[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

Jerry Clifford.

Dienzelfden middag werden alle bedienden van den vermoorden majoor nogmaals, ditmaal op het bureau van politie, aan een streng verhoor onderworpen.

Zij bleven allen bij hunne verklaringen, maar in het verslag in de bladen stond vermeld, dat Clifford blijkbaar zeer zenuwachtig was geweest, en eenige tegenstrijdige verklaringen had afgelegd, welke de politie noopten, den man nog eenigen tijd te houden en hem een verhoor af te nemen, dat bijna een vol uur had geduurd.

Daarna had men hem laten gaan, met de mededeeling, dat hij zich ieder oogenblik ter dispositie van de justitie moest houden.

Uit zijn verhoor was gebleken, dat Clifford reeds geruimen tijd bij den majoor in dienst was, en den veldtocht als diens oppasser had medegemaakt.

Majoor Wigmore was als tweede luitenant vertrokken, maar hij had het vrij spoedig tot kapitein gebracht, terwijl hem de rang van majoor was verleend, even voor het groote offensief in Vlaanderen en Artois inzette, als antwoord op de aanvankelijk met succes bekroonde pogingen der Duitschers, om den tegenstand van de geallieerden te breken.

Slechts een oogenblik was de naam van de gescheiden vrouw van den vermoorde in het geding gebracht.

Het bleek, dat mevrouw Redmond, zoo was haar meisjesnaam, in een der noordelijkste wijken van Londen was gaan wonen, nadat de rechtbank de scheiding tusschen haar en majoor Wigmore had uitgesproken.

Zij leefde daar zeer stil, en niemand had ook maar de geringste aanleiding, iets op haar gedrag aan te merken.

Maar de bladen waren minder bescheiden dan de politie en zij begonnen met een ware woede in het verleden der beide menschen te wroeten.

En weer werd het opgehaald, dat de scheiding indertijd was aangevraagd door de vrouw, op aanklacht van overspel en feitelijke mishandeling.

Dit was door getuigen bewezen, en de eisch werd toegezegd.

Kinderen waren er niet, en de echtgenooten gingen koel en blijkbaar onbewogen uiteen.

Mevrouw Redmond was niet rijk, maar zij had een klein particulier fortuin, waarvan zij juist kon rondkomen.

De rechtbank had haar een toelage toegekend, door haren echtgenoot te betalen, maar zij had dit met verachting van de hand gewezen, en gezegd, dat zij liever zou omkomen van gebrek, dan ook maar een shilling aan te nemen uit de hand van den man, die haar mishandeld had, alsof zij een straatmeid geweest ware.

Dit alles en nog heel wat meer wend aan de vergetelheid ontrukt en sommige bladen gingen zelfs zoo ver, dat zij verband wilden zoeken tusschen de scheiding en den moord en de politie tamelijk onbedekte wenken gaven omtrent den weg dien zij thans had te volgen.

Raffles en Charly hadden met de grootste aandacht de avondbladen gelezen, waarin een uitvoerig verslag van het eerste verhoor van de getuigen voorkwam, en zij zaten nu in de rookkamer van het heerenhuis aan [18]de Regent Street, hun geliefkoosde verblijfplaats, wanneer zij over ernstige zaken te spreken hadden.

Raffles had reeds eenigen tijd diep nagedacht, toen hij eensklaps het hoofd ophief en zeide:

—Ik acht het feit, dat die Clifford oppasser van den vermoorden majoor is geweest, van groot belang.

—Hoezoo? vroeg Charly.

—Wel, denk toch om den naam op het stukje papier. Daarin schuilt het geheim, mijn jongen. Daarin en in niets anders. Gehoor gevend aan een plotselinge ingeving heeft de vrouw, want voorloopig ben ik er niet af te brengen, dat wij hier met een vrouw te doen hebben, dat woord op een stukje papier gekrabbeld, dat zij van een groot vel had afgescheurd, hetwelk op de schrijftafel lag. Geen voorbedachten rade dus, maar opvolgen van een impulsie, een onweerstaanbaren drang, zooals vaak geschied door lieden die wraak genomen hebben. En combineer nu eens: majoor—Waverghem—oppasser—zenuwachtige toestand van den getuige—onnoozel kleine revolver, juist goed om door een vrouw te worden gebruikt. Zou er werkelijk geen onderling verband tusschen die dingen bestaan?

—Ik ontken het niet, ik zie het verband alleen maar niet! riep Charly uit.

—Ik zou bluffen als ik zeide, dat ik zelf het nu reeds zie, mijn waarde! hernam Raffles. Maar er is iets, wat mij zegt, dat die Clifford misschien wel meer van de zaak weet, of tenminste van het verleden van zijn meester, waarvan die vreeselijke daad het uitvloeisel is.

De beide vrienden spraken nog geruimen tijd over de zaak door, toen er alweder iets nieuws voorviel, dat een geheel andere wending aan den loop der zaken zou geven.…..

Er schreeuwde buiten op straat een jongen iets, wat de twee vrienden de ooren deed spitsen.

Ondanks de koude wierp Raffles het raam open en luisterde aandachtig.

Een krantenjongen riep iets op luiden toon, terwijl hij met een bundel bladen zwaaide:

—Opzienbarende arrestatie in de zaak van de Ormond Street—een bediende beschuldigd van medeplichtigheid.

Charly was reeds het vertrek uitgesneld, had in de hal spoedig zijn jas aangetrokken, en was door den kleinen voortuin de straat opgeijld.

Hij kocht snel een blad van den jongen, en ging het huis weder binnen.

Nog onder het loopen sloeg hij het blad open en Raffles hoorde zijn luiden kreet van verbazing, toen hij het rookvertrek weder binnentrad.

—Wat is er? vroeg hij.

—Wat er is? De oude Brix is gearresteerd, op beschuldiging van medeplichtigheid aan den moord op majoor Wigmore.

—Wat! Is er dan iets nieuws ontdekt? schreeuwde Raffles.

—In het geheel niet. De politie neemt echter aan, dat hij het heele verhaal van den laten bezoeker heeft verzonnen, om haar op een dwaalspoor te brengen, en dat hij het is geweest, die de inbrekers door het raam heeft binnengelaten.

Raffles gaf geen antwoord, maar keek peinzend voor zich uit.

Toen schudde hij langzaam het hoofd en zeide:

—Neen, dat geloof ik niet. Dat komt mij volmaakt onwaarschijnlijk voor.

—Waarom eigenlijk? vroeg Charly. Er zijn meer voorbeelden van, dat de bedienden in het complot zijn. Denk maar eens aan het optreden van de Bende van het Kwade Oog te New-York. Hebben wij het daarginds niet beleefd, dat er in een en hetzelfde huis op zijn minst vier bedienden waren, waaronder vrouwen, die later leden van die vreeselijke bandietenbende bleken te zijn?

—Zeker, maar dat waren allen jonge menschen. Brix is oud, en hij maakte op mij in het geheel niet den indruk van een misdadiger. Ik geloof integendeel, dat de plotselinge dood van zijn meester hem zeer heeft getroffen, al komt het langzamerhand aan den dag, dat majoor Wigmore nu niet bepaald een edelaardig mensch was. Vergeet niet, dat de oude mam twintig jaar in dienst was bij den doode.

—Ja, dat is wel zoo … zeide Charly weifelend. Het zou afschuwelijk zijn, als het werkelijk zoo was. De oude man leek zoo vriendelijk en kalm.

—Hoe het zij, het wordt nu tijd, dat wij ons eens nader met deze zaak gaan bemoeien, Charly.

—Je weet, dat je op mij kunt rekenen. [19]

—Goed zoo. Dan moeten wij eerst eens het adres van dien Clifford te weten zien te komen, want ik houd vol, dat die man in een of ander verband staat met de zaak. Misschien weet hij iets uit het verleden van zijn meester, hetwelk de misdaad zou verklaren. In ieder geval moeten wij rekening houden met die mogelijkheid, en daarom zullen wij aanvangen met dien man eens na te gaan.

—Zou hij niet meer in het huis in de Ormond Street wonen?

—Dat denk ik niet. En misschien toch weer wel. De bedienden zullen daar wellicht tot na de begrafenis blijven, zooals dat hier en daar gebruik is. Ik meen ergens gelezen te hebben, dat er een broeder van den vermoorde uit Manchester is overgekomen om voor de begrafenis zorg te dragen. Hij zal ook wel de man zijn, die met de bedienden afrekent. Wij zullen geen tijd verliezen, en aanstonds op onderzoek uitgaan.

Nu Raffles eenmaal het voornemen had opgevat, zich met de geheimzinnige zaak in de Ormond Street te bemoeien, aarzelde hij ook geen oogenblik meer, maar ging tot handelen over.

De twee vrienden vermomden zich als gewone arbeiders, en verlieten het huis aan de tuinzijde.

Het was reeds duister, toen zij de Regent Street bereikten.

Zij namen hier een auto die hen tot dicht bij het huis in de Ormond Street bracht.

Raffles gelastte den chauffeur, nog even te wachten, daar hij niet wist, of hij hem nog noodig zou hebben, en vervolgens slenterden de beide mannen naar het huis, waar zich den nacht te voren het mysterieuze drama had afgespeeld.

Het toeval was hen bij uitstek gunstig, want zij hadden juist de voordeur bereikt, toen deze open ging en er een man naar buiten trad, die zijn hoed ver over het voorhoofd had getrokken.

Hij was eenvoudig gekleed, en Raffles en Charly herkenden in dezen man bij het licht van een lantaarn aanstonds Clifford, wiens portret evenals die van alle andere personen uit het drama in de „Daily Mail” was verschenen.

Zij konden zich niet vergissen.

Het was dezelfde gelaatsvorm, het waren dezelfde zwarte, half dicht geknepen oogen, dezelfde groote neus, hetzelfde smalle voorhoofd.

Raffles en Charly liepen schijnbaar onverschillig nog eenige stappen verder, maar toen keerden zij op hun schreden terug, en volgden den bediende, na den chauffeur van hun auto een wenk te hebben gegeven.

Dit bleek een goede maatregel te zijn, want Clifford riep spoedig een taxi aan en sprong er in.

Raffles gaf den chauffeur van zijn eigen auto een teeken en zeide, toen de man was komen aanrijden:

—Volg dien wagen daar voor je, maar kom er nooit te dicht bij. Een goede fooi, als je je werk naar behooren verricht. Als de auto voor je stil staat, houd je eveneens stil.

De chauffeur tikte tegen zijn pet, en de achtervolging begon.

De auto, waarin Clifford had plaats genomen, reed de Ormond Street ten einde en sloeg toen de Queen Street in.

Het voertuig volgde een noordelijke richting en hield na ongeveer een half uur rijdens stil voor een vrij groot huis in de Drummond Street.

Dadelijk stopte ook de wagen waarin Raffles en Charly waren gezeten.

De twee mannen sprongen er haastig uit, en Raffles betaalde den chauffeur, die met een grijns de groote fooi opstreek.

Charly had intusschen Clifford in het oog gehouden en had gezien, dat hij had aangebeld en eenigen tijd had gesproken met een dienstmeisje.

Daarop was de bediende het huis binnengetreden.

—Ik denk niet, dat daar zijn eigen woning is! fluisterde de jonge man, zoodra de auto was weggereden.

—Dat heb ik ook niet verwacht! zeide Raffles. Maar waarom denk je het, Charly? Hij is daar dus blijkbaar vreemd!

—Goed geredeneerd! Wij zullen hem aanstonds volgen, en zien, wat hij daar doet!

—Maar welke reden moeten wij opgeven?

—Wij zullen eenvoudig zeggen, dat wij van de geheime politie zijn, en den man volgen, die zooeven is binnen gegaan! In zekeren zin spreken wij dan volkomen de waarheid!

Onder het spreken waren de beide mannen naar het [20]groote huis toegegaan en Raffles schelde bescheiden aan.

Hetzelfde dienstmeisje verscheen weder en vroeg, wat de beide bezoekers verlangden.

—Wij zijn rechercheurs, lief kind! zeide Raffles op zachten toon. Je behoeft daar niet zoo van te schrikken, want wij begrijpen wel, dat zulk een lief meisje niets op haar geweten kan hebben! Wij willen weten, waar de man is heengegaan, die zooeven hier heeft aangescheld!

Het meisje, op wier wangen een blos verschenen was, schrikte en zeide:

—Die heer vroeg naar miss Daring!

—Woont die dame reeds lang hier?

—Nog geen week!

—Is die man hier al vroeger geweest?

—Nooit!

—Welken naam gaf hij op?

—Green!

—Zoo, zoo! Welke reden gaf hij op voor zijn komst op dit vreemde uur, nu iedereen aan tafel pleegt te zitten?

—Hij zeide, dat hij miss Daring over een zeer belangrijke zaak moest spreken en toen noemde hij een raar woord—ik kan het niet uitspreken—Wavergin … of zoo iets!

Raffles had Charly een triomfantelijken blik toegeworpen en wendde zich nu weder tot het dienstmeisje met de vraag:

—Wil je ons dadelijk eens naar de kamer van die dame brengen, lief kind? Maar maak vooral geen leven, want wij zijn er volstrekt niet op gesteld, dat die mijnheer Green ons hoort!

—Is die man dan een misdadiger, mijnheer? vroeg het meisje bevend.

—Dat kan ik nu nog niet zeggen, en het is mogelijk, dat wij hem ongemoeid laten gaan! antwoordde Raffles.

—Maar ik moet toch eerst mevrouw waarschuwen! hernam het dienstmeisje.

—Volstrekt niet noodig! zei Raffles. Dat houdt maar noodeloos op, en wij moeten snel handelen! Wij moeten weten, wat die man hier komt uitvoeren! Later zullen wij het genoegen hebben, ons even met je meesteres te onderhouden! Hier is mijn penning!

Raffles sloeg een revers van zijn jas om en liet het dienstmeisje een detective-penning zien, welken hij bij vroegere gelegenheden eens had weten buit te maken.

Nog aarzelend ging het meisje de beide gewaande politiebeambten voor en geleidde hen naar de tweede verdieping, waarbij zij zoo zacht mogelijk liep, met een trek van schrik en opwinding op het gelaat.

Boven aan de trap stond zij stil en fluisterde:

—Het is de laatste deur aan uw rechterhand!

—Prachtig! Is de kamer daarnaast wellicht bewoond?

—Op het oogenblik is de bewoner de stad uit!

—Het kon niet mooier!

—Maar de deur is natuurlijk afgesloten en mevrouw heeft den tweeden sleutel!

—Dat is in het geheel geen bezwaar, lief kind! zeide Raffles glimlachend. Wij zouden als detective geen knip voor onzen neus waard zijn, indien wij ons door zoo’n bagatel lieten ophouden!

En met die woorden haalde Raffles zijn onafscheidelijk bosje loopers te voorschijn, en trad op de deur toe, terwijl het dienstmeisje verschrikt toekeek.

Binnen enkele tellen had de gentleman-inbreker het eenvoudige slot geopend, en zeker met niet meer geraas, dan de bewoner zou hebben gemaakt, als hij de deur met een gewonen sleutel had moeten openen.

Hij keerde weder terug en fluisterde:

—Ga nu maar heen, en zeg je meesteres wat wij hier doen, anders verbeeldt zij zich misschien wonder wat. Als wij den kerel beet hebben, zullen wij je wel waarschuwen.

Hij wenkte Charly, en beiden traden het onbewoonde vertrek binnen.

Raffles sloot de deur weder zachtjes en trad onmiddellijk op een tusschendeur toe, welke dit vertrek met het aangrenzende in verbinding bracht, maar die op slot was gedraaid. De sleutel zou zich natuurlijk op het sleutelbord van de pensionhoudster bevinden, tot tijd en wijle er zich een huurder voordeed, die beide kamers zou wenschen te betrekken.

Hij legde het oor tegen het sleutelgat en luisterde ingespannen.

In het eerst kon hij niets verstaan, maar nu werd de stem van den man, die daar binnen sprak duidelijker, en Raffles kon hooren wat hij nu zeide: [21]

—Ik geef u dus nog drie dagen tijd, waarde dame, en dan zult gij door den zuren appel moeten heenbijten. Ik heb u zooeven gezegd, wat ik weet, en wat ik gezien heb. Zorg dat het geld er over drie dagen is, of ik breng u aan de galg.

Een droge snik was het antwoord op deze woorden.

Toen, terwijl Raffles nog steeds gebukt stond, en zich inspande om te hooren wat er nog meer zou worden gezegd, werd er eensklaps een deur geopend en er klonken voetstappen die zich snel verwijderden.

—Daar gaat de schobbejak! fluisterde Raffles.

Hij ging snel de kamer door en opende de gangdeur.

Maar er was reeds niets meer te zien.

Clifford had blijkbaar de voordeur reeds bereikt en was vertrokken.

Ja, daar viel de deur reeds in het slot.

Raffles maakte een gebaar van ongeduld en fluisterde:

—Wij zijn te langzaam geweest. De kerel is ons ontkomen. En nu zijn wij nog niets verder.

—Wat zeide hij eigenlijk, Edward? vroeg Charly nieuwsgierig.

—Hij wil geld van haar hebben, antwoordde de Groote Onbekende. Een ordinaire poging tot afpersing. Hij weet iets van de vrouw, die hier onder den naam van miss Daring woont, en die wel niemand anders zal zijn dan de late bezoeker. Wie weet heeft de kerel alles gezien en wil hij nu zijn voordeel doen met die wetenschap.

—Dan heeft hij dus die ongelukkige in zijn macht, kwam Charly.

—Dat moet wel zoo zijn. Je ziet wel, dat er verband bestond tusschen den naam van het Vlaamsche plaatsje, de bezoekster en dien Clifford. Hij is tijdens den oorlog de oppasser geweest van den majoor, vergeet dat niet.

—Ik vergeet het niet, maar ik kan mij nog altijd niet voorstellen, wat dit feit te maken heeft met den moord op Wigmore.

—Dat zullen wij kunnen ontdekken, als wij de gangen van dien man maar verder nagaan. Wij zijn hier helaas een paar minuten te laat gekomen anders hadden wij gehoord, wat het geheim is, waarover Clifford hier was komen spreken.

—Maar ben je niet moreel verplicht, het verblijf van de vrouw in die kamer naast ons aan de politie mede te deelen, als je er dan zoo stellig van overtuigd bent, dat zij en niemand anders den majoor kan hebben vermoord? Vergeet niet, dat er op het oogenblik een onschuldige in de gevangenis zucht.

—Ik weet het, Charly, en ik zal dan ook zeker handelend optreden, als het mocht blijken, dat ik het goed gezien heb. Maar eerst moeten wij zekerheid hebben, en die kunnen wij pas krijgen, als wij weten, wie die Clifford eigenlijk is, en welke rol hij in dit drama heeft vervuld.

—Zou hij niet naar het huis in de Ormond Street terugkeeren?

—Zeker zal hij dat! Hij moet toch ergens wonen!

—Maar zal hij niet spoedig een nieuwe betrekking gaan zoeken?

—Daarmee zal hij wel wachten tot over drie dagen! Want als de vrouw daar aan den anderen kant voor zijn bedreigingen bezwijkt, dan kan hij wellicht een heerenleven leiden! Zij is misschien rijk!

—Zullen wij niet blijven, tot wij haar gelaat hebben kunnen zien?

—Wij zullen zelfs naar binnen gaan, mijn jongen!

—Wat—wil je haar ondervragen? hernam Charly. Nu? Op dit oogenblik?

—Ja, aanstonds! Misschien legt zij wel een volledige bekentenis af! [22]