[Inhoud]

HOOFDSTUK VI.

De strijd om den buit.

Den volgenden dag stonden de bladen vol van de jongste opzienbarende gebeurtenis inzake den moord in de Ormond Street.

Een jonge vrouw, Claire Gray geheeten, had zich bij de politie aangemeld en verklaarde, dat zij majoor Richard Wigmore gedood had.

Aanvankelijk had men gemeend, met een krankzinnige te doen te hebben, maar het bleek al spoedig, dat de jonge vrouw de waarheid sprak, en zoo werden de aanhangers van de stelling, dat er een vrouw in het spel geweest zijn, in het gelijk gesteld, al hadden ook zij waarschijnlijk niet verwacht, dat de zaken zulk een onverwachten keer zouden nemen.

Natuurlijk werd Claire Gray onmiddellijk in arrest gesteld, terwijl men den ouden Brix aanstonds uit zijn gevangenschap ontsloeg. Maar dadelijk bleek, dat de jonge vrouw de sympathie der groote menigte aan haar zijde had, ook al had zij zich schuldig gemaakt aan een daad, die onder alle omstandigheden te verafschuwen is.

Er waren zelfs al eenige bladen, die verzekerden, dat de jonge vrouw stellig uit zelfverdediging moest hebben gehandeld, en andere hoopten, dat de advocaat partij zou weten te trekken uit de omstandigheid, dat het onnoozele pistooltje, waarvan Claire Gray zich bediend had, onder normale omstandigheden nauwelijks een ernstige wonde kon veroorzaken.

Clifford had zich, waarschijnlijk gewaarschuwd door zijn instinct, juist bijtijds uit de voeten gemaakt, voor men tot zijn arrestatie kon overgaan, want Claire Gray [27]had aan de politie ook mededeeling gedaan van de poging tot afpersing van den schurk, waaruit voortvloeide, dat hij het gesprek had afgeluisterd, terwijl hij misschien ook wel zijdelings betrokken was bij de inbraak.

Maar hoe snel Clifford zich ook uit de voeten had gemaakt, hij deed het toch niet snel genoeg om aan het wakend oog van den Grooten Onbekende te ontsnappen.

Want Raffles had aanstonds zijn wachtposten uitgezet, en de gangen van den schurk zorgvuldig laten nagaan, zoodat hij geen stap gedaan had of Raffles droeg er kennis van.

En zoo wist hij dan, dat Clifford onder een valschen naam een klein vertrekje had gehuurd in de Church Street, een nauwe, morsige straat in Houndsditch, een volkswijk van Londen, in het noord-oosten van de stad gelegen.

Raffles was in een tamelijk naargeestige stemming, toen hij op den middag van dien dag met de handen op den rug heen en weder liep in de bibliotheekzaal van het fraaie huis aan de Regent Street.

Hij had eenige uren geleden vernomen van deze aangifte van Claire Gray, en een kwartier geleden was Charly hem komen berichten waar Clifford gebleven was. Thans stond de trouwe chauffeur Henderson, als straatslijper vermomd voor de deur van het huis in de Church Street, op de loer. En de reus zou er wel zorg voor dragen dat de schelm niet zou ontsnappen.

De deur werd geopend en Charly trad het vertrek binnen.

Hij wierp een onderzoekenden blik op het gelaat van zijn vriend en zeide:

—Je schijnt in een sombere stemming te zijn, Edward?

—Ik ontken het niet, Charly, deze treurige zaak heeft mij meer aangegrepen dan ik wel durf bekennen. Hier is een moord gepleegd,—zeker, en toch—wie kan sympathie gevoelen voor den vermoorde en afschuw voor de moordenares? Ik doe er mijn best toe,—en het wil mij niet gelukken. „Oog om Oog—Tand om Tand” zegt de bijbel, en Claire Gray heeft zich daar aan gehouden. Wat Wigmore gedaan heeft, is het laagste waartoe een mensch vervallen kan—sluipmoord! Als hij hem in een eerlijk tweegevecht overhoop had gestoken, dan zouden wij allen de wraak van Claire Gray in een geheel ander licht zien,—zij zou ons zeker afschuwelijker voorkomen! Maar de majoor heeft zijn medeminnaar, laf als alle gewetenloze menschen zijn, met een huichelachtigen glimlach om de lippen in den dood gezonden!

—Veronderstel eens, dat hij daarvoor terecht had moeten staan. Zou men hem dan gevonnist hebben?

—Als de bewijzen voldoende waren geweest—dan had men hem den kogel gegeven! riep Raffles uit.

—Wat wil je nu eigenlijk met dien Clifford aanvangen?

—Hem gebruiken als lokvink!

—Ik begrijp je niet!

—Door hem wil ik de inbrekers trachten te vangen!

—Maar je weet volstrekt niet, of Clifford wel iets met die kerels uitstaande heeft!

—Ongetwijfeld! De kans is zelfs groot, dat hij er niets mede uitstaande heeft! Maar de kleine kans, dat het wel zoo is, mag ik niet veronachtzamen! Een schavuit, die in staat is, rustig toe te zien, hoe de moordenares van zijn meester het huis door een venster verlaat, alleen omdat hij daar later profijt van hoopt te trekken—die is ook in staat zijn meester te bestelen!

—Hoeveel bedraagt het gestolen bedrag?

—Ruim veertig duizend pond sterling!

—En heeft de politie nog volstrekt geen spoor van de inbrekers kunnen vinden?

—Neen. Sullivan en Dorrit Evans doen blijkbaar wat zij kunnen, maar zij zijn er nog niet in geslaagd, de bedrijvers van de inbraak te ontdekken.

—En de vingerafdruk op de kast en aan de raampost?

—Die van de kast komt in het misdadigersalbum niet voor—en die aan de raampost bleek van den zelfden man te zijn—zeker een beginneling!

—Wat is nu je meening omtrent het samenvallen van moord en inbraak?

—Louter toeval, mijn jongen!

—Als het raam eens niet had opengestaan, denk je dan, dat Clifford het wellicht zou geopend hebben—verondersteld natuurlijk, dat hij medeplichtig is aan de inbraak?

—Dat lijkt mij zeer waarschijnlijk!

—Nog een vraag—waaruit blijkt het eigenlijk, dat Claire Gray het huis door het raam verlaten heeft? [28]

—Dat blijkt uit niets! antwoordde Raffles lakoniek!

—Maar dan is het zeer wel mogelijk, dat Clifford het voor de bandieten heeft open gezet! riep Charly uit.

—Je opmerking getuigt van groot inzicht in de zaak! hernam Raffles opgewonden. Dat moet dadelijk onderzocht worden! Zijn de middagbladen er al?

—Ze zijn zoo juist gekomen!

—Geef mij er dan eens een als ik je verzoeken mag, mijn jongen! Wellicht vinden wij er iets naders in omtrent het verhoor van de ongelukkige vrouw!

Charly snelde weg, en keerde even later terug met een paar bladen, waarvan hij de kruisband onder het loopen verscheurde.

Raffles greep de „Daily Mail” het blad, hetwelk meestal de meeste aandacht aan dergelijke sensationeele gevallen besteedde, en sloeg het open.

Na eenige oogenblikken liet hij een zachten kreet hooren en riep uit:

—Mijn voorgevoel heeft mij niet bedrogen! Die Clifford moet medeplichtig zijn!

—Waarom?

—Miss Gray heeft bij haar verhoor verzekerd, dat zij het huis door de voordeur heeft verlaten!

—En wat leidt de politie daaruit af?

—Niets anders, dan dat de inbrekers over den tuinmuur zijn geklommen, en zich een weg door het raam hebben gebaand!

—En hoe verklaart zij het dan dat het luik in het geheel niet vernield was?

—Dat verklaart zij niet! kwam Raffles ironisch. Zij accepteert het feit, zonder er zich langer mede op te houden! Maar wij zijn geen politie-autoriteiten en zullen maar liever aannemen, dat het raam van de binnenzijde is geopend!

—Nu wordt het ook duidelijker, waarom die schurk van een Clifford geen alarm maakte, toen hij het schot hoorde en moest begrijpen dat men zijn meester doodde! riep Charly uit. Hij begreep dadelijk, dat men het open raam op rekening van dien moordenaar zou schuiven!

—Die redeneering is niet geheel zuiver, beste Charly, hernam Raffles glimlachend. Want Clifford, blijkbaar een sluwe vos, moet hebben vermoed, dat de politie allereerst zou denken, dat de inbrekers den moord hadden gepleegd, en dus dat het plegen van den moord en het open maken van het raam denzelfden oorsprong hadden! Maar hoe dan ook—wij kunnen het er nu gerust voor houden, dat Clifford in het complot was, en dat een puur toeval den aanslag op Wigmore deed samenvallen met het plan, in zijn huis in te breken! En ik ben zeer verheugd, dat onze trouwe Henderson daarginds op wacht staat, om ons dadelijk per telefoon te waarschuwen als de vos zijn hol verlaat!

—Wat doen wij dan?

—Hem volgen!

—En dan?

—Zien waar hij blijft. Ik denk, dat hij binnenkort wel een samenkomst met de andere bandieten zal hebben, om zijn aandeel in den buit op te eischen!

—Heb je eenig vermoeden omtrent de personen der inbrekers?

—Neen—maar te oordeelen naar de sluwe wijze, waarop zij te werk zijn gegaan, zou het mij hoegenaamd niet verbazen als bleek, dat wij hier te doen hebben met leden van de bende der Raven, of van de Wolven—die beiden behooren tot het Genootschap van den Gouden Sleutel, waarvan onze vijand Dr. Fox de chef is!

—In dat geval zouden wij een prachtigen slag slaan! riep Charly uit. De chef zit achter de tralies! Als wij nu zijn luitenants ook nog onschadelijk kunnen maken, dan mag de politie wel een paar kaarsen voor ons laten branden!

—Zoover zijn wij nog niet, Charly! zeide Raffles. Maar ik hoop, dat het zoover komt!

—En het geld?

—Als wij dat in handen krijgen, dan gaat het dadelijk naar het pas gestichte Tehuis voor Oorlogsweezen! riep Raffles uit. De familie van Wigmore is schatrijk, en hij laat geen kinderen na. En om het aan den Staat te laten vervallen—daar denk ik niet aan!

De beide vrienden spraken nog eenigen tijd over hetzelfde onderwerp voort, en begaven zich toen naar de kleine eetzaal, waar door de goede zorgen van Gaston, den ouden kamerbediende van Lord Aberdeen, een eenvoudige maaltijd hen wachtte.

Zij waren wel genoodzaakt tehuis te blijven, want de afspraak met Henderson luidde, dat hij naar het heerenhuis in de Regent Street zou telefoneeren, zoodra [29]hij iets bijzonders had ontdekt, of wanneer Clifford ’s avonds zijn verblijf zou verlaten.

Het werd bijna elf uur voor de telefoon met schril geluid van de bel overging.

Raffles sprong op en nam het toestel ter hand!

Hij sprak even en legde het toen weder op den haak.

—Op weg, Charly! riep hij uit, terwijl zijn oogen schitterden. De schurk heeft zijn woning verlaten!

—Maar hoe weten wij nu, waar hij heen is gegaan? vroeg Charly.

—Dat zal Henderson ons nader melden! De kerel is daar natuurlijk in de buurt van zijn medeplichtigen gaan wonen, om dicht bij het vuur te zitten. Ik heb Henderson den naam van een café genoemd, waarheen hij zijn telefonische boodschappen kan zenden! Ben je gereed?

—Ik ben tot je dienst!

—Op marsch dan!

De beide vrienden hadden reeds van te voren alles voor hun gevaarlijke onderneming in orde gemaakt, en zij behoefden nu niets anders te doen, dan hun revolvers in hun zak te laten glijden en het huis door de kleine tuinpoort te verlaten.

In de Regent Street riepen zij een huurauto aan en Raffles gaf den chauffeur last, hen naar de Church Street te brengen, waartegen de man eerst wel wat bezwaar had, omdat het zoover uit de buurt was, maar een goudstuk bezwoer zijn bedenkingen.

Een drie kwartier later reed de auto de smerige straat in, en zette de beide mannen af voor een vrij groot café, waar het reeds tamelijk vol was.

Raffles wenkte aanstonds een der drie kellners, die het etablissement rijk was en zeide:

—Luister eens, vriend! Hier heb je een vijf shilling stuk! Aanstonds zal er getelefoneerd worden, en men zal naar mijnheer Blueman vragen. Waarschuw mij dan dadelijk, want het geldt een gewichtige afspraak!

—Zeker, mijnheer! antwoordde de kellner, verheugd over deze groote fooi, welke hij hier zeker niet gewend was. Ik zal niet mankeeren!

Raffles en Charly bestelden iets voor de leuze.… en toen wachtten zij.

Er verliep bijna een half uur en toen kwam de kellner naar hun tafeltje en zeide op zachten toon:

—Daar is een mijnheer Blackman aan de telefoon, die naar mijnheer Blueman vraagt!

—Ik kom dadelijk! zeide Raffles.

Hij stond op, en volgde den kellner naar de telefoon, die in een soort kantoortje van den gérant hing, die op dit oogenblik zijn plichten in de zaal vervulde.

Raffles bleef hier slechts enkele oogenblikken en keerde daarop weder naar Charly terug.

—Ga mede! fluisterde hij. Henderson heeft mij gezegd, waarheen hij zich begeven heeft!

—Waar dan?

—Naar een oud huis in de Windsor Street! Een echt dievenhol! Er zijn daar reeds drie kerels bij elkaar! Wij moeten ons haasten!

—Waar is Henderson?

—Die wacht ons in een klein kroegje op den hoek van de straat, juist tegenover het huis!

—Vooruit dan maar! Als wij Henderson bij ons hebben, dan is vier man geen partij voor ons!

De vertering werd betaald en de twee vrienden begaven zich haastig op weg.

De Windsor Street lag op nauwelijks een kwartier uur gaans, en zij behoefden dus geen auto te nemen—die in deze buurt trouwens niet zoo gemakkelijk te krijgen zou zijn!

Zij liepen snel voort en er werd onderweg weinig gesproken.

Op een naburige kerkklok sloeg het half twee toen Raffles en Charly het kleine wijnhuis bereikten, waar Henderson hen zou wachten.

Zoodra zij waren binnengetreden zagen zij den reus voor een der ramen zitten, naar buiten in de duisternis loerend.

Raffles trad aanstonds op hem toe en zeide op zachten toon:

—Daar zijn wij, James! Je hebt goed je best gedaan! Is de schurk er nog altijd?

—Ja, mijnheer! antwoordde Henderson. Zij moeten daar met zijn vieren zijn, als er tenminste niemand op hen heeft zitten wachten!

—Nu, dat zullen wij wel zien als wij eenmaal binnen zijn! sprak Raffles koeltjes.

Er kwam een soort havelooze kellner op hen toe, die vroeg, wat de heeren zouden gebruiken, maar Raffles zeide lachend: [30]

—Aanstonds, mijn vriend! Wij komen mijnheer hier halen en keeren dadelijk weer terug!

En nu verlieten de drie mannen het rookerige zaaltje, waar men ternauwernood drie passen voor zich kon uitzien en staken snel de straat over.

Er bevonden zich slechts zeer weinig menschen bij den weg, want het weder was alles behalve aanlokkelijk, en er hing sneeuw in de lucht.

—Heb je soms kunnen zien op welke verdieping zij zich bevinden? vroeg Raffles zacht.

—Ik heb op de bovenste verdieping licht zien maken, juist toen de schurk naar binnen was gegaan. Daarna zijn er nog drie bij gekomen.

—Dat klopt ongeveer met het vermoedelijk aantal inbrekers, zeide Charly. Nu, wij zullen wel niet al te veel moeite met hen hebben! Het is nu maar te hopen, dat de kerels het geld hier in dit huis hebben gebracht! Anders zou al onze moeite tevergeefs zijn!

Dit korte gesprek had slechts weinige seconden geduurd, maar het was voldoende voor Raffles geweest, om behendig het wrakke slot van de buitendeur te forceeren.

—Vlug naar binnen, mannen, en niet getalmd! zeide Raffles.

—Wat doen wij met de schavuiten als wij het geld hebben? vroeg Charly, toen allen binnen waren getreden en nu in een tastbare duisternis stonden.

—Laten loopen! antwoordde Raffles lakoniek. Als er geen geld meer is, zal het hun niet moeilijk vallen om alles te loochenen!

—Maar Clifford?

—Dat is wat anders! Die ellendeling, die verklikker en verrader zal zijn gerechte straf niet ontgaan! Heb je voor een auto gezorgd, Henderson?

—Er staat er een te wachten in de garage, hier een pas of vijftig vandaan, Mylord! antwoordde Henderson.

—Dan is alles in orde! Naar boven!

De drie mannen klommen de steile, nauwe trap op, zorg dragend, dat zij de vermolmde treden niet lieten kraken.

Dat was vooral voor den zwaargebouwden Henderson lang niet gemakkelijk, en hij kon dan ook niet beletten, dat er nu en dan een trede even onder zijn voeten kraakte, hetgeen hem dan telkens een onderdrukten vloek ontlokte.

De drie mannen hadden juist het portaal van de derde verdieping bereikt, toen er boven hun hoofd voorzichtig een deur geopend werd, en een zwak schijnsel, blijkbaar afkomstig uit een kamer op de vierde verdieping, de trap schaarsch verlichtte.

Raffles, Charly en Henderson stonden onbewegelijk stil.

Daarboven klonk, nauwelijks hoorbaar, zacht gefluister.

Toen werd het schijnsel sterker en eensklaps verdween het weder, terwijl tegelijk de deur werd gesloten.

—Zij hebben ons gehoord, vrienden! zeide Raffles. Snel naar boven, voor zij langs een anderen weg kunnen vluchten!

De drie mannen stormden naar boven, daar zij thans niet meer behoefden te zorgen, dat men hen niet hoorde—dat was blijkbaar reeds gebeurd!

Er was slechts een enkele deur en Henderson rukte dadelijk aan den knop.

Maar de deur was stevig gesloten!

Binnen klonk het geluid van een raam, dat geopend werd.

—Snel, mannen! beval Raffles. Zij trachten over het dak te ontkomen! Wij zijn hier op de bovenste verdieping! Werp je tegen de deur, James!

Henderson had dit bevel niet eens afgewacht!

Hij nam een korten aanloop en wierp zich uit alle macht tegen de deur.

En het had maar weinig gescheeld, of hij was met deur en al naar binnen gevallen.

Het hout kraakte en splinterde en het volgende oogenblik stonden de drie mannen in een soort zolderkamer, welke op dit oogenblik slechts verlicht was door het schemerig schijnsel, dat door het geopende dakraam naar binnen drong.

Er klonk een rauwe vloek, en een zwaar voorwerp vloog rakelings langs het hoofd van den reus, die vooraan stond.

Men had hem een stoel naar het hoofd willen slingeren!

Maar nu straalde het vertrek eensklaps van licht.

Raffles had zijn sterke electrische zaklantaarn te [31]voorschijn gehaald en ook zijn revolver ter hand genomen.

En bij het licht van dit instrument konden de drie mannen zien, hoe vier kerels in een hoek van het vertrek bijeen stonden gedrongen, blijkbaar verlamd van schrik.

Op een wrakke tafel in het midden van het vertrek lagen eenige goudstukken verstrooid.

Blijkbaar hadden de bandieten nog snel willen vluchten langs het raam, nu de weg langs de trap hun was afgesneden.

Een der kerels had een gonjezak in de hand, die langs zijn beenen schommelde.

Daarin was zeker het gestolen geld verborgen!

—Steek allen uw handen omhoog! beval Raffles op korten toon. Neen, gij met uw zak moet dat voorwerp op tafel leggen! Pas op, Charly!!

Deze waarschuwing gold den jongen man, die nu naar voren was getreden.

Een der schurken had tersluiks zijn arm los laten zakken en zijn revolver kunnen grijpen.

Half achter den rug van een zijner makkers staande, had hij den loop tusschen zijn eigen lichaam en dat van zijn buurman gestoken en op Charly gemikt!

Het schot kraakte.…..

Het schot vloog den jongen man juist langs de ooren, maar hij trof de lantaarn die Raffles vast hield en het volgend oogenblik was het vertrek weder in duisternis gehuld!

Nu ontstond er een woedend gevecht, een handgemeen, waarbij men niet van de vuurwapens gebruik kon maken, wilde men niet het gevaar loopen een vriend te raken.

Maar Henderson was naar voren gesprongen, zoodra het duister werd en had een der bandieten vast weten te grijpen, wat voor dien schurk wilde zeggen, dat zijn lot beslist was.

De reus hief hem als een kind op en smeet hem met zulk geweld tegen den wand, dat hij daar roerloos bleef liggen.

Charly had een stoel beet gekregen en sloeg dien stuk op het hoofd van een der schurken, die toevallig te dicht bij het venster was gekomen, waar men nog iets kon zien.

Wat Raffles betreft, hij worstelde met twee bandieten, waarvan er een zijn mes had weten te grijpen, en nu onder het slaken van woedende kreten een plek trachtte te vinden waar hij zijn vijand kon treffen.

Maar voor hij kon toestooten, had Charly licht kunnen maken met zijn eigen lantaarn, en toen de schurk eindelijk den arm met het mes in de vuist liet dalen … trof hij den opgeheven arm van zijn eigen makker, die Raffles juist een hevigen slag wilde toebrengen.

De strijd was nu spoedig beslist, want drie der bandieten waren reeds buiten gevecht gesteld.

De man, die het laatst was overgebleven, en de eenige die niet gewond was, luisterde naar den naam Clifford!

De kerel stond daar doodsbleek, en met een door haat en woede vertrokken gezicht en keek Raffles valsch aan.

Deze nam in het geheel geen notitie van hem en keek de anderen een voor een aan.

—Er is geen chef bij! mompelde hij. Ik begin te gelooven, dat de heeren op eigen houtje den buit hadden willen verdeelen, en als de bendeleiders daar achter komen, zou het er wel eens leelijk voor die lieden kunnen uitzien! Nu, dat is hun zaak! Laten wij maar eens eerst zien wat die zak bevat!

Henderson tilde het zware voorwerp op tafel, en terwijl Charly Clifford in het oog hield—bij de anderen was dat in het geheel niet noodig, want die konden toch geen vinger verroeren,—onderzocht Raffles vluchtig den inhoud.

—Ja, ja—het is in orde! zeide Raffles glimlachend. Er moet hier voor omtrent 14.000 pond sterling zijn! Nu, dan hebben wij hier niets meer te maken.

Hij wierp den bediende van den vermoorden majoor een ijskouden blik toe, en zeide:

—Dat gij steelt.… daarop kan ik om bijzondere redenen geen aanmerking maken—maar dat gij uw eigen meester verraadt en hem helpt bestelen, dat gij geen hand hebt uitgestoken om zijn dood te wreken, dat gij een onschuldig man in den kerker hebt laten zuchten, dien gij met een enkel woord in vrijheid hadt kunnen doen stellen, en dat alleen uit vuige geldzucht … dat alles is het werk van een laffen, eerloozen schurk! Weg met hem, vrienden!

Henderson had den kostbaren zak dichtgebonden en [32]over zijn schouder geworpen en Charly greep Clifford vast en dwong hem voor hem uit te gaan.

Het huis was reeds in rep en roer geraakt, en het kostte zelfs eenige moeite, den bandiet veilig en wel buitenshuis te krijgen, daar eenige bewoners wel geneigd schenen, den gevangene, dien zij overigens niet kenden, te beschermen uit louter solidariteitsgevoel!

Maar gelukkig boezemde de gestalte van den reusachtigen Henderson hen zoo veel eerbied in, dat de drie mannen met hun gevangene de garage konden bereiken, en Clifford in de gereedstaande auto konden doen plaats nemen.

Maar deze maakte een omweg, waarvan de gevangene pas veel later het doel zou begrijpen.

Zij reed namelijk door de Regent Street.…..

Daar stapte Raffles van de auto, in gezelschap van den goed gevulden zak en verdween in de duisternis.

Maar de auto reed verder en gaf Clifford aan Scotland Yard over, om dadelijk daarop weder weg te rijden!


Een dag later kon de boekhouder van het pas gestichte Tehuis voor Oorlogsweezen een gift van 14.000 pond sterling noteeren van „een onbekende.…..”

De ongelukkige Claire Gray werd, daar er, zooals Raffles wel had voorzien, verzachtende omstandigheden in aanmerking werden genomen, tot slechts een jaar gevangenisstraf veroordeeld.

En er waren velen die dat nog te veel vonden.…..