zelfde bewerking nog eens te herhalen aan het openstaande venster, waar Dorrit, die op eigen gelegenheid nog eens was gaan kijken, aan de raampost eveneens den indruk van een hand had gevonden, met behulp van haar vergrootglas.
Dit alles had bijna een vol uur in beslag genomen en het was bijna twaalf uur toen alle politiebeambten het huis weder verlieten, waar nu slechts een paar agenten overbleven, om de wacht bij het stoffelijk overschot van den vermoorde te houden.
Den zelfden avond stonden de bladen vol van den moord op majoor Richard Wigmore, en vooral de volksbladen hadden er een paar kolommen over, doorspekt met tal van foto’s.
Want dit was ten minste weder eens een ouderwetsche moordzaak, niet een ordinaire overval op den openbaren weg, waarvan bijna niemand meer notitie nam, of een gewone diefstal, maar een geheimzinnig voorval, waarvan niemand goed de ware toedracht begreep—het publiek evenmin als de politie!
Ja—het was een geheimzinnige zaak, want er hadden zich in den loop van den dag nog enkele dingen voorgedaan, welke wel in staat waren, Scotland Yard in opschudding te brengen.
Het was om te beginnen onomstootelijk vastgesteld, dat majoor Wigmore dien avond zeer stellig niet in damesgezelschap was geweest, en dus kon hij de haarspeld die op het berenvel in de kamer van den moord was gevonden, onmogelijk van buiten hebben medegebracht.
En evenzeer was het, dat er noch dien dag, noch geruimen tijd te voren dames in het huis aan de Ormond Street waren verschenen. [14]
Er bleef dus alleen de mogelijkheid, dat er een vrouw in gezelschap van de inbrekers was geweest!
Dit nu was een unicum in de geschiedenis der criminaliteit en de detectives hadden moeite hieraan te gelooven.
En toch was een andere mogelijkheid wel geheel buitengesloten!
Dan moest worden opgehelderd het bezoek aan den majoor.
Want uit het nader verhoor was thans gebleken, dat het late bezoek minstens een half uur moest hebben geduurd!
Immers had Brix zijn getuigenis nader aangevuld met de verklaring, dat hij om kwart voor elven, toen hij langs de kamer liep waar de bezoeker en zijn meester zich ophielden, licht onder de reet van de deur had zien schemeren, en ook stemmen had gehoord.
En nu was het wel zeer ongewoon, dat een misdadiger, die een inbraak komt voorbereiden door den bewoner van het huis overhoop te schieten, eerst een lang gesprek met hem houdt!
Zoo hadden zich al vrij spoedig twee kampen op Scotland Yard gevormd—een, welke de stelling voorstond, dat de late bezoeker tot de inbrekers had behoord, en den aanslag had voorbereid, en een, welke de meening was toegedaan, dat deze bezoeker niets uitstaande had gehad met de inbrekers, die later kwamen, en dat louter toeval hen in het zelfde huis bijeen had gebracht.
Het moet gezegd, dat deze laatste lezing slechts weinig aanhangers vond, en eigenlijk waren in het sombere gebouw in Downing Street Sullivan en zijn leerlinge Dorrit Evans de eenigen, die deze opvatting huldigden.
Maar buiten het gebouw waren er enkele personen, die het in dit geval met hen eens waren.
En onder dezen bevond zich John Raffles, de gentleman-inbreker!
Raffles had de avondbladen, en den volgenden dag de ochtendbladen met groote aandacht gelezen en aanstonds had hij groot belang in deze zaak gesteld, juist omdat er zich eenige elementen in voordeden, welke haar vreemd en geheimzinnig maakten.
Lord William Aberdeen—dit was de naam, waaronder de Groote Onbekende reeds eenige jaren te Londen leefde, in een fraai huis aan de Regent Street—zat voor zijn groot schrijfbureau in zijn werkkamer, toen er op de deur geklopt werd, en het hoofd van een jongeman om de deurreet kwam gluren.
Het was Charles Brand, de trouwe vriend van Raffles, en in diens hoedanigheid als Lord Aberdeen zijn secretaris.
—Heb je het druk? vroeg de jonge man, terwijl hij binnen trad.
—Zeer druk Charly—ik denk! antwoordde Raffles, terwijl zijn groote grijze oogen door het groote raam naar buiten dwaalden, naar den vrij grooten tuin achter het huis, waar de ontbladerde boomen troosteloos schenen te druilen in het vale licht van een triestigen Novemberdag.
—En mag men vragen, waarover je denkt? vroeg Charly, terwijl hij zich in een gemakkelijken stoel liet vallen, en zijn heldere blauwe oogen op het krachtig gelaat met de scherpe trekken tegenover zich vestigde.
—O ja—het is geen geheim! Ik dacht over de zaak in de Ormond Street!
—De moord op majoor Wigmore?
—Juist! Vind je het geen belangwekkende zaak?
—Ja, hoogst belangwekkend! Maar ik geloof toch niet, dat het lang zal duren voor de politie de schuldigen op het spoor is gekomen!
—Waarom?
—Wel—daar is om te beginnen de vingerafdruk! Als het beroepsinbrekers geweest zijn—en daar wijst immers alles op!—dan zal die indruk zich ook wel bevinden in het afdrukregister op Scotland Yard, en van dat oogenblik af heeft de recherche niets anders te doen dan den kerel op te sporen, wiens naam er boven staat!
—Natuurlijk aangenomen, dat de politie van dien man reeds een vingerafdruk in haar bezit heeft, zeide Raffles, terwijl hij het blad opvouwde, waarin hij zoo juist had zitten lezen.
—Dat spreekt vanzelf! Wat denk je van die haarspeld?
—Die haarspeld is de hoofdzaak! antwoordde Raffles bedaard.
—Geloof je? vroeg Charly nieuwsgierig.
—Ik ben er van overtuigd. En omdat ik daar van overtuigd ben geloof ik ook stellig, dat die bezoeker [15]niets te maken had met de inbrekers, die na hem zijn gekomen, en dat hier louter toeval in het spel is! Ik bezit nogal eenige kennis van de literatuur op het gebied der criminaliteit, en ik heb nog nergens gelezen, dat een inbraak op deze wijze wordt gepleegd! Het is immers te dwaas om alleen te loopen, dat inbrekers, die dien naam waardig zijn, een der hunnen vooruit zouden zenden, die eerst een paar uur in een wijnhuis gaat zitten, opdat men hem toch goed zal zien, en daarna een gesprek van een half uur houdt met het slachtoffer, alvorens hem neer te schieten!
—Ja—erg plausibel klinkt het niet! gaf Charly peinzend te kennen.
—Plausibel? Het is tastbare onmogelijkheid, zeg dat liever! riep Raffles uit.
Hij blies een dikke wolk uit zijn fijne sigaret en vervolgde nadenkend:
—Het is jammer—en tevens geeft het te denken!—dat die man in het café in het geheel zijn hoed niet heeft afgezet!
—Hoezoo?
—Wel dan had men wellicht kunnen zien of het wel echt haar was, onder dien hoed!
—Je gelooft dus aan een vermomming?
—Misschien druk ik mij niet volledig uit, mijn jongen! Wellicht had men dan kunnen zien, of het haar onder den hoed wel dat van een man was!
Charly sprong van zijn stoel op en staarde Raffles met wijd geopende oogen aan.
—Wat zeg je daar? riep hij eindelijk uit. Maar—denk je dan, dat die bezoeker.… een vrouw is geweest.
—Acht je dat volkomen onmogelijk? vroeg Raffles kalm.
—Onmogelijk.… neen, maar.… de waarheid is, dat ik daar geen seconde aan gedacht heb!
—De politie blijkbaar ook niet! gaf Raffles droogjes te kennen. En toch ligt het dunkt mij voor de hand! Die haarspeld spreekt boekdeelen! Het voorwerp is in de kamer gevonden. Wij weten dat de majoor den geheelen avond niet in damesgezelschap is geweest. Evenzeer weten wij, dat, volgens alle getuigen, geen dame dien avond bij den majoor is gekomen—ten minste niet als een vrouw gekleed! Ten derde is de kans, dat die haarspeld daar reeds geruimen tijd zou hebben gelegen nihil, want in een huis als dat van majoor Wigmore, worden de kamers natuurlijk iederen dag zorgvuldig schoongemaakt! De eenvoudigste logica noodzaakt ons, de eenige mogelijkheid die nog over is, als de ware aan te nemen—namelijk dat de bezoeker de haarspeld heeft verloren. En daar mannen zich nooit met dergelijke voorwerpen bezig houden—zoo moet het wel een vrouw zijn geweest!
—Ja maar.… Ja maar.… kwam Charly. Alles goed en wel, maar als wij dat aannemen dan.… dan.…
—Welnu? vroeg Raffles glimlachend.
—Welnu.… ik geef mij gewonnen! barstte de jonge man eensklaps uit. Zeker, waarom zou het niet mogelijk zijn! En wacht eens—de majoor is van zijn vrouw gescheiden! Wie weet—misschien is zij wel wraak komen nemen.… Weet ik, waarvoor!
—Dat zou kunnen—alleen zou zij dan wel wat lang gewacht hebben! meende Raffles. Intusschen—er kunnen zich wel feiten hebben voorgedaan, die plotseling de woede van de vrouw hebben gaande gemaakt! Maar toch—neen, ik geloof niet, dat wij in die richting moeten zoeken! Herinner je je, dat er een papiertje op de borst van den doode is gevonden met een zonderling woord, in ieder geval een Engelsch woord er op geschreven?
—Natuurlijk!
—Weet je, hoe dat woord luidde?
Charly dacht even na, maar hij moest er de krant bij halen en vond daarin het woord:
—Waverghem! riep hij uit.
—Juist! Weet je soms wat dat te beteekenen heeft?
—Geen flauw idee van!
—Een nul voor aardrijkskunde, Charly! riep Raffles op bestraffenden toon. En een nog grootere nul voor de kennis van den Wereldoorlog!
—Wat heeft die er mee te maken, vroeg Charly verbaasd.
—Dat zal ik je aanstonds zeggen! Waverghem is de naam van een klein dorp in Vlaanderen, en bij het zegevierend offensief der Geallieerden, hetwelk een aanvang nam in den zomer van het jaar 1918, om te eindigen met de volledige nederlaag van de Duitschers, is daar in de buurt allerhevigst gevochten!
—Ja ja! riep Charly opgewonden uit. Nu herinner [16]ik het mij weder! Maar voor den drommel—wat heeft de naam van dat kleine Belgische dorp te maken met den moord op majoor Wigmore?
—Nu doe je mij een vraag, waarop ik je het antwoord schuldig moet blijven, mijn waarde Charly! zeide Raffles, schouderophalend. Als ik dat wist, zou het denkelijk geen uur meer duren, of ik zou de moordenares of den moordenaar aan de politie kunnen aanwijzen.
—Daar valt mij iets in!
—Laat eens hooren!
—Als de misdaad werkelijk door een vrouw is bedreven, dan zou het woord ook met een vrouwenhand geschreven moeten zijn!
—Een schrandere opmerking, mijn waarde. Althans wanneer de vrouw zich niet in een zoodanigen toestand van overspanning bevond, dat zij haar schrift niet meester was, en de letters meer heeft geteekend dan geschreven. Intusschen—dat zal de politie dunkt mij, zelf wel hebben uitgemaakt.
—Als het inderdaad een vrouw is geweest, wat zou dan wel het motief zijn, denk je?
—Als een vrouw een moord pleegt, dan zijn er maar twee motieven mogelijk, ten minste als zij geen monster is: liefde en haat. Dat wil dus zeggen, dat er eigenlijk maar één motief is, want liefde en haat zijn goed beschouwd broeder en zuster. Men zou dus slechts in het verleden van den vermoorde behoeven te zoeken om het motief van de misdaad te vinden, tenminste dat is mijn meening.
—Maar acht je het niet buitengewoon toevallig, dat de inbraak juist in denzelfden nacht heeft plaats gehad?
—Dat is misschien veel minder toeval dan wij nu wel kunnen vermoeden! Wie zegt je, dat de man of de vrouw, nadat zij uit het raam is geklommen, en de vlucht heeft genomen, niet gezien is door een troepje bandieten, die op roof uit waren? Is het ondenkbaar, dat zij het openschuiven van het raam in de nachtelijke stilte hebben gehoord, een blik over den tuinmuur hebben geworpen en toen het raam open hebben zien staan?
—Neen, zeker is dat niet ondenkbaar! Maar wie zou het durven, in te breken in een huis waar zooeven een moord is gepleegd!
—Dat wisten de inbrekers toch niet vooruit? En toen zij eenmaal het levenlooze lichaam hadden gevonden en zich hadden vergewist, dat blijkbaar geen der huisgenooten het schot hadden gehoord, toen begrepen zij, dat de gelegenheid gunstig was, en dat zij er gebruik van moesten maken!
—Op gevaar af, dat men hen naderhand voor de moordenaars zou aanzien?
—Die vraag, Charly, opent mij weer een nieuw verschiet! riep Raffles uit. Want alles wel beschouwd, moesten de inbrekers toch inderdaad rekening houden met de mogelijkheid, dat zij overvallen zouden worden en dan zou men hen zeker voor de moordenaars van den majoor houden! Niemand zou iets gelooven van een geheimzinnigen bezoeker, die de daad had verricht, ook al zou de getuigenis van de bedienden dienaangaande kans op twijfel laten! En daarom acht ik het mogelijk, dat de schurken dadelijk beseft hebben, dat er iets ernstigs in het huis was voorgevallen, en dat daarom een hunner den vluchteling, man of vrouw, heeft achtervolgd, om te zien waar zij bleef—zij of hij! Indien zij werden verrast, zou het hun dan later niet moeilijk vallen de politie op het spoor van den werkelijken dader te brengen! Je merkt, dat ik nog meestal over een mannelijk persoon praat, maar dat is meer uit gewoonte—want ik blijf volhouden dat hier zeer waarschijnlijk een vrouw in het spel is!
—Je redeneering is volkomen logisch, Edward! riep Charly vol geestdrift uit. Er is geen speld tusschen te krijgen.
—De politie schijnt er inmiddels nog anders over te denken! hernam Raffles droogjes.
—Maar je vindt althans Sullivan, je ouden vijand, aan je zijde. Ten minste voor zoover het betreft de stelling, dat moordenaars en inbrekers niets met elkander te maken hadden.
—Dan zal ik wel gelijk hebben, want Sullivan is een der knapste detectives van geheel Londen! kwam Raffles, die was opgestaan en zich duchtig uitrekte, een onbedriegelijk teeken, dat hij zich ging gereed maken, zich ergens mede te bemoeien, dat strikt genomen niet tot zijn competentie behoorde. [17]