1 Yarrell’s „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 417, 425, 436. Dr. Günther deelde mij mede, dat de stekels bij Raja Clavata alleen aan het wijfje eigen zijn. 

2The American Naturalist”, April 1871, blz. 119. 

3 Zie de belangwekkende artikelen van den heer R. Warington in „Annals and Mag. of Nat. Hist.”, Oct. 1852 en Nov. 1855. 

4 Noel Humphrey’s „River Gardens”, 1857. 

5 Loudon’s „Mag. of Nat. History”, vol. III, 1830, blz. 331. 

6The Field”, 29 Juni, 1867; voor de mededeeling van den heer Shaw, zie „Edinburgh Review”, 1843. Een ander geoefend waarnemer (Scrope’s „Days of Salmon Fishing”, blz. 60) merkt op, dat het mannetje, als hij maar kon, evenals het hert, alle andere mannetjes verwijderd zou willen houden. 

7 Yarrell, „History of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10. 

8The Naturalist in Vancouver’s Island”, vol. I, 1866 blz. 54. 

9Scandinavian Adventures”, vol. I, 1854, blz. 100, 104. 

10 Zie Yarrell’s verhandeling over de Roggen in zijn „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 416, met een uitmuntende afbeelding, en blz. 422, 432. 

11 Aangehaald in „The Farmer”, 1868, blz. 369. 

12 Ik heb deze beschrijving ontleend aan Yarrell’s „British Fishes”, vol. I, 1836, blz. 261 en 266. 

13Catalogue of Acanth. Fishes in the British Museum”, door Dr. Günther, 1861, blz. 138–151. 

14Game Birds in Sweden”, enz., 1867, blz. 466. 

15 Ten opzichte van deze en de volgende soorten ben ik aan Dr. Günther mededeelingen verschuldigd: zie ook zijn verhandeling over de visschen van Centraal-Amerika, in „Transact. Zoolog. Soc.”, vol. IV, 1868, blz. 485. 

16 Dr. Günther maakt deze opmerking: „Catalogue of Fishes in the British Museum”, vol. III, 1861, blz. 141. 

17 Zie over dit geslacht Dr. Günther in „Proc. Zoolog. Soc.”, 1868, blz. 232. 

18 F. Buckland, in „Land and Water”, Juli 1868, blz. 377, met een afbeelding. 

19 Dr. Günther, „Catalogue of Fishes”, vol. III, blz. 221 en 240. 

20 Zie ook „A Journey in Brazil”, door Prof. en Mevr. Agassiz, 1868, blz. 220. 

21 Yarrell, „British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 10, 12, 35. 

22 W. Thompson, in „Annals and Mag. of Nat. History”, vol. VI, 1841, blz. 440. 

23The American Agriculturist”, 1868, blz. 100. 

24Annals and Mag. of Nat. Hist”, Oct. 1852. 

25Nature”, Mei 1873, blz. 25. 

26Bull. de la Soc. d’Acclimat.”, Parijs, Juli 1869 en Jan. 1870. 

27 Bory de St. Vincent, in „Dict. Class. et Hist. Nat.”, tome IX, 1826, blz. 151. 

28 Ten gevolge van eenige opmerkingen over dit onderwerp in mijn werk „Het Varieeren der Huisdieren en Cultuurplanten” gemaakt, heeft de heer F. W. Mayers („Chinese Notes and Queries”, Aug. 1868, blz. 123) de oude Chineesche Encyclopedieën doorzocht. Hij vindt, dat de goudvisschen het eerst in gevangen staat werden aangefokt onder de Sung-dynastie die in het jaar 960 voor Chr. aan de regeering kwam. In het jaar 1129 was er een overvloed van deze visschen. Op een andere plaats wordt gezegd, dat er sinds het jaar 1548 „te Hangchow een verscheidenheid is voortgebracht, de vuurvisch genaamd, wegens zijn levendig roode kleur. Hij wordt algemeen bewonderd, en er is geen huishouding waar hij niet wordt aangefokt, in wedijver ten opzichte van zijn kleur, en als een bron van geldelijk voordeel.” 

29Westminster Review”, Juli, 1867, blz. 7. 

30Indian Cyprinidae”, door den heer J. M’Clelland,Asiatic Researches”, vol. XIX, part. III, 1839, blz. 230. 

31Proc. Zoolog. Soc.”, 1865, blz. 357, pl. XIV en XV. 

32 Yarrell, „British Fishes”, vol. II, blz. 11. 

33 Volgens de waarnemingen van den heer Gerbe; zie Günther’s „Record of Zoolog. Literature”, 1865, blz. 194. 

34 Cuvier, „Règne Animal”, vol. II, blz. 242. 

35 Zie de hoogst belangwekkende beschrijving van de gewoonten van den Gasterosteus leiurus door den heer Warrington, in „Ann. and Mag. of Nat. Hist.”, November 1855. 

36 Prof. Wyman, in „Proc. Boston Soc. of Nat. Hist.”, 15 Sept. 1857. Ook W. Turner in „Journal of Anatomy and Phys.”, 1 Nov. 1866, blz. 78. Ook Dr. Günther heeft nog andere gevallen beschreven. 

37 Yarrell, „Hist. of British Fishes”, vol. II, 1836, blz. 329, 338. 

38 Dr. Günther heeft, nadat hij een beschrijving van deze soort heeft gegeven in „The Fishes of Zanzibar”, door Col. Playfair, 1826, blz. 137, de voorwerpen opnieuw onderzocht en nu de bovenstaande mededeeling gedaan. 

39 De weleerw. heer C. Kingsley, in „Nature”, Mei 1870, blz. 40. 

40Comptes rendus”, tome XLVI, 1858, blz. 353. Tome XLVII, 1858, [21]blz. 916. Tome LIV, 1862, blz. 393. Het geluid, door de Ombervisschen (Sciaena aquila) gemaakt, gelijkt volgens sommige schrijvers meer op dat van een fluit of orgel dan op trommelen. Dr. H. Hartogh Heys van Zouteveen deelt in de Nederlandsche vertaling van dit werk (3de uitgaaf, deel II, blz. 33) eenige meerdere bijzonderheden mede omtrent de door visschen voortgebrachte geluiden. 

41 Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 156–159. 

42 Bell, ibid., blz. 146, 151. 

43Zoology of the Voyage of the „Beagle””, 1843. „Reptiles”, door den heer Bell. blz. 49. 

44The Naturalist in Nicaragua”, 1874, blz. 321. 

45 Alleen het mannetje van Bufo sikimmensis (Dr. Anderson,Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 204) heeft twee plaatvormige eeltachtigheden op de borst en zekere ruwe plekken op de vingers, die wellicht voor het zelfde doel dienen als de bovenvermelde verhevenheden. 

46The Reptiles of India”, door Dr. A. Günther, Roy. Soc. 1864, blz. 413. 

47 Bell, „History of British Reptiles”, 1849, blz. 93. 

48 J. Bishop, in „Todd’s Cyclop. of Anat. and Phys.”, vol. IV, blz. 1503. 

49 Bell, ibid., blz. 112–114. 

50 Zie mijn „Journal of Researches during the Voyage of the „Beagle””, 1845, blz. 384. 

51Travels through Carolina”, enz., 1791, blz. 128. 

52 Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615. 

53 Sir Andrew Smith, „Zoolog. of S. Africa: Reptilia”, 1849, pl. X. 

54 Dr. A. Günther, „Reptiles of British India”, Roy. Soc. 1864, blz. 304, 808. 

55 Dr. Stolicza, „Journal of Asiatic Soc. of Bengal”, vol. XXXIX, 1870, blz. 205, 211. 

56 Owen, „Anatomy of Vertebrates”, vol. I, 1866, blz. 615. 

57 De beroemde plantkundige Schleiden merkt ter loops op („Ueber den Darwinismus”,Unsere Zeit”, 1869, blz. 269), dat de ratelslangen haar ratels gebruiken als een seksueele lokstem, waardoor de beide seksen elkander vinden. Ik weet niet, of deze bewering op eenige directe waarneming berust. Deze slangen paren in den Londenschen dierentuin; maar de oppassers hebben nooit waargenomen, dat zij haar ratels in dien tijd meer gebruiken dan anders. 

58Rambles in Ceylon”, „Annals and Mag. of Nat. Hist.” 2nd. series, vol. IX, 1852, blz. 333. 

59 Dr. Günther, „Reptiles of British India”, 1864, blz. 340. 

60Westminster Review”, 1 Juli 1867, blz. 32. 

61 Dr. Anderson, „Proc. Zoolog. Soc.”, 1871, blz. 196. 

62The American Naturalist”, 1873, blz. 85. 

63 De heer N. L. Austen hield deze dieren geruimen tijd levend; zie „Land and Water”, Juli 1867, blz. 9. 

64 Al deze mededeelingen en aanhalingen ten opzichte van Cophotis, Sitana en Draco, zoowel als de volgende feiten ten opzichte van Ceratophora zijn ontleend aan Dr. Günther’s prachtig werk over de „Reptiles of British India, Roy. Soc., 1864, blz. 122, 130, 135. 

65 Dr. Bucholz, „Monatsbericht der K. Preus. Akad.”, Jan. 1874, blz. 78. 

66 Bell, „History of British Reptiles”, 2nd. edit., 1849, blz. 40. 

67 Omtrent Proctotretus zie „Zoology of the Voyage of the „Beagle””: „Reptiles”, door den heer Bell, blz. 8. Omtrent de hagedissen van Zuid-Afrika, zie „Zoology of S. Africa, Reptiles” door Sir Andrew Smith, pl. 25 en 39. Omtrent den Indischen Calotes, zie „Reptiles of British India” door Dr. Günther, blz. 143.