Reeds terwijl hij deze woorden sprak, had Raffles het vertrek verlaten, en nu klopte hij op de deur van de aangrenzende kamer.
Deze werd juist op dit oogenblik geopend, en op den drempel verscheen een jonge vrouw, met een doodelijk bleek gelaat, waarin de donkere oogen den vreemdeling met een verschrikten blik aanzagen.
Zij was gekleed om uit te gaan.
Zij deinsde een stap achteruit, en vroeg, nauwelijks hoorbaar:
—Wat wenscht gij? Wie zijt gij?
—Dat zult gij aanstonds vernemen, miss! antwoordde Raffles op ernstigen toon, terwijl hij, door Charly gevolgd, het vertrek binnentrad, en de deur achter zich sloot.
De jonge vrouw had de kleine hand op het hart gedrukt en even de oogen gesloten.
Zij liet zich nu op een stoel vallen en wees met een vaag gebaar haren bezoekers twee andere stoelen aan.
Maar Raffles hernam:
—Wij zullen met uw goedvinden liever blijven staan, miss!
—Zeg mij dan spoedig, wat gij van mij verlangt!
—De waarheid over de misdaad in de Ormond Street, miss! antwoordde Raffles, zonder zijn blikken van het bleeke gelaat der jonge vrouw af te wenden.
Deze was opgestaan en staarde Raffles aan, alsof zij een geestverschijning zag.
Haar lippen prevelden eenige onverstaanbare klanken en daarop viel zij achterover in haar stoel terug.
Zij was bezwijmd.
Raffles trad haastig op haar toe, en zeide toen tot Charly:
—Ga wat vlugzout, azijn en eau-de-Cologne halen!
Terwijl Charly wegsnelde om het gevraagde te halen, onderzocht Raffles vluchtig het vertrek.
Hij opende een wandkast, en het eerste wat hij daar zag, was een volledig heerencostuum, een slappen vilten heerenhoed en een dikke overjas met breeden kraag.
In een lade van de groote waschcommode vond hij een kleine, ordinaire revolver, en toen hij het wapen snel onderzocht, zag hij, dat er nog vijf kogels in het magazijn zaten.…..
Er stond een kleine damesschrijftafel in het vertrek, waarvan het blad echter gesloten was.
Raffles opende de tasch, welke de bewustelooze vrouw in de hand hield en vond daar een sleutelbos in.
Juist had hij er dezen uitgenomen, toen Charly terugkeerde.
—Ik heb dit alles van de pensionhoudster! zeide hij. De oude dame is zeer verschrikt en zij wilde mij met alle geweld vergezellen, maar toen ik haar voorhield, dat zij dan waarschijnlijk voor de rechtbank zou moeten verschijnen, trok zij zich aanstonds in haar kamer terug.
Raffles had het fleschje met vlugzout uit de hand van Charly genomen en hield het onder den neus van de bezwijmde vrouw, waarop hij haar slapen en polsen met azijn begon in te wrijven.
Enkele minuten later ontwaakte de jonge vrouw uit haar flauwte en keek met verwilderden blik om zich heen.
Toen bleven haar donkere, doodelijk verschrikte [23]oogen op het gelaat van Raffles gevestigd, en nu sloot zij ze weder en leunde met het hoofd tegen den rug van haar stoel.
Zij leek zoo een doode!
Geruimen tijd was het zóó stil in het vertrek, dat men niets anders hoorde dan het zwakke tikken van de kleine pendule op een kastje bij het raam.
Raffles was de eerste, die sprak.
Hij boog zich voorover, en zeide op ernstigen, vermanenden toon:
—Wij zullen u niet te lang martelen, miss—wij kennen de waarheid! Wij weten, wie hier zooeven bij u is geweest en wij hebben een gedeelte van het gesprek gehoord.
—Zijt gij politiebeambten? vroeg de vrouw, zonder de oogen te openen.
—In zekeren zin zijn wij dat, miss, antwoordde Raffles, terwijl er een zonderlinge glimlach om zijn lippen kwam spelen. Wij komen op voor de gerechtigheid, en wij bestraffen de misdaad!
—Waar beschuldigt ge mij van?
—Dat weet gij heel goed! antwoordde Raffles streng. Gij hebt gisteren majoor Wigmore neergeschoten met behulp van de revolver, welke ik zooeven in de lade van uw waschtafel heb gevonden! Gij waart als heer gekleed, en de manskleederen hangen in gindsche kast! En ten overvloede—Clifford is getuige geweest van uw onderhoud met den majoor en hij is zooeven hier gekomen, om u te dreigen, dat hij u aan de politie zou verraden, wanneer gij hem geen geld zou geven!
De jonge vrouw liet een zacht gekreun hooren, en uit haar gesloten oogen welden brandende tranen op de bevende hand, die vóór haar op het tafelkleed lag.
Toen klonk het zwak over haar witte lippen:
—Zoo moest het komen! Ik heb het geweten! Mijn leven heeft toch geen waarde meer.….. Ik beken! Ja, ik deed het, en ik ging er heen, wetende, dat ik het zou doen!
Plotseling liet zij het hoofd voorover op den arm vallen en barstte in een wild snikken los, hetgeen haar geheele lichaam deed schokken.
Raffles liet haar tot bedaren komen, strak vóór zich uit starend, en na eenige minuten richtte de jonge vrouw het hoofd weder op, droogde haar tranen en zeide met heesche stem:
—Ik zal u alles mededeelen—ik zie wel, dat er geen ontkomen meer is! De bewijzen tegen mij zijn overstelpend!
—Dat niet alleen—er zit een onschuldig man om uwentwille in de gevangenis! hernam Raffles.
—Mijn God! Dat wist ik niet! riep de ongelukkige vrouw uit. Wie is het?
—Henry Brix, de oude bediende van den majoor!
—Dat is vreeselijk! zeide de jonge vrouw, terwijl er een rilling over haar gelaat liep, dat.…..
—Dat is het zeker, miss—en daarom moet gij de waarheid zeggen, hoe zwaar ook uw straf moge zijn—gij moogt er u niet aan onttrekken, omdat gij daardoor een onschuldige voor zijn geheele verdere leven ongelukkig zoudt maken.
De vrouw knikte zwijgend eenige malen met het hoofd, en zeide toen, half vóór zich heen:
—Gij hebt gelijk! Dat mag niet! Dat zou mijn daad leelijk afzichtelijk maken! En luister nu naar mij! Het is een kort verhaal—ik zal u niet lang ophouden!
De jonge vrouw had de handen samengevouwen en begon nu, terwijl zij haar blikken strak op een donkeren hoek van het vertrek gevestigd hield:
—Vier jaar geleden was ik de gelukkige verloofde van een jongen man, dien ik boven alles ter wereld lief had. Zijn naam was Edmund Fisher. Wij zouden zoo spoedig mogelijk trouwen—en toen kwam het bevel voor mijn verloofde, om zich bij zijn regiment aan te melden.
—Het veertiende regiment Lancashires? vroeg Raffles op zachten toon.
De vrouw keek Raffles met wijd opengesperde oogen aan en vroeg:
—Hoe weet gij dat?
—Ik wist het niet—ik vermoedde het slechts! antwoordde Raffles. Ga door, als ik u verzoeken mag.
—Ons afscheid was hartverscheurend, vervolgde de jonge vrouw. Ik was waanzinnig van smart! Ik bezat weinig of geen familie, en Edmund was alles voor mij in de wereld! Gij zult het laf vinden, maar ik heb, zonder dat hij het wist, nog pogingen in het werk gesteld om hem bij de administratie of den treindienst geplaatst te krijgen, zonder het minste resultaat natuurlijk. Hij vertrok, en ik smeekte God, dat Hij mij [24]mijn eenigen schat op aarde weder in mijn armen zou voeren!
Een droge snik ontwrong zich aan de keel van de jonge vrouw, en haar gelaat getuigde van een vreeselijke smart.
Toen ging zij voort:
—Het lot scheen mijn Edmund gunstig gezind te zijn—hij streed als een leeuw, en slechts tweemalen werd hij licht gewond.
Maar tijdens den oorlog had ik kennis gemaakt met zijn luitenant, Richard Wigmore, die naderhand kapitein en majoor werd. Hij kwam vrij dikwijls met verlof over—vaker, dan ik voor mogelijk had gehouden, en dan kwam hij mij telkens opzoeken, ten huize van mijne tante, waar ik reeds lang woonde, en wier notaris ook mijn klein vermogen beheerde. Het werd mij al spoedig duidelijk, door welke beweegredenen Richard Wigmore naar het huis van mijn tante werd gedreven. Hij had mij lief—zoo zeide hij althans! Ik wees hem met verontwaardiging af, en ik verweet hem, dat hij misbruik maakte van mijn toestand, en van de afwezigheid van mijn verloofde!
Een oogenblik zweeg de jonge vrouw, en klaarblijkelijk vlogen haar gedachten naar die dagen van weleer.
Zij had de kleine vuist nog gebald, en een rimpel liep dwars over het blanke, gladde voorhoofd.
Toen sprak zij, als in een droom:
—Hij bleef aandringen—ik bleef weigeren! Maar aan Edmund heb ik nimmer iets durven mededeelen—en misschien is dat wel mijn verderf geworden. Het mijne en het zijne! Den laatsten keer, dat ik Richard Wigmore sprak, was hij reeds majoor, en Edmund had het van gewoon soldaat tot tweede-luitenant gebracht. Het was in de laatste dagen van October, en ik had mij reeds zeer ongerust gemaakt over het wegblijven van Edmund’s brieven, die hij mij al die jaren, wanneer hij niet met verlof over was, geregeld iedere week had gestuurd. En toen kwamen er een paar brieven—die mij het hart samennepen, want zij waren zeer kort en onverschillig! En ten slotte—het was in de eerste dagen van November—kwam er een brief, een anonieme brief, waarin mij werd medegedeeld, dat Edmund mij ontrouw was geworden!
Weer hield de jonge vrouw even op, want de ontroering had haar overmand, en een oogenblik scheen het of zij opnieuw in zwijm zou vallen.
Zij wist zich echter uit alle macht te beheerschen, en vervolgde:
—Door een toeval alleen kwam de gansche ellendige toeleg aan het licht, mijnheer! Hij had die laatste brieven niet zelf geschreven—hij was steeds geregeld blijven doorschrijven, maar Richard Wigmore had mijn brieven zoowel als de zijne onderschept en zelf had hij de laatste paar brieven geschreven, waarin ik onverschilligheid had meenen te lezen!
Hier werd zij in de rede gevallen door een uitroep van Charly, die zijn verontwaardiging niet langer meester was en woedend uitriep:
—Die eerlooze ellendeling!
Raffles wierp hem een snellen blik toe, maar de jonge vrouw zeide:
—Gij geeft hem daar den naam, die hem toekomt, mijnheer! Maar hij ging verder. Hij werd tot laffe moordenaar! Toen hij bemerkte, dat zijn plan door een toeval mislukt was en dat wij toch weder met elkander correspondeerden, verzon hij een duivels gemeenen toeleg, om zijn gehaten medeminnaar uit den weg te ruimen.
Zij had nu het hoofd gebogen, en in haar stem lag een sissende klank, terwijl haar oogen bliksems schoten, toen zij voortging:
—Het was twee dagen vóór het sluiten van den wapenstilstand, twee dagen, hoort gij? Nog tweemaal vier-en-twintig uren, en Edmund was voorgoed bevrijd geweest van dien ellendeling! Zijn regiment lag in de buurt van Waverghem. Ik heb dat alles later van een wederzijdschen vriend vernomen. Gevochten werd er toen reeds bijna niet meer! Iedereen gevoelde, dat het einde met snelle schreden naderde. Toen moest er, naar het heette, een verkenning worden gedaan en Richard Wigmore wees daarvoor Edmund met twee mannen aan. Hij zeide, dat het niets te beteekenen had, daar de vijand zich op vele kilometers afstand buiten schot van onze artillerie had ingegraven. Maar de schurk had dienzelfden dag, geen twee uren geleden, van een verkenningsagent de tijding gekregen, dat de Duitschers in een klein, naburig boschje een mitrailleurpost hadden gevestigd, en dat zij den weg konden bestrijken, die van Waverghem naar het naburige dorp [25]leidde—den weg, dien de drie mannen moesten volgen! En weet gij wat hij deed? Met een handdruk nam hij afscheid van den man, dien hij in den dood zond!
—Driewerf vervloekte schurk! barstte Charly uit, die trilde van woede, en den wenk van Raffles reeds vergeten was.
De jonge vrouw scheen er zich in het geheel niet van bewust te zijn, dat deze uitroep zonderling klonk in den mond van een politiebeambte, en riep op hartstochtelijken toon:
—Ja,—een schurk! Een verraderlijke, duivelsche schurk! Een judas, die met een glimlach op het gelaat den man vermoordde, die hem in den weg stond! De rest is spoedig verhaald—van de drie keerde er geen terug! De mitrailleur had hen verrast, toen zij opgewekt voortschreden, vertrouwend op het woord van hun majoor, en men vond later hunne lijken met kogels als het ware doorzeefd.…..
Er volgde een geruime tijd van stilzwijgen op deze woorden.
Het verhaal had diepen indruk op de beide mannen gemaakt, en zij begrepen nu, wat er moest zijn om gegaan in het hart van deze ongelukkige.
Toen nam Raffles het woord en vroeg:
—Wanneer wist gij dit alles?
—Het is mij omstreeks een half jaar geleden medegedeeld.
—Door wien?
—Door een vriend van Edmund, die toen pas uit een Parijsch ziekenhuis terugkeerde, waar hij bijna zes maanden verpleegd was. Hij was er bij tegenwoordig geweest, toen de opdracht aan Edmund gegeven werd, en hij ontdekte ook later, dat Richard Wigmore op de hoogte was geweest van de aanwezigheid van den mitrailleurpost.
—Wie is die Clifford?
—Hij is jaren oppasser van Wigmore geweest!
—Gij hebt u dus willen wreken?
—Dat heb ik—en het is mij gelukt!
—Waarom hebt gij zoolang gewacht met het ten uitvoer leggen van uw plan?
—Omdat Richard Wigmore kort na het sluiten van den wapenstilstand eerst nog naar Alexandrië werd gezonden, en vandaar pas twee maanden geleden is teruggekeerd. Het duurde toen nog geruimen tijd eer ik zijn spoor vond—maar toen ik het eenmaal had, stond mijn besluit ook vast!
—De getuigen zeggen, dat gij wel een half uur bij hem geweest zijt, is dat zoo?
—Neen, zoo lang kan het niet geweest zijn—hoogstens een kwartier of twintig minuten.
—Herkende hij u dadelijk?
—Neen, want ik had mannenkleederen aangetrokken. Misschien was ik nog wel zwak geweest, als de ellendeling mij niet opnieuw van liefde had gesproken, en mij zelfs wilde kussen—na alles wat ik wist! Toen zag ik een bloedrooden nevel vóór mijn oogen. Ik haalde mijn revolver uit den zak van mijn overjas, terwijl hij mij omklemd hield—en ik schoot hem neder!
Weer bleef het eenigen tijd stil.
Toen hernam Raffles op ernstigen toon:
—Er blijft u nog een zware weg te bewandelen, miss. Gij moet zelf begrijpen, wat u te doen staat. Wigmore had zich vreeselijk aan u vergrepen—en menige andere vrouw zou evenals gij hebben gehandeld, maar gij alleen kunt den ongelukkigen Brix redden—ook al zoudt gij uzelf daarbij ten offer moeten brengen. Ik weet echter zeker, dat onze rechters verzachtende omstandigheden zullen doen gelden, als gij hun het verhaal doet, hetwelk wij zooeven uit uw mond vernomen hebben.
De jonge vrouw slaakte een diepen zucht en zeide op doffen toon:
—Het komt er niet op aan—voor mij is het uit! Ik heb nog slechts geleefd om den dood van Edmund te kunnen wreken! En als ge mij nu zoudt vragen, of ik berouw heb van mijn daad, dan zou ik u toeschreeuwen: Neen! Duizendmaal neen! Hij verdiende het!
Zij had dit laatste op hartstochtelijken toon en met stemverheffing uitgeroepen.
De twee mannen zwegen, want diep in hun hart konden zij zich dit wraakgevoel van een vrouw begrijpen, die zich zelf had willen zijn, en den man gedood had, die de moordenaar van haar minnaar was geweest.
Raffles was opgestaan en had Charly een wenk gegeven.
Hij richtte zich tot de jonge vrouw en zeide op zachten toon:
—Gij weet nu, wat u te doen staat. Het is hard—[26]maar het is uw plicht! Meld u morgen bij de politie aan en zeg de waarheid!
—Arresteert ge mij dan niet? riep zij verwonderd uit.
Raffles schudde ontkennend het hoofd.
—Dat is niet onze taak. Wij vertrouwen, dat gij u zelf bij de politie zult aanmelden! En nu nog deze vraag: Heeft die Clifford, die blijkbaar het gesprek tusschen u en majoor Wigmore heeft afgeluisterd, u zijn adres niet opgegeven?
—Neen, hij zeide, dat hij het geld wel zou komen halen!
—Nu, wij zullen den schelm wel vinden! zeide Raffles op dreigenden toon. Misschien is hij ook wel bekend met de inbraak!
Charly was ook opgestaan.
Met een korten hoofdknik verlieten de twee mannen het vertrek, terwijl zij de ongelukkige vrouw daarbinnen in een beklagenswaardigen toestand achter moesten laten.