1 Omtrent lijsters, klauwieren en spechten, zie den heer Blyth in Charlesworth’s „Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1837, blz. 304, ook de noot in zijn vertaling van Cuvier’s „Règne Animal”, blz. 159. Ik geef het geval van Loxia volgens een mededeeling van den heer Blyth. Omtrent lijsters, zie ook Audubon, „Ornith. Biography”, vol. II, blz. 195. Omtrent Chrysococcyx en Chalcophaps, Blyth, aangehaald in Jerdon’s „Birds of India”, vol. III, blz. 485. Omtrent Sarkidiornis, Blyth, in „Ibis”, 1867, blz. 175. ↑
2 Zie bij voorbeeld de mededeeling van den heer Gould („Handbook of the Birds of Australia”, vol. I, blz. 133) omtrent Cyanalcyon (één der ijsvogels), bij wien echter het jonge mannetje, hoewel op het volwassen wijfje gelijkende, minder schitterend is gekleurd. Bij sommige soorten van Dacelo hebben de mannetjes blauwe, en de wijfjes bruine staarten; en de heer R. B. Sharpe meldt mij, dat de staart van het jonge mannetje van D. Gaudichaudii in het eerst bruin is. De heer Gould heeft (ibid., vol. II, blz. 14, 20, [180]37) de jongen van sommige zwarte kakatoes en van den koningslori beschreven, bij welke de zelfde regel doorgaat. Ook Jerdon („Birds of India”, vol. I, blz. 260) omtrent Palaeornis rosea bij welke de jongen meer op het wijfje dan op het mannetje gelijken. Zie Audubon („Ornith. Biography”, vol. II, blz. 475) omtrent de beide seksen en de jongen van Columba passerina. ↑
3 Ik ben deze mededeeling verschuldigd aan den heer Gould die mij de voorwerpen toonde; zie ook zijn „Introduction to the Trochilidae”, 1861, blz. 120. ↑
5 Zie zijn bewonderenswaardige verhandeling in het „Journal of the Asiatic Soc. of Bengal”, vol. XIX, 1850, blz. 223; zie ook Jerdon, „Birds of India”, vol I, introduction, blz. XXIX. Ten opzichte van Tanysiptera zeide Prof. Schlegel den heer Blyth, dat hij onderscheidene afzonderlijke rassen kan onderscheiden, alleen door de kleur van hun gevederte. ↑
6 Zie ook den heer Swinhoe in „Ibis”, Juli, 1867, blz. 131; en een vorige verhandeling met een uittreksel van een aanteekening van den heer Blyth, in „Ibis”, Jan., 1861, blz. 52. ↑
8 Deze soorten zijn beschreven, met gekleurde figuren, door den heer F. Pollen in „Ibis”, 1866, blz. 275. ↑
12 Audubon, „Ornith. Biography”, vol. I, blz. 193. Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol. III, blz. 85. Zie ook het vroeger vermelde geval van Indopicus carlotta. ↑
14 Omtrent de Australische soort, zie Gould’s „Handbook” enz., vol. II, blz. 178, 180, 186 en 188. In het Britsch Museum kan men voorwerpen van den Australischen trapkwartel (Pedionomus torquatus) zien, die soortgelijke seksueele verschillen vertoonen. ↑
15 Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 596. De heer Swinhoe in „Ibis”, 1865, blz. 542; 1866, blz. 405. ↑
20 Omtrent deze verschillende opgaven, zie Gould’s „Birds of Great Britain”. Prof. Newton meldt mij, dat hij reeds sinds lang overtuigd is geweest, wegens zijn eigen waarnemingen en die van anderen, dat de mannetjes van de bovengenoemde soorten den plicht der uitbroeiing hetzij geheel of grootendeels op zich nemen, en dat zij „veel meer toewijding aan hun jongen vertoonen, als deze in gevaar zijn, dan de wijfjes.” Evenzoo is het, naar hij mij meldt, bij de rosse Grutto (Limosa Lapponica) en eenige andere Moerasvogels bij welke de wijfjes grooter zijn en sterker tegen elkander afstekende kleuren bezitten dan de mannetjes. ↑
21 De inboorlingen van Ceram (Wallace, „Malay Archipelago”, vol. III, blz. 150) verzekeren, dat het mannetje en het wijfje beurtelings op de eieren zitten; maar deze meening kan, naar de heer Bartlett denkt, worden verklaard, doordat het wijfje het nest bezoekt om haar eieren te leggen. ↑
23 Zie het uitnemend verslag omtrent de gewoonten van dezen vogel in haar gevangen staat, door den heer A. W. Bennet, in „Land and Water” Mei 1868, blz. 233. ↑
25 Omtrent de Milvago, zie „Zoology of the Voyage of the „Beagle”, Birds”, 1841, blz. 16. Omtrent den Climacteris en de Nachtzwaluw (Eurostopodus), [195]zie Gould’s „Handbook of the Birds of Australia”, vol. I, blz. 602 en 97. De Nieuw-Zeelandsche schildeend (Tadorna variegata) levert een geheel afwijkend geval op; de kop van het wijfje is zuiver wit en haar rug rooder dan die van het mannetje; de kop van het mannetje is van een rijke donkere bronskleur en zijn rug is bekleed met fijn gepenseelde leikleurige vederen, zoodat hij, alles te zamen genomen, als de schoonste van de twee kan worden beschouwd. Hij is grooter en strijdlustiger dan het wijfje, en zit niet op de eieren. Zoodat in al deze opzichten deze soort tot onze eerste klasse van gevallen behoort; de heer Sclater („Proc. Zool. Soc.”, 1866, blz. 150) was echter zeer verwonderd waar te nemen, dat de jongen van beide seksen, wanneer zij ongeveer drie maanden oud waren, in hun donkere koppen en halzen op de volwassen mannetjes, in plaats van op de volwassen wijfjes geleken, zoodat in dit geval de wijfjes schijnen te zijn gewijzigd, terwijl de mannetjes en de jongen een vroegeren toestand van het gevederte hebben behouden. ↑
27 Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 222, 228, Gould’s „Handbook of the Birds of Australia”, vol. I, blz. 124, 130. ↑
32 „Bulletin de la Soc. Vaudoise des Sc. Nat.”, vol. X, 1869, blz. 132. De jongen van de Poolsche zwaan (Cygnus immutabilis) van Yarrell, zijn altijd wit; doch men gelooft, gelijk de heer Sclater mij mededeelt, dat deze soort niets meer is dan een verscheidenheid van de tamme zwaan (Cygnus olor). ↑
33 Ik ben den heer Blyth inlichtingen omtrent dit geslacht verschuldigd. De musch van Palaestina behoort tot het ondergeslacht Petronia. ↑
34 Zoo gebruiken, bijvoorbeeld, de mannetjes van Tanagra aestiva en Fringilla cyanea drie jaren, het mannetje van Fringilla ciris vier jaren, om hun schoon gevederte volkomen te maken (zie Audubon, „Ornith. Biography”, vol. I, blz. 233, 280, 378). De harlekijn-eend gebruikt daartoe drie jaren (ibid., vol. III, blz. 614). Het mannetje van den goudlakenschen fazant kan, naar [201]ik van den heer J. Jenner Weir hoor, van het wijfje worden onderscheiden, als het omtrent drie maanden oud is, maar het verkrijgt zijn volkomen vederpracht niet voor het einde van September van het volgende jaar. ↑
35 Zoo hebben de Ibis tantalus en Grus Americanus vier, de Flamingo verscheidene jaren, en de Ardea Ludoviciana twee jaren noodig, voor zij hun volkomen gevederte verkrijgen. Zie Audubon, ibid., vol. I, blz. 221; vol. III, blz. 133, 139, 211. ↑
36 De heer Blyth, in Charlesworth’s „Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1837, blz. 300. De heer Bartlett heeft mij inlichtingen gegeven omtrent de goudlakensche fazanten. ↑
37 Ik heb de volgende gevallen uit Audubon’s „Ornith. Biography” opgeteekend. De roodstaart van Amerika (Muscicapa ruticilla), vol. I, blz. 203. [202]De Ibis tantalus gebruikt vier jaren om tot volle rijpheid te komen, maar broeit somtijds in het tweede jaar (vol. III, blz. 133). De Grus Americana gebruikt den zelfden tijd; maar broeit, voor zij haar volkomen gevederte verkrijgt (vol III, blz. 211). De volwassenen van Ardea coerulea zijn blauw en de jongen wit; en men kan witte, gevlekte en volwassen blauwe vogels allen te zamen zien broeien (vol. IV, blz. 58); de heer Blyth deelt mij echter mede, dat sommige reigersoorten tweevormig (dimorphisch) schijnen te zijn, want dat men witte en gekleurde vogels van den zelfden leeftijd kan waarnemen. De harlekijn-eend (Anas histrionica, Linn.) heeft drie jaren noodig om haar gevederte te verkrijgen, hoewel vele vogels in het tweede jaar broeien. De witkoppige adelaar (Falco leucocephalus, vol III, blz. 210) is eveneens op onvolwassen leeftijd broeiende waargenomen. Sommige soorten van Wielewalen (Oriolus) broeien (volgens den heer Blyth en den heer Swinhoe, in „Ibis”, Juli, 1863, blz. 68) eveneens, voor zij hun volkomen gevederte verkrijgen. ↑
39 Andere dieren, tot geheel verschillende klasse behoorende, zijn, hetzij gewoonlijk, of slechts nu en dan in staat om zich voort te planten, voor zij volkomen hun volwassen kenmerken hebben verkregen. Dit is het geval met de jonge mannetjes van den zalm. Men heeft onderscheidene Amphibiën (5) waargenomen, die zich voortplantten, terwijl zij hun larvenvorm behielden. Fritz Müller heeft aangetoond („Facts and Arguments for Darwin”, Eng. vert., 1869, blz. 79), dat verscheidene tot de vlookreeften (Amphipoda) behoorende schaaldieren (Crustacea) seksueel rijp worden, terwijl zij nog jong zijn, en ik kom tot het besluit, dat dit een geval van voortplanting op onvolwassen leeftijd is, omdat dan hun knijpers nog niet tot volkomen ontwikkeling zijn gekomen. Alle dergelijke feiten zijn hoogst belangrijk, daar zij [203]betrekking hebben op één der middelen waardoor soorten groote wijzigingen in kenmerken kunnen ondergaan, in overeenstemming met de meeningen van den heer Cope, uitgedrukt met de woorden van „vertraging en versnelling van generische kenmerken”; ik kan echter de beschouwingen van dien uitstekenden natuuronderzoeker niet in haar geheele uitgestrektheid volgen. Zie den heer Cope, „On the Origin of Genera”, in de „Proc. of Acad. Nat. Sc. of Philadelphia”, Oct. 1868. ↑
40 Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 507, omtrent den pauw. Audubon, ibid., vol. III, blz 139, omtrent de Ardea. ↑
41 Voor gevallen die tot voorbeeld kunnen strekken, zie vol. IV van Macgillivray’s „Hist. Brit. Birds”; over strandloopers (Tringa) enz., blz. 229, 271; over den kemphaan (Machetes), blz. 172; over den bontbek-plevier (Charadrius hiatacula), blz. 119; over den goudplevier (Charadrius pluvialus), blz. 94. ↑
42 Omtrent den distelvink van Noord-Amerika (Fringilla tristis, Linn.), zie Audubon, „Ornith. Biography”, vol. I, blz. 172. Omtrent de Maluri, Gould’s „Handbook of the Birds of Australia”, vol. I, blz. 318. ↑
43 Ik ben den heer Blyth inlichtingen verschuldigd omtrent Buphus; zie ook Jerdon, „Birds of India”, vol. III, blz. 742. Omtrent den Anastomus, zie Blyth, in „Ibis”, 1867, blz. 173. ↑
44 Over de alk, zie Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol. V, blz. 347. Over de Fringilla leucophrys, Audubon, ibid., vol. II, blz. 89. Ik zal hier beneden nog moeten terugkomen op de witte kleur der jongen van sommige reigers en zilverreigers. ↑
46 Blyth, in Charlesworth’s „Mag. of Nat. Hist.”, vol. I, 1837, blz. 362, en volgens aan mij door hem gedane mededeelingen. ↑
48 De heer C. A. Wright in „Ibis”, vol. VI, 1864, blz. 65. Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 515. ↑
49 De volgende gevallen mogen hier nog aan worden toegevoegd: de jonge mannetjes van Tanagra rubra kunnen van de jonge wijfjes worden onderscheiden (Audubon, „Ornith. Biography”, vol. IV, blz. 392), en evenzoo is het met de nestvogeltjes van een blauwe spechtmees (Dendrophila frontalis) van Indië (Jerdon, „Birds of India”, vol. I, blz. 389). De heer Blyth meldt mij ook, dat de seksen van den roodborsttapuit (Saxicola rupicola) op zeer vroegen leeftijd zijn te onderscheiden. ↑
52 Er is nimmer een voldoende verklaring gegeven van de verbazende grootte en nog minder van de levendige kleuren van den snavel van den toecan. De heer Bates („The Naturalist on the Amazons”, vol. II, 1863, blz. 341) geeft op, dat zij hun snavel gebruiken om de vruchten aan de uiterste einden der takken te bereiken, en eveneens, gelijk door andere schrijvers wordt opgegeven, om eieren en jonge vogels uit de nesten van andere vogels te halen. De snavel kan echter, gelijk de heer Bates toegeeft, „moeilijk worden beschouwd als een werktuig, zeer volkomen gevormd voor het doel waarvoor het wordt gebruikt.” De groote omvang van den snavel, die even goed het gevolg van zijn breedte en hoogte, als van zijn lengte is, is volgens het beginsel, dat hij eenvoudig tot een grijporgaan dient, niet te begrijpen. ↑
54 Omtrent Larus, Gavia en Sterna, zie Macgillivray, „Hist. Brit. Birds”, vol. V, blz. 515, 584, 626. Omtrent Anser hyperboreus, Audubon, „Ornith. Biography”, vol. IV, blz. 562. Omtrent den Anastomus, den heer Blyth in „Ibis”, 1867, blz. 173. ↑
55 Er mag hier ook worden opgemerkt, dat bij de gieren die ver en wijd door de hoogere streken van den dampkring ronddwalen, gelijk zeevogels over den oceaan, drie of vier soorten bijna geheel of grootendeels wit, en dat vele andere soorten zwart zijn. Dit feit ondersteunt de veronderstelling, dat deze opzichtige kleuren de seksen kunnen helpen om elkander gedurende den paartijd te vinden. ↑
58 De jongen van Ardea rufescens en A. coerulea van de Vereenigde Staten zijn eveneens wit, terwijl de volwassenen overeenkomstig hun soortsnamen zijn gekleurd. Audubon („Ornith. Biography”, vol. III, blz. 416; vol. IV, blz. 58) schijnt er vrij wat vermaak in te scheppen, dat deze opmerkelijke verandering van gevederte in hooge mate „de systematici uit het veld zal slaan.” ↑
59 Ik ben veel dank verschuldigd aan den heer Sclater die zoo vriendelijk was deze vier hoofdstukken over Vogels en ook de beide volgende over Zoogdieren door te zien. Op die wijze ben ik bewaard gebleven voor het maken van fouten in de namen der soorten en voor het mogelijk mededeelen van feiten die aan dezen uitstekenden natuuronderzoeker als onjuist bekend waren. Hij is echter natuurlijk in het minst niet verantwoordelijk voor de juistheid der opgaven, door mij aan verschillende autoriteiten ontleend. ↑