1 Schaaffhausen, vertaling in „Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 419, 420, 427. 

2The Heart of Africa”, Eng. vert., 1873, vol. I, blz. 544. 

3 Ecker, vertaling in „Anthropolog. Review”, Oct. 1868, blz. 351–356. De vergelijking van den schedelvorm van den man met dien van de vrouw is door Welcker met veel zorg uitgewerkt. 

4 Ecker en Welcker, ibid., blz. 352, 355; Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vertaling, blz. 81. 

5 Schaaffhausen, „Anthropolog. Review”, ibid., blz. 429. 

6 Pruner-Bey, omtrent negerkinderen, aangehaald door Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert., 1864, blz. 189; voor verdere feiten omtrent negerkinderen, aangehaald, van Winterbottom en Camper, zie Lawrence, „Lectures on Physiology” enz., 1862, blz. 451. Omtrent de kinderen der Guarani’s, zie Rengger, „Säugethiere” enz., blz. 3. Omtrent de Australiërs, Waitz, „Introduct. to Anthropology”, Eng. vert., 1863, blz. 99 

7 Rengger, „Säugethiere” enz., 1830, blz. 49. 

8 Zooals bij Macacus cynomolgus (Desmarest, „Mammalogie”, blz. 65) en bij Hylobates agilis (Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist. Nat. des Mamm.”, 1824, tome I, blz. 2). 

9Anthropological Review”, Oct. 1868, blz. 253. 

10 De heer Blyth meldt mij, dat hij nooit meer dan één voorbeeld heeft gezien, dat de baard, bakkebaarden enz. bij een aap in den ouderdom grijs werden, zooals bij ons zoo algemeen het geval is. Dit gebeurde echter bij een ouden en gevangen gehouden Macacus cynomolgus wiens knevels „opmerkelijk lang en menschelijk” waren. Over het geheel geleek deze aap op lachwekkende wijze op een van de regeerende vorsten van Europa, naar wien hij algemeen werd genoemd. Bij sommige menschenrassen wordt het hoofdhaar nauwelijks ooit grijs; zoo heeft de heer D. Forbes, naar hij mij meldt, daarvan nooit een voorbeeld gezien bij de Aymara’s en Quichua’s van Zuid-Amerika. 

11 Dit is het geval met de wijfjes van onderscheidene soorten van Gibbons (Hylobates), zie Geoffroy St. Hilaire en F. Cuvier, „Hist Nat. des Mamm.”, tome I. Zie ook omtrent H. Lar, „Penny Encyclopedia”, vol. II, blz. 149, 150. 

12 De resultaten werden door Dr. Weisbach afgeleid uit de door Dr. Scherzer en Dr. Schwarz gedane metingen, zie „Reise der Novara: Anthropolog. Theil”, 1867, blz. 216, 231, 234, 236, 239, 269. 

13Voyage to St. Kilda” (3rd. edit, 1753), blz. 27. 

14 Sir J. E. Tennent, „Ceylon”, vol. II, 1859, blz. 107. 

15 Quatrefages, „Revue des Cours Scientifiques”, 29 Aug. 1868, blz. 630; Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert., blz. 127. 

16 Over de baarden van de negers, Vogt, „Lectures” enz., ibid., blz. 127; Waitz, „Introduct. to Anthropology”, Eng. vert., 1863, vol. I, blz. 96. Het is opmerkelijk, dat in de Vereenigde Staten („Investigations in Military and [317]Anthropological Statistics of American Soldiers”, 1869, blz. 569), de zuivere negers en hun gekruist kroost bijna even harige lichamen schijnen te hebben als die van Europeanen. 

17 Wallace, „The Malay Arch.”, vol. II, 1869, blz. 178. 

18 Dr. J. Barnard Davis over Oceanische rassen, in „Anthropolog. Review”, April, 1870, blz. 185, 191. 

19 Catlin, „North American Indians”, 3rd. edit., 1842, vol. II, blz. 227. Over de Guarani’s, zie Azara, „Voyages dans l’Amérique Mérid.”, tome II, 1809, blz. 58; ook Rengger, „Säugethiere von Paraguay”, blz. 3. 

20 Prof. en Mevrouw Agassiz („Journey in Brazil”, blz. 530) merken op, dat de seksen van de Amerikaansche Indianen minder verschillen dan die van de negers en van de hoogere rassen. Zie ook Rengger, ibid., blz. 3, over de Guarani’s. 

21 Rütimeyer, „Die Grenzen der Thierwelt; eine Betrachtung zu Darwin’s Lehre”, 1868, blz. 54. 

22A Journey from Prince of Wales Fort, 8vo. ed., Dublin, 1796, blz. 104. Sir J. Lubbock („Origin of Civilisation”, 1870, blz. 69) deelt andere soortgelijke gevallen in Noord-Amerika mede. Omtrent de Guana’s van Zuid-Amerika, zie Azara, „Voyages”, enz. tome II, blz. 94. 

23 Over het vechten der mannelijke gorilla’s, zie Dr. Savage in „Boston Journal of Nat. Hist.”, vol. V, 1847, blz. 423. Omtrent Presbytis entellus, zie het „Indian Field”, 1859, blz. 146. 

24 J. Stuart Mill merkt op („The Subjection of Women”, 1869, blz. 122): „De dingen waarin de man de vrouw het meest overtreft, zijn die welke het meeste hoofdbreken en lang hameren op enkele gedachten vereischen.” Wat is dit anders dan geestkracht en volharding? 

25 Een opmerking van Vogt heeft op dit onderwerp betrekking; hij zegt: „het is een opmerkelijk feit, dat het verschil tusschen de seksen, met betrekking tot de schedelholte, toeneemt met de ontwikkeling van het ras, zoodat de mannelijke Europeeër de vrouwelijke daarin veel meer overtreft dan de negerin. Welcker heeft deze stelling van Huschke door zijn metingen van [324]negerschedels en Duitsche schedels bevestigd.” Vogt geeft echter toe („Lectures on Man”, Eng. vert., 1864, blz. 81), dat er meer waarnemingen omtrent dit punt worden vereischt. 

26 Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 603. 

27Journal of the Anthropolog. Soc.”, 1869, blz. LVII, LXVI. 

28 Dr. Scudder, „Notes on Stridulation”, in „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, vol. XI, April 1868. 

29 Medegedeeld in W. C. L. Martin’s „General Introduc. to Nat. Hist. of Mamm. Animals”, 1841, blz. 432; Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. III, blz. 600. 

30 Helmholtz, „Théorie Phys. de la Musique”, 1868, blz. 187. 

31 De heer R. Brown, in „Proc. Zool. Soc”, 1868, blz. 410. ↑ a b

32Journal of Anthropolog. Soc.” Oct. 1870, blz. CLV. Zie ook de verschillende latere hoofdstukken in Sir Lubbock’s „Prehistoric Times”, die een uitnemende beschrijving van de gewoonten van wilden bevatten. 

33 Sedert dit hoofdstuk is afgedrukt, heb ik een hoogst belangrijk artikel gelezen van den heer Chauncey Wright („North Amer. Review”, Oct. 1870, blz. 293), die bij de bespreking van bovenstaand onderwerp opmerkt: „Er zijn vele gevolgen der laatste wetten of overeenstemmingen der natuur, door welke de verkrijging van een nuttig vermogen vele daaruit voortvloeiende voordeelen en ook beperkende nadeelen, zoowel feitelijk als mogelijk, met zich zal brengen, welke het nuttigheidsbeginsel niet in den kring zijner werking kan hebben begrepen.” Dit beginsel heeft een belangrijke strekking, gelijk ik in het tweede hoofdstuk van dit werk, over de verkrijging door den mensch van sommige zijner geestelijke kenmerken, heb trachten aan te toonen. 

34 Zie de zeer belangwekkende bespreking van den Oorsprong en de de Werking der Muziek, door den heer Herbert Spencer in zijn verzameling van „Essays”, 1858, blz. 359. De heer Spencer komt tot een juist tegenovergesteld besluit als waartoe ik ben gekomen. Hij besluit, dat de maten die in een aandoenlijke rede („emotional speech”) worden gebruikt, den grondslag uitmaken, waaruit zich de muziek heeft ontwikkeld; terwijl ik besluit, dat muzikale tonen en rhythmus het eerst door de mannelijke of vrouwelijke voorouders van den mensch werden verkregen om daardoor de tegenovergestelde sekse te bekoren. Zoo werden muzikale tonen vast verbonden met eenige van de sterkste hartstochten welke een dier in staat is te gevoelen en worden bij gevolg instinktmatig of door verbinding van denkbeelden („association”) gebruikt, wanneer sterke gemoedsaandoeningen in woorden worden uitgedrukt. De heer Spencer geeft volstrekt geen voldoende verklaring, en ook ik kan dit niet, waarom hooge of diepe tonen, zoowel bij den mensch als bij de lagere dieren, worden gebruikt om zekere gemoedsaandoeningen uit te drukken. De heer Spencer geeft ook een belangwekkende beschouwing over de betrekkingen tusschen dichtkunst, voordracht en zang. 

35 Rengger, „Säugethiere von Paraguay”, blz. 49. 

36 Ik vind in Lord Monboddo’s „Origin of Language”, vol. I (1774), blz. 469, dat Dr. Blacklock eveneens dacht: „dat de eerste taal onder de menschen muziek was, en dat, vóór onze denkbeelden werden uitgedrukt door gearticuleerde klanken, zij werden medegedeeld door tonen, verschillende al naar de onderscheidene graden van hoogte en laagte.” 

37 Zie een belangrijke beschouwing over dit onderwerp in Häckel, „Generelle Morph.”, Bd. II, 1856, blz. 246. 

38 Een uitvoerige en uitnemende beschrijving van de wijze waarop wilden uit alle deelen der wereld zich versieren, heeft de Italiaansche reiziger Prof. Mantegazza gegeven in „Rio de la Plata, Viaggi e Studi”, 1867, blz. 525–555; al de volgende opgaven zijn, wanneer geen andere werken worden aangehaald, aan dit geschrift ontleend. Zie ook Waitz, „Introduct. to Anthropolog.”, Eng. vert., vol. I, 1863, blz. 275 et passim. Lawrence geeft ook zeer uitvoerige bijzonderheden in zijn „Lectures on Physiology”, 1822. Sinds dit hoofdstuk was geschreven, heeft Sir J. Lubbock zijn „Origin of Civilisation”, 1870, uitgegeven, waarin een belangwekkend hoofdstuk over dit onderwerp voorkomt, en waaraan ik (blz. 42, 48) eenige feiten heb ontleend omtrent het verven van tanden en haren en het doorboren der tanden bij wilden. 

39 Humboldt, „Personal Narrative”, Eng. vertaling, vol. IV, blz. 515; over de verbeeldingskracht die uit het beschilderen van het lichaam blijkt, blz. 522; over het wijzigen van den vorm van de kuit van het been, blz. 466. 

40The Nile Tributaries”, 1867; „The Albert Nyanza”, 1866, vol. I, blz. 218. 

41 Medegedeeld door Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, 4th. edit., vol. I, 1851, blz. 351. 

42 Omtrent de Papoea’s, Wallace, „The Malay Archipelago”, vol. II, blz. 445. Over het kapsel der Afrikanen, Sir S. Baker, „The Albert Nyanza”, vol. I, blz. 210. 

43Travels”, blz. 533. 

44The Albert Nyanza”, 1866, vol. I, blz. 217. 

45 Livingstone, „British Association”, 1860; verslag gegeven in het Athenaeum”, 7 Juli 1860, blz. 29. 

46 Sir S. Baker (ibid., vol. I, blz. 210) zegt, van de inboorlingen van Centraal-Afrika sprekende: „elke stam heeft een verschillende en onveranderlijke wijze om zich het haar op te maken.” Zie Agassiz („Journey in Brazil”, 1868, blz. 318) over de onveranderlijkheid van de tatoeëering bij de Indianen van het Amazonengebied. 

47 De weleerw. heer R. Taylor, „New Zealand and its Inhabitants” 1855, blz. 152. 

48 Mantegazza, „Viaggi e Studi”, blz. 542. 

49Travels in South Africa”, 1824, vol. I, blz. 414. 

50 Zie omtrent de aanhalingen Gerland, „Ueber das Aussterben der Naturvölker”, 1868, blz. 51, 53, 55; ook Azara, „Voyages” enz., tome II, blz. 116. 

51 Over de voortbrengselen van het plantenrijk, die door de Noordwestelijke Amerikaansche Indianen worden gebruikt, „Pharmaceutical Journal”, vol. X. 

52A Journey from Prince of Wales Fort”, 8vo edit. 1796, blz. 89. 

53 Aangehaald door Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, 3rd. edit., vol. IV, 1844, blz. 519; Vogt, „Lectures on Man”, Eng. vert., blz. 129. Omtrent het oordeel der Chineezen over de Singaleezen, E. Tennent, „Ceylon”, vol. II, 1859, blz. 107. 

54 Prichard volgens de opgaven van Crawfurd en Finlayson, „Phys. Hist. of Mankind”, vol. IV, blz. 534, 535. 

55Idem illustrissimus viator dixit mihi praecinctorium vel tabula foeminae, quod nobis teterrimum est, quondam permagno aestimari ab hominibus in hac gente. Nunc res mutata est, et censent talem conformationem minime optandam esse.” 

56The Anthropological Review”, Nov. 1864, blz. 237. Voor verdere aanhalingen, zie Waitz, „Introduction to Anthropology”, Eng. vert., 1863, vol. I, blz. 105. 

57Mungo Park’s Travels in Africa”, 4to, 1816, blz. 53, 131. Burton’s mededeeling wordt door Schaaffhausen aangehaald, „Archiv für Anthropologie”, 1866, blz. 163. Omtrent de Banyai, Livingstone, „Travels”, blz. 64. Omtrent de Kaffers, de weleerw. heer J. Shooter, „The Kafirs of Natal and the Zulu Country”, 1857, blz. 1. 

58 Omtrent de Javanen en Cochin-Chineezen, zie Waitz, „Introduct. to Anthropology”, Eng. vert., vol. I, blz. 305. Omtrent de Yura-Cara’s A. d’Orbigny, aangehaald bij Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, vol. V, 3rd. edit., blz. 476. 

59North American Indians”, door G. Catlin, 3rd. edit., 1842, vol. I, blz. 49; vol. II, blz. 227. Omtrent de inboorlingen van Vancouver’s Eiland, zie Sproat, „Scenes and Studies of Savage Life”, 1868, blz. 25. Omtrent de Indianen van Paraguay, Azara, „Voyages”, tome II, blz. 105. 

60 Omtrent de Siameezen, Prichard, ibid., vol. IV, blz. 533. Omtrent de Japanneezen, Veitch in „Gardener’s Chronicle”, 1860, blz. 1104. Omtrent de Nieuw-Zeelanders, Mantegazza, „Viaggi e Studi”, 1867, blz. 526. Omtrent de overige vermelde volken, zie aanhalingen in Lawrence. „Lectures on Physiology” enz., 1822, blz. 272. 

61 Lubbock, „Origin of Civilisation”, 1870, blz. 321. 

62 Dr. Barnard Davis haalt Dr. Prichard en anderen wegens deze op de Polynesiërs betrekking hebbende feiten aan in „Anthropological Review”, April 1870, blz. 185, 191. 

63 Ch. Comte maakt opmerkingen in dezen zin in zijn „Traité de Législation”, 3rd. edit., 1837, blz. 136. 

64 De Vuurlanders beschouwen, gelijk mij een zendeling heeft medegedeeld, die lang onder hen heeft geleefd, Europeesche vrouwen als uiterst schoon: maar op grond van hetgeen wij hebben gezien omtrent het oordeel van de andere inboorlingen van Amerika, kan ik niet anders denken dan dat dit een vergissing moet zijn, tenzij evenwel deze getuigenis betrekking heeft op de weinige Vuurlanders die eenigen tijd onder Europeanen hebben geleefd en ons als hoogere wezens moeten beschouwen. Ik wil hierbij voegen, dat een hoogst ervaren waarnemer, Kapitein Burton, gelooft, dat een vrouw die wij als schoon beschouwen, door de geheele wereld heên wordt bewonderd, „Anthropological Review”, Maart 1864, blz. 245. 

65Personal Narrative”, Eng. vert., vol. IV, blz. 518, en elders. Mantegazza wijst in zijn „Viaggi e Studi”, 1867, met aandrang op dit zelfde beginsel. 

66 Omtrent de schedels der Amerikaansche stammen, zie Nott en Gliddon, „Types of Mankind”, 1854, blz. 440; Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, vol. I, 3rd. edit., blz. 321; omtrent de inboorlingen van Arakhan, ibid., vol. IV, blz. 537. Wilson, „Physical Ethnology”, Smithsonian Institution, 1863, blz. 288; omtrent de Fidsji-eilanders, blz. 290. Sir J. Lubbock, („Prehistoric Times”, 2nd. edit, 1869, blz. 506) geeft een uitvoerig resumé over dit onderwerp. 

67 Omtrent de Hunnen, Godron, „De l’Espèce”, tome II, 1859, blz. 300. Omtrent de bewoners van Otaheite, Waitz, „Anthropolog.”, Eng. vert., vol. I, blz. 305. Marsden, aangehaald door Prichard, „Phys. Hist. of Mankind”, 3rd. edit., vol. V, blz. 67. Lawrence, „Lectures on Physiology”, blz. 337. 

68 Dit feit werd op de reis der Novara bewezen: „Reise der Novara; Anthropolog. Theil”, Dr. Weisbach, 1867, blz. 265. 

69Smithsonian Institution”, 1863, blz. 289. Over de modes der Arabische vrouwen, Sir S. Baker, „The Nile Tributaries”, 1867, blz. 121. 

70 „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten”, Ned. vert., deel I, blz. 236; deel II, blz. 210. 

71 Schaaffhausen, „Archiv für Anthropologie”, 1866, blz. 164. 

72 De heer Bain („Mental and Moral Science”, 1868, blz. 304–314) heeft omtrent een dozijn min of meer verschillende theorieën van het denkbeeld van schoonheid gegeven; maar geen daarvan stemt volkomen met de hier gegevene overeen. 

73 Hypochondria (regiones hypochondriacae) zijn de streken van den buik, een rechts en een links, die uitwendig met dat deel van het geraamte overeenkomen, dat door de voorste gedeelten der 6 valsche ribben en hun [346]kraakbeenderen wordt gevormd. Tusschen de beide hypochondria ligt het zoogenaamde epigastrium dat zich van het onderste gedeelte van het zwaardvormig uitsteeksel van het borstbeen tot op twee vingerbreedten van den navel uitstrekt. 

74 Ofschoon de hier opgegeven verschillen niet allen tot de secundaire seksueele kenmerken kunnen worden gebracht, scheen het mij niet onbelangrijk ze mede te deelen. Mocht de beschrijving voor sommige lezers minder duidelijk zijn, zoo kan toch de bijvoeging niet schaden en zal wellicht de belangstelling van vele andere lezers opwekken. 

75 Ta-Mah beteekent Noordland; de bewoners van Ta-Mah zijn afgebeeld met blauwe oogen, blond haar en vleeschkleurig gelaat.